Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
19 DECEMBER 1939. - [Algemene kinderbijslagwet (AKBW)] <Opschrift vervangen bij W2014-04-04/30, art. 2, 107; Inwerkingtreding : 30-06-2014> (NOTA : art. 42bis en 56nonies worden gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij <W2008-12-22/33, art. 205 en 206, 090; Inwerkingtreding : onbepaald >) (NOTA : opgeheven voor de Duitstalige Gemeenschap bij DDG2018-04-23/18, art. 110,1°, 120; Inwerkingtreding : 01-01-2019) (NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG2018-02-08/09, art. 120, 122; Inwerkingtreding : 01-01-2019) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 21-02-1984 en tekstbijwerking tot 17-02-2021)
Titre
19 DECEMBRE 1939. - [Loi générale relative aux allocations familiales (LGAF)] <Intitulé remplacé par L2014-04-04/30, art. 2, 107; En vigueur : 30-06-2014>(NOTE : art. 42bis et 56nonies sont modifiés avec effet à une date indéterminée par <L2008-12-22/33, art. 205 et 206, 090; En vigueur : indéterminée >) (NOTE : abrogé pour la Communauté germanophone par DCG2018-04-23/18, art. 110,1°, 120; En vigueur : 01-01-2019) (NOTE : abrogé pour la Région wallonne par DRW2018-02-08/09, art. 120, 122; En vigueur : 01-01-2019) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 21-02-1984 et mise à jour au 17-02-2021)
Informations sur le document
Numac: 1939121901
Datum: 1939-12-19
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1939121901
Date: 1939-12-19
Moniteur: Voir
Table des matières
HOOFDSTUK I. - [1 Definities]1 HOOFDSTUK 1bis. - [1 De onder de wet vallende p... HOOFDSTUK II. - [1 Verplichting voor de onder d... HOOFDSTUK III. - [1 Kinderbijslagfondsen]1 SECTIE I. - [1 Vrije kinderbijslagfondsen]1 SECTIE II. - [1 De bijzondere kinderbijslagfond... HOOFDSTUK IV. - [1 Voorwaarden van aansluiting ... HOOFDSTUK V. _ (BIJSLAGEN) SECTIE I. _ (KINDERBIJSLAG _ BEDRAG EN BEREKENI... SECTIE II. - [1 Personen die op kinderbijslag a... SECTIE III. _ (GEVAL, WAARIN DE TEKSTEN DE TOEK... SECTIE IV. _ PERSONEN AAN WIE VERGOEDINGEN WERK... SECTIE IVbis_ (HET KRAAMGELD) SECTIE IVter. _ (DE ADOPTIEPREMIE.) SECTIE IVquater. SECTIE V. _ ANDERE BEPALINGEN BETREFFENDE DE VE... HOOFDSTUK VI. - BIJDRAGEN SECTIE I. - VERPLICHTING BIJDRAGEN TE STORTEN; ... SECTIE II. - [1 Werknemers waarvoor geen bijdra... SECTIE III. - (VAN HET RESERVEFONDS) SECTIE IV. - (THESAURIEFONDS VOOR DE BETALING ... SECTIE V. - STORTING DER BIJDRAGEN SECTIE VI. - ANDERE BEPALINGEN BETREFFENDE DE B... HOOFDSTUK VII. - [1 Het federaal agentschap voo... HOOFDSTUK VIII. - [1 Financiële verdeling waarm... HOOFDSTUK VIIIbis. _ TOELAGE VAN DE STAAT HOOFDSTUK IX. - [1 Bijslagen door het rijk of d... HOOFDSTUK X. - [1 Te volgen voorschriften in ge... HOOFDSTUK XI. _ BEOORDELING EN BIJLEGGING VAN G... HOOFDSTUK XII. - DE VERJARING. HOOFDSTUK XIII. - (opgeheven) HOOFDSTUK XIV. _ AFHOUDING OP DEN KOOPPRIJS VAN... HOOFDSTUK XV. _ BEPALINGEN BETREFFENDE HET TOEZ... SECTIE I. - [1 Toezicht uitgeoefend door de min... SECTIE II. - [1 De door de minister bevoegd voo... SECTIE III. - ANDERE BEPALINGEN BETREFFENDE HET... HOOFDSTUK XVI. HOOFDSTUK XVII. _ VERSCHILLENDE BEPALINGEN Hoofdstuk XVIII. - [1 Wijzigings-, opheffings- ... OVERGANGSBEPALINGEN OVERGANGSBEPALINGEN INGEVOERD BIJ KONINKLIJK BE... BIJKOMEND ARTIKEL DOOR HETZELFDE BESLUIT TOEGEV... OVERGANGSBEPALING INGEVOERD BIJ KONINKLIJK BESL... (AANVULLENDE BEPALING)
Table des matières
CHAPITRE Ier. - [1 Définitions]1 CHAPITRE 1erbis. - [1 Des assujettis]1 CHAPITRE II_- [1 De l'obligation qui incombe au... CHAPITRE III. - [1 Des caisses d'allocations fa... SECTION 1. - [1 Des caisses d'allocations famil... SECTION 2_- [1 Des caisses d'allocations famili... CHAPITRE IV_- [1 Des conditions dans lesquelles... CHAPITRE V_ (DES PRESTATIONS) SECTION 1_ (Allocations familiales. Montant et ... SECTION 2_ (Des personnes qui peuvent prétendre... SECTION 3_ (De l'éventualité où les textes prév... SECTION 4_ Des personnes auxquelles les allocat... Section 4bis- Des allocations de naissance SECTION 4ter_ (De la prime d'adoption.) SECTION 4quater_ SECTION 5_ Autres dispositions relatives aux al... CHAPITRE VI- DES COTISATIONS SECTION 1- De l'obligation de verser des cotisa... SECTION 2-- [1 Des travailleurs salariés qui ne... SECTION 3- (Du fonds de réserve.) SECTION 4- Du fonds de roulement pour le paiem... SECTION 5- Du versement des cotisations SECTION 6- Autres dispositions relatives aux co... CHAPITRE VII-- [1 L'agence fédérale pour les al... CHAPITRE VIII-[1 De la répartition financière q... CHAPITRE VIIIbis_ DE LA SUBVENTION DE L'ETAT. CHAPITRE IX_- [1 Des allocations à rembourser à... CHAPITRE X_- [1 Des règles à suivre en cas de d... CHAPITRE XI_ DU JUGEMENT OU DE L'APLANISSEMENT ... CHAPITRE XII_ DE LA PRESCRIPTION. CHAPITRE XIII- (abrogé) CHAPITRE XIV_ DE LA RETENUE A OPERER SUR LE PRI... CHAPITRE XV_ DISPOSITIONS RELATIVES AU CONTROLE SECTION 1_- [1 Du contrôle exercé par le minist... SECTION 2_- [1 Des contrôleurs désignés ou habi... SECTION 3_ Autres dispositions relatives au con... CHAPITRE XVI- CHAPITRE XVII_ DISPOSITIONS DIVERSES Chapitre XVIII. - [1 Dispositions modificatives... Dispositions transitoires DISPOSITIONS TRANSITOIRES INTRODUITES PAR L'ARR... ARTICLE ADDITIONNEL AJOUTE PAR LE MEME ARRETE (... DISPOSITIONS TRANSITOIRES INTRODUITES PAR L'ARR... (Dispositions additionnelles)
Tekst (307)
Texte (307)
HOOFDSTUK I. - [1 Definities]1
CHAPITRE Ier. - [1 Définitions]1
Artikel 1. [1 Voor de toepassing van deze wet, moet worden verstaan onder :
1° "werknemer" : de persoon die verbonden is door een arbeidsovereenkomst;
2° "zelfstandige" : de zelfstandige, de helper of de medewerkende echtgenoot in de zin van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
3° "FAMIFED" : het Federaal Agentschap voor de Kinderbijslag.]1

Art. 1er. [1 Pour l'application de la présente loi, il faut entendre par :
1° "travailleur salarié" : la personne liée par un contrat de travail;
2° "travailleur indépendant" : le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant au sens de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
3° "FAMIFED" : l'Agence fédérale pour les allocations familiales.]1

HOOFDSTUK 1bis. - [1 De onder de wet vallende personen]1
CHAPITRE 1erbis. - [1 Des assujettis]1
Art. 1/1. [1 Is onderworpen aan deze wet :
1° ieder die gevestigd is in België of verbonden aan een in België gevestigde exploitatiezetel en personeel tewerkstelt krachtens een arbeidsovereenkomst;
2° ieder die in België een beroepsbezigheid als zelfstandige uitoefent en die is aangesloten bij een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen, bedoeld in artikel 20, § 1, van koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen of bij de Nationale Hulpkas voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, bedoeld in artikel 20, § 3, van hetzelfde koninklijk besluit.]1

Art. 1/1. [1 Est assujetti à la présente loi :
1° quiconque, établi en Belgique ou attaché à un siège d'exploitation établi en Belgique, occupe du personnel dans les liens d'un contrat de travail;
2° quiconque exerce en Belgique une activité professionnelle en tant qu'indépendant et qui est affilié à une caisse d'assurances sociales visée à l'article 20, § 1er, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants ou à la caisse nationale auxiliaire d'assurances sociales pour travailleurs indépendants visée à l'article 20, § 3, du même arrêté royal.]1

Art. 2. Voor de toepassing van [1 artikel 1/1, 1°]1 dient te worden verstaan als persoon die personeel tewerkstelt krachtens een arbeidsovereenkomst :
1° de werkgever die onderworpen is aan de regeling van de sociale zekerheid voor werknemers;
2° (...)
3° de werkgever die onderworpen is aan de regeling van de sociale zekerheid voor de zeelieden ter koopvaardij.
Art. 2. Pour l'application de l'[1 article 1/1, 1°]1, il y a lieu de considérer comme occupant du personnel dans les liens d'un contrat de travail :
1° l'employeur assujetti au régime de sécurité sociale des travailleurs salariés;
2° (...)
3° l'employeur assujetti au régime de sécurité sociale des marins de la marine marchande.
Art. 3. Zijn voor het geheel van hun personeel aan deze [2 wet]2 onderworpen :
1° de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten;
2° de openbare instellingen, waaronder begrepen zijn de instellingen van openbaar nut bedoeld bij artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut (, alsook de Universitaire Instelling Antwerpen en het Universitair Centrum Limburg) [1 alsook HR Rail]1;
3° de werkgevers bedoeld bij artikel 32, eerste lid.
(De gemeenten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (OCMW), de provincies, de verenigingen van gemeenten of de ocmw-verenigingen bedoeld in hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 zijn eveneens aan deze [2 wet]2 onderworpen voor de personen die een met een wedde bezoldigd, uitvoerend politiek mandaat uitoefenen en hun vervangers bedoeld in artikel 37quater van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid.)
(De naamloze vennootschap van privaatrecht Brussels International Airport Company alsook zijn rechtsopvolgers zijn eveneens aan deze [2 wet]2 onderworpen voor de personeelsleden bedoeld bij artikel 1,15 ° van het koninklijk besluit van 27 mei 2004 betreffende de omzetting van B.I.A.C. in een naamloze vennootschap van privaatrecht en betreffende de luchthaveninstallaties.)
Art. 3. Sont assujettis [2 à la présente loi]2, pour l'ensemble de leur personnel :
1° l'Etat, les Communautés, les Régions;
2° les établissements publics, en ce compris les organismes d'intérêt public visés à l'article 1er de la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public (ainsi que l'" Universitaire Instelling Antwerpen " et l'" Universitair Centrum Limburg ") [1 ainsi que HR Rail]1;
3° les employeurs visés à l'article 32, alinéa 1er.
(Les communes, les centres publics d'action sociale (cpas), les provinces, les associations de communes et les associations de cpas visée au chapitre XII de la loi organique des centres publics d'action sociale du 8 juillet 1976 sont également assujetties [2 à la présente loi]2 pour les personnes et leurs remplaçants qui y perçoivent une rémunération pour l'exercice d'un mandat politique exécutif visés à l'article 37quater de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés.)
(La société anonyme de droit privé Brussels International Airport Company et ses successeurs juridiques sont également assujettis [2 à la présente loi]2 pour les membres du personnel visé à l'article 1, 15° de l'arrêté royal du 27 mai 2004 relatif à la transformation de B.I.A.C. en société anonyme de droit privé et aux installations aéroportuaires.)
Art. 4. De Koning kan bij in Ministerraad overlegd besluit en na advies van het Beheerscomité van [1 het Federaal Agentschap voor de Kinderbijslag (FAMIFED)]1, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, de toepassing van deze [1 wet]1 uitbreiden tot de werkgevers die onttrokken zijn aan de toepassing van één van de stelsels van de sociale zekerheid.
Art. 4. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après avis du Comité de gestion de [1 l'Agence fédérale pour les allocations familiales (FAMIFED)]1, étendre dans les conditions qu'Il détermine, l'application [1de la présente loi1aux employeurs soustraits à l'application d'un des régimes de sécurité sociale.
Art. 5. (opgeheven)
Art. 5. (Abrogé)
Art. 6. (opgeheven)
Art. 6. (Abrogé)
Art. 7. (opgeheven)
Art. 7. (Abrogé)
Art. 8. (opgeheven)
Art. 8. (Abrogé)
Art. 9. (opgeheven)
Art. 9. (Abrogé)
Art. 10. (opgeheven)
Art. 10. (Abrogé)
Art. 11. (opgeheven)
Art. 11. (Abrogé)
Art. 12. (opgeheven)
Art. 12. (Abrogé)
Art. 13. (opgeheven)
Art. 13. (Abrogé)
Art. 13bis. (opgeheven)
Art. 13bis. (Abrogé)
Art. 14. (opgeheven)
Art. 14. (Abrogé)
HOOFDSTUK II. - [1 Verplichting voor de onder de wet vallende personen om zich aan te sluiten bij een kinderbijslagfonds of bij het Federaal agentschap voor de Kinderbijslag]1
CHAPITRE II_- [1 De l'obligation qui incombe aux assujettis de s'affilier à une caisse d'allocations familiales ou à l'agence fédérale pour les allocations familiales]1
Art. 15. Onverminderd de bepalingen van artikel 18 en van artikel 32, is iedere aan de wet onderworpen werkgever er toe gehouden deel uit te maken, 't zij van een door de regeering toegelaten [1 vrij kinderbijslagfonds]1, 'tzij van een krachtens artikel 31, bij koninklijk besluit gevestigde [1 bijzonder kinderbijslagfonds]1, 'tzij [1 van FAMIFED]1, zelfs wanneer geen enkele van de personen die hij aan den arbeid bezigt zich in de voorwaarden bevindt, die bij deze wet zijn vereischt om gezinsvergoedingen te kunnen verkrijgen.
De aansluiting bij een der (instellingen) die hierboven zijn vermeld moet geschieden ten bate van al de personen die door den werkgever worden te werk gesteld, (bij uitzondering van de dienstboden of het huispersoneel met permanente kost en inwoning bij de werkgever (...)).
Zij geschiedt bij [1 één enkel kinderbijslagfonds]1 (of bij [1 FAMIFED]1), ten minste wat de [1 werknemers]1 betreft uit hoofde van dewelken de werkgever niet verplichtend deel uitmaakt van een [1 bijzonder kinderbijslagfonds]1.
(Van deze laatste bepaling kan echter worden afgeweken wanneer het personeel van een werkgever verdeeld is over zetels of bijhuizen die gevestigd zijn hetzij in verschillende provincies, hetzij in een provincie en in het Brussels Gewest.
In dit geval moet de aansluiting bij eenzelfde [1 kinderbijslagfonds]1 of [1 FAMIFED]1 geschieden ten bate van al de [1 werknemers]1 die verbonden zijn aan de zetels of bijhuizen die gevestigd zijn hetzij in eenzelfde provincie, hetzij in het Brussels Gewest.)
(De derde bedoeld in artikel 36 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, is in de plaats van de werkgever onderworpen aan de bepalingen van dit artikel als hij de integrale bezoldiging van de werknemer uitkeert en in de plaats gesteld wordt van de werkgever voor het vervullen van alle verplichtingen betreffende deze bezoldiging bepaald door het eerder vermelde besluit.)
(De derde bedoeld in artikel 36 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, is in de plaats van de werkgever onderworpen aan de bepalingen van dit artikel als hij de integrale bezoldiging van de werknemer uitkeert en in de plaats gesteld wordt van de werkgever voor het vervullen van alle verplichtingen betreffende deze bezoldiging bepaald door het eerder vermelde besluit.)
[1 § 2. De zelfstandige hangt voor de toekenning en de betaling van zijn gezinsbijslag af van de kinderbijslaginstelling die overeenkomstig § 3 wordt aangewezen.
De tussenkomst van het vrije kinderbijslagfonds of FAMIFED is kosteloos voor de zelfstandige. Zij heeft betrekking op dezelfde periodes van aansluiting als deze bij zijn sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen.
§ 3. Elk sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen, bedoeld in artikel 20, § 1, van het voormeld koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, draagt zijn opdracht om gezinsbijslag toe te kennen en te betalen door middel van een overeenkomst over aan het vrije kinderbijslagfonds dat deel uitmaakt van hetzelfde administratieve complex als dat waaraan dit sociaal verzekeringsfonds is verbonden.
Wanneer het sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen, bedoeld in artikel 20, § 1, van het voormeld koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, van geen enkel administratief complex deel uitmaakt of deel uitmaakt van een administratief complex waartoe geen kinderbijslagfonds behoort, dan draagt het deze opdracht door middel van een overeenkomst over aan het kinderbijslagfonds van diens keuze of aan FAMIFED.
[2 De sociale verzekeringsfondsen bedoeld in het tweede lid beschikken over een termijn van zestig dagen om hun keuze te maken. Deze termijn vangt aan op 1 mei 2014, of, voor degene die na 30 juni 2014 worden opgericht, op de dag waarop ze rechtspersoonlijkheid verwerven.
Het Beheerscomité legt de verplichte vermeldingen vast die de in het eerste en tweede lid bedoelde overeenkomst moet bevatten. Het Beheerscomité keurt de overeenkomst goed na verificatie van de verplichte vermeldingen. Het onderzoek door het Beheerscomité heeft enkel betrekking op de naleving van de voorwaarde betreffende de verplichte vermeldingen.]2

De bepalingen van de vier bovenstaande leden, gelden onverminderd de bepalingen van artikel 175/3.
De bevoegdheid wordt overgedragen aan één kinderbijslagfonds of aan FAMIFED en betreft alle zelfstandigen die aangesloten zijn bij de in het eerste en tweede lid bedoelde sociale verzekeringsfondsen.
Het sociaal verzekeringsfonds waarbij de zelfstandige is aangesloten, staat in voor de administratieve stappen ten aanzien van het vrij kinderbijslagfonds of van FAMIFED.
§ 4. Zijn, voor de toekenning en de betaling van de gezinsbijslag, van rechtswege aan FAMIFED onderworpen :
1° de zelfstandige die is aangesloten bij een sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen, bedoeld in artikel 20, § 1, van het voornoemd koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, dat van geen enkel administratief complex deel uitmaakt of dat deel uitmaakt van een administratief complex waartoe geen kinderbijslagfonds behoort en dat geen keuze heeft gemaakt zoals bedoeld in § 3, tweede lid;
2° de zelfstandige die is aangesloten bij de Nationale Hulpkas voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, bedoeld in artikel 20, § 3, van hetzelfde koninklijk besluit.
[3 3° de huisarbeider.]3
De tussenkomst van FAMIFED is kosteloos voor de zelfstandige. Zij heeft betrekking op dezelfde perioden van aansluiting als deze bij zijn sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen.]1

Art. 15. [1 § 1er.]1 Sans préjudice des dispositions de l'article 18 et de l'article 32, tout employeur assujetti à la présente loi est tenu de faire partie soit d'une [1 caisse d'allocations familiales libre]1 agréée par le gouvernement, soit d'une [1 caisse d'allocations familiales spéciale]1 établie par arrêté royal en vertu de l'article 31, soit de [1 FAMIFED]1, alors même qu'aucune des personnes occupées par lui au travail ne se trouve dans les conditions requises par la présente loi pour obtenir des allocations familiales.
L'affiliation à (l'un des organismes énumérés) ci-dessus doit porter sur toutes les personnes que l'employeur occupe au travail, (à l'exception des domestiques ou gens de maisons logés et nourris d'une manière permanente chez l'employeur (...).
Elle a lieu à une seule [1 caisse d'allocations familiales]1 (ou à [1 FAMIFED]1), du moins en ce qui concerne les [1 travailleurs salariés]1 du chef desquels l'employeur ne fait pas partie obligatoirement d'une [1 caisse d'allocations familiales spéciale]1.
(Il peut toutefois être dérogé à cette dernière disposition lorsque le personnel d'un employeur se trouve réparti entre des sièges ou succursales situés, soit dans des provinces différentes, soit dans une province et dans la Région bruxelloise.
Dans ce cas, l'affiliation à la même [1 caisse d'allocations familiales]1 ou à [1 FAMIFED]1 doit être effectuée pour tous les [1 travailleurs salariés]1 attachés aux sièges ou succursales établis, soit dans une même province, soit dans la Région bruxelloise.)
(Le tiers visé à l'article 36 de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, lorsqu'il verse l'intégralité de la rémunération [1 du travailleur salarié]1 et est substitué à l'employeur pour l'accomplissement de l'ensemble des obligations relatives à cette rémunération prévues par l'arrêté précité, est, en lieu et place de l'employeur, soumis aux dispositions prévues au présent article.)
(Le tiers visé à l'article 36 de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, lorsqu'il verse l'intégralité de la rémunération du travailleur et est substitué à l'employeur pour l'accomplissement de l'ensemble des obligations relatives à cette rémunération prévues par l'arrêté précité, est, en lieu et place de l'employeur, soumis aux dispositions prévues au présent article.)
[1 § 2. Le travailleur indépendant relève, pour l'octroi et le paiement de ses prestations familiales, de l'organisme d'allocations familiales tel que désigné au § 3.
L'intervention de la caisse d'allocations familiales libre ou de FAMIFED est gratuite pour le travailleur indépendant. Elle porte sur les mêmes périodes d'affiliation que celles à sa caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants.
§ 3. Chaque caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants visée à l'article 20, § 1er, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 précité confie, sur la base d'une convention, la mission d'octroyer et de payer les prestations familiales à la caisse d'allocations familiales libre qui appartient au même complexe administratif que cette caisse d'assurances sociales.
Lorsque la caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants visée à l'article 20, § 1er, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 précité n'appartient à aucun complexe administratif ou lorsqu'elle fait partie d'un complexe administratif auquel aucune caisse d'allocations familiales n'appartient, elle confie cette mission, sur la base d'une convention, à la caisse d'allocations familiales qu'elle choisit ou à FAMIFED.
[2 Les caisses d'assurances sociales visées à l'alinéa 2 disposent d'un délai de soixante jours pour faire leur choix. Ce délai débute le 1er mai 2014 ou, pour celles constituées à partir du 30 juin 2014, à compter du jour où elles acquièrent la personnalité juridique.
Le Comité de gestion détermine les mentions obligatoires qui doivent figurer dans la convention visée aux premier et deuxième alinéas. Le Comité de gestion approuve la convention après vérification des mentions obligatoires dont question ci-avant. L'examen du Comité de gestion porte uniquement sur le respect de la condition relative aux mentions obligatoires.]2

Les dispositions des quatre alinéas précédents, s'appliquent sans préjudice des dispositions de l'article 175/3.
Cette mission est confiée à une seule caisse d'allocations familiales ou à FAMIFED et porte sur l'ensemble des travailleurs indépendants affiliés aux caisses d'assurances sociales visées aux alinéas 1er et 2.
Les démarches administratives vis-à-vis de la caisse d'allocations familiales libre ou de FAMIFED sont à charge de la caisse d'assurances sociales à laquelle le travailleur indépendant est affilié.
§ 4. Relève de plein droit, pour l'octroi et le paiement de leurs prestations familiales, de FAMIF En vigueur :
1° le travailleur indépendant affilié à une caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants visée à l'article 20, § 1er, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 précité qui n'appartient à aucun complexe administratif ou qui fait partie d'un complexe administratif auquel aucune caisse d'allocations familiales n'appartient, et qui n'a pas fait le choix dont question au § 3, alinéa 2;
2° le travailleur indépendant affilié à la caisse nationale auxiliaire d'assurances sociales pour travailleurs indépendants visée à l'article 20, § 3, du même arrêté royal.
[3 3° le travailleur domestique.]3
L'intervention de FAMIFED est gratuite pour l'indépendant. Elle porte sur les mêmes périodes d'affiliation que celles à sa caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants.]1

Art. 16. Een toegelaten [1 kinderbijslagfonds]1 mag de aansluiting niet weigeren van een werkgever die zich er toe verplicht al de bepalingen der statuten en reglementen na te leven, mits, in voorkomend geval :
a) Deze behoore tot de categorie van werkgevers en tot de streek voor dewelke de vereeniging krachtens de statuten werd opgericht;
b) Hij niet uitgesloten geweest zij van een [1 ander kinderbijslagfonds]1, wegens tekortkoming aan zijn verplichtingen.
Art. 16. Une [1 caisse d'allocations familiales]1 agréée ne peut refuser d'affilier un employeur qui s'engage à observer les dispositions des statuts et règlements, pourvu, le cas échéant :
a) qu'il appartienne à la catégorie d'employeurs et à la région pour lesquelles l'association est créée aux termes des statuts;
b) qu'il n'ait pas été exclu d'une autre [1 caisse d'allocations familiales]1 pour manquement à ses obligations.
Art. 17. De [1 vrije kinderbijslagfondsen]1 mogen zich zelf op de lijst van hun aangeslotenen inschrijven voor de leden van hun eigen personeel.
Art. 17. Les [1 caisses d'allocations familiales libres]1 peuvent s'inscrire elles-mêmes sur la liste de leurs affiliés pour les membres de leur propre personnel.
Art. 18. (Onverminderd de bepalingen van artikel 101, sluiten de Staat, (de Gemeenschappen en de Gewesten) (...) zich bij geen [1 enkel kinderbijslagfonds]1 aan, maar verlenen rechtstreeks aan hun personeel de (kinderbijslag, het kraamgeld en de adoptiepremie), (...), bij deze wet voorzien of krachtens deze verplicht gemaakt. Het bedrag en de voorwaarden waaronder zij worden toegekend, zijn ten minste even gunstig als die van de bijslag (...), verplicht uitgekeerd door de [1 kinderbijslagfondsen]1).
(De openbare instellingen bedoeld in artikel 3, 2°, die krachtens een wet of een koninklijk besluit verplicht zijn zelf de gezinsbijslag te verlenen, moeten zich enkel bij een [1 kinderbijslagfonds]1 aansluiten, indien deze verplichting niet geldt ten aanzien van al hun persoonsleden. Indien het gaat om een autonoom overheidsbedrijf, kan de verplichting om zelf de gezinsbijslag te verlenen, bij gebrek aan een wet of een koninklijk besluit, worden opgelegd door de statuten van de onderneming maar enkel worden toegepast op het personeel dat statutair in dienst is.)
(leden 3 tot 7 opgeheven)
(De in artikel 32, eerste lid, bedoelde werkgevers worden van rechtswege bij de in dat artikel bedoelde (Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten) aangesloten). Het bedrag en de toekenningsvoorwaarden van de door (deze Rijksdienst) uitgekeerde (kinderbijslag, het kraamgeld en de adoptiepremie) zijn ten minste even voordelig als die van de bijslagen welke door de Staat aan zijn personeelsleden verleend worden.)
(Onverminderd de bepalingen van artikel 101, verlenen de N.V. van privaatrecht B.I.A.C. alsook zijn rechtsopvolgers rechtstreeks de gezinsbijslagen aan hun personeelsleden bedoeld bij artikel 1,15 ° van het koninklijk besluit van 27 mei 2004 betreffende de omzetting van B.I.A.C. in een naamloze vennootschap van privaatrecht en betreffende de luchthaveninstallaties. Zij moeten zich niet aansluiten bij een [1 kinderbijslagfonds]1 voor de hiervoor vermelde personeelsleden. Het bedrag en de voorwaarden waaronder zij worden toegekend, zijn ten minste even gunstig als die van de bijslag toegekend door de Staat aan zijn personeelsleden.)
Art. 18. Sans préjudice des dispositions de l'article 101, l'Etat (...), (les Communautés et les Régions) ne s'affilient à aucune [1 caisse d'allocations familiales]1, mais accorde directement aux membres de son personnel les (allocations familiales, de l'allocation de naissance et de la prime d'adoption) prévues par la présente loi ou rendues obligatoires en vertu de celle-ci. Le montant et les conditions d'octroi de celles-ci sont au moins aussi favorables que ceux des allocations (...) réparties obligatoirement par les [1 caisses d'allocations familiales]1.) <L 27-3-1951, art. 15>
(Les établissements publics visés à l'article 3, 2°, qui sont tenus d'accorder eux-mêmes les prestations familiales en vertu d'une loi ou d'un arrêté royal, ne doivent s'affilier à [1 une caisse]1 d'allocations familiales que si cette obligation ne concerne pas l'ensemble de leur personnel. S'il s'agit d'une entreprise publique autonome, l'obligation d'accorder elle-même les prestations familiales peut être imposée, à défaut d'une loi ou d'un arrêté royal, par les statuts de l'entreprise, mais ne peut s'appliquer qu'à l'égard du personnel qui est à son service dans une situation statutaire.)
(Al. 3 à 7 abrogés)
(Les employeurs visés à l'article 32, alinéa 1er, sont affiliés de plein droit à (l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales visé) à cet article.) Le montant et les conditions d'octroi des (allocations familiales, de l'allocation de naissance et de la prime d'adoption) réparties par (cet Office national) sont au moins aussi favorables que ceux des allocations accordées par l'Etat aux membres de son personnel.)
(Sans préjudice de l'article 101, la société anonyme de droit privé Brussels International Airport Company ou ses successeurs juridiques sont tenus d'accorder eux-mêmes les prestations familiales en faveur des membres du personnel visé à l'article 1, 15° de l'arrêté royal du 27 mai 2004 relatif à la transformation de B.I.A.C. en société anonyme de droit privé et aux installations aéroportuaires. Elles ne doivent pas s'affilier à [1 une caisse]1 d'allocations familiales en ce qui concerne ces mêmes membres du personnel mentionnés ci-avant. Le montant et les conditions d'octroi des prestations familiales sont au moins aussi favorables que ceux des prestations accordés par l'Etat aux membres de son personnel.)
Art. 18bis. De Koning kan [1 FAMIFED]1 machtigen aan de aangesloten werkgevers die hij met name aanwijst de opdracht toe te vertrouwen het recht op gezinsbijslag vast te stellen en deze te betalen overeenkomstig [1 deze wet]1.
Art. 18bis. Le Roi peut autoriser [1 FAMIFED]1 à confier aux employeurs affiliés qu'il désigne nommément, la mission d'instruire le droit aux prestations familiales et de payer celles-ci, conformément [1 à la présente loi]1.
HOOFDSTUK III. - [1 Kinderbijslagfondsen]1
CHAPITRE III. - [1 Des caisses d'allocations familiales]1
SECTIE I. - [1 Vrije kinderbijslagfondsen]1
SECTION 1. - [1 Des caisses d'allocations familiales libres]1
Art. 19. De [1 vrije kinderbijslagfondsen]1 worden bij koninklijk besluit toegelaten.
De aanvraag om toelating wordt gericht tot den (Minister bevoegd voor Sociale Zaken); zij gaat vergezeld van de statuten en reglementen [1 van het vrije kinderbijslagfonds]1, alsmede van de lijst der aangesloten werkgevers [1 en sociale verzekeringsfondsen]1, alles in dubbel exemplaar.
Tegenover den naam van iedereen aangesloten werkgever staat het aantal van de door hem gebezigde arbeidende personen [1 en tegenover de naam van ieder aangesloten sociaal verzekeringsfonds, het aantal zelfstandigen dat bij dit fonds is aangesloten]1.
Art. 19. Les [1 caisses d'allocations familiales libres]1 sont agréées par arrêté royal.
La demande d'agréation est adressée au (Ministre qui a les Affaires sociales dans ses compétences); elle est accompagnée des statuts et des règlements de la [1 caisse d'allocations familiales libre]1, ainsi que de la liste des employeurs [1 et des caisses d'assurances sociales]1 affiliés, le tout en double exemplaire.
En regard du nom de chaque employeur affilié, figure le nombre de personnes qu'il occupe au travail [1 et en regard du nom de chaque caisse d'assurances sociales affiliée, figure le nombre de travailleurs indépendants qui sont affiliés à cette caisse]1.
Art. 20. Om te kunnen toegelaten worden moet een [1 vrij]1 kinderbijslagfonds met de rechtspersoonlijkheid zijn bekleed als Belgische vereniging zonder winstoogmerk opgericht overeenkomstig de bepalingen van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, in deze sectie verder benoemd als de wet van 27 juni 1921.
De artikelen 2, eerste lid, 8°, 2ter en 12, eerste en tweede lid, van de wet van 27 juni 1921 zijn echter niet van toepassing.
Art. 20. Pour pouvoir être agréée, une caisse d'allocations familiales [1 libre]1 doit jouir de la personnalité juridique en tant qu'association belge sans but lucratif créée conformément aux dispositions de la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les associations internationales sans but lucratif et les fondations, loi dénommée ci-après dans cette section loi du 27 juin 1921.
Toutefois, les articles 2, alinéa 1er, 8°, 2ter et 12, alinéas 1er et 2 de la loi du 27 juin 1921 ne sont pas d'application.
Art. 20bis. [1 § 1.]1 De rechten en de plichten van de leden omschreven in de wet van 27 juni 1921 zijn van toepassing op al de leden van de vereniging.
[1 § 2. Het sociale verzekeringsfonds dat de opdracht om gezinsbijslag toe te kennen en te betalen heeft overgedragen op grond van artikel 15, § 3, eerste of tweede lid, is een lid van de vereniging. De zelfstandige die is aangesloten bij het sociale verzekeringsfonds, beschikt niet over deze hoedanigheid.]1
Art. 20bis. [1 § 1er.]1 Les droits et les obligations des membres fixés dans la loi du 27 juin 1921 sont applicables à tous les membres de l'association.
[1 § 2. La caisse d'assurances sociales qui a confié la mission d'octroi et de paiement des prestations familiales en vertu de l'article 15, § 3, alinéa 1er ou 2, est membre de l'association. Cette qualité n'est pas reconnue au travailleur indépendant affilié à ladite caisse d'assurances sociales.]1
Art. 21. § 1. In afwijking van artikel 6, eerste lid, van de wet van 27 juni 1921 moeten al de leden van de vereniging niet afzonderlijk tot de algemene vergadering opgeroepen worden, indien de vereniging meer dan tweeduizend leden telt.
Wanneer van deze vrijstelling wordt gebruik gemaakt wordt de oproeping ten minste veertien dagen op voorhand gedaan, door middel van het Belgisch Staatsblad en ten minste twee dagbladen die verschijnen in de provincie waar de zetel van de vereniging is gevestigd.
§ 2. In afwijking van artikel 6, eerste lid, van de wet van 27 juni 1921, moet er geen oproeping gebeuren tot de algemene vergadering, indien het de jaarlijkse gewone algemene vergadering betreft en het tijdstip en de plaats ervan zijn vastgesteld in de statuten van de vereniging.
Wanneer van deze vrijstelling wordt gebruik gemaakt kan er op de jaarlijkse gewone algemene vergadering niet beraadslaagd en besloten worden over de wijziging van de statuten van de vereniging en evenmin over een punt dat niet op de agenda staat.
De agenda van elke jaarlijkse gewone algemene vergadering kan ten minste veertien dagen op voorhand bekomen worden op vraag van elk lid.
Art. 21. § 1er. Par dérogation à l'article 6, alinéa 1er, de la loi du 27 juin 1921, il n'y a pas d'obligation de convoquer individuellement à l'assemblée générale tous les membres de l'association si celle-ci compte plus de deux mille membres.
Lorsqu'il est fait usage de cette dispense, la convocation a lieu quatorze jours, au moins, d'avance, par la voie du Moniteur belge, ainsi que de deux quotidiens, au moins, publiés dans la province où le siège de l'association est établi.
§ 2. Par dérogation à l'article 6, alinéa 1er, de la loi du 27 juin 1921, il n'y a pas d'obligation de convoquer à l'assemblée générale, s'il s'agit de l'assemblée générale ordinaire annuelle et que la date et le lieu en sont fixés dans les statuts de l'association.
Lorsqu'il est fait usage de cette dispense, il ne peut être délibéré et décidé à l'assemblée générale ordinaire annuelle de la modification des statuts de l'association ni d'un point qui ne figure pas à l'ordre du jour.
L'ordre du jour de chaque assemblée générale ordinaire annuelle peut être obtenu quatorze jours au moins à l'avance à la demande de chaque membre.
Art. 22. § 1. In afwijking van artikel 8, eerste lid, van de wet van 27 juni 1921, kan de algemene vergadering van de vereniging geldig beraadslagen en besluiten over de wijziging van de statuten zonder dat ten minste tweederde van de leden van de vereniging op de vergadering aanwezig of vertegenwoordigd zijn, indien de vereniging meer dan vijfhonderd leden telt.
§ 2. Een besluit van de algemene vergadering is vereist voor de oprichting van administratieve zetels en bijhuizen van de vereniging.
Art. 22. § 1er. Par dérogation à l'article 8, alinéa 1er, de la loi du 27 juin 1921, l'assemblée générale de l'association peut valablement délibérer et décider sur la modification aux statuts sans que les deux tiers au moins des membres de l'association soient présents ou représentés à l'assemblée, si l'association compte plus de cinq cents membres.
§ 2. Une décision de l'assemblée générale est obligatoire pour la création de sièges administratifs et de succursales de l'association.
Art. 22bis. § 1. Op de algemene vergadering beschikt ieder lid van de vereniging over één stem. De statuten van de vereniging kunnen evenwel voorzien in een meervoudig stemrecht ten behoeve van de leden die de hoedanigheid hebben van aangesloten werkgever [1 of sociaal verzekeringsfonds,]1 onder de voorwaarden bepaald in het volgend lid.
Er kan één bijkomende stem toegekend worden per vijftig rechthebbenden of meer, ingeschreven op 31 december van het laatst afgesloten dienstjaar, met een maximum van vierentwintig bijkomende stemmen [1 per aangesloten werkgever of sociaal verzekeringsfonds]1. De statuten van de vereniging mogen hierbij geen enkel onderscheid maken tussen de aangesloten [1 werkgevers en sociale verzekeringsfondsen]1.
(Beslissingen van de algemene vergadering inzake de wijziging van de statuten, de wijziging van het maatschappelijk doel, de benoeming en de afzetting van de bestuurders en commissarissen en de ontbinding van de vereniging, moeten door minimum een vierde van de werkende leden worden goedgekeurd, met dien verstande dat een quotum van vijf werkende leden voldoende is. Het verkregen quotiënt moet desgevallend naar beneden worden afgerond. Met werkende leden zijn bedoeld, leden, al dan niet werkgever [1 of sociaal verzekeringsfonds]1, die tevens in de raad van bestuur van de vereniging zetelen.)
§ 2. Elk lid mag zich op de algemene vergadering laten vertegenwoordigen door een ander lid dat schriftelijk gevolmachtigd is. Het aantal volmachten per lid is beperkt tot vijf.
Art. 22bis. § 1er. A l'assemblée générale, chaque membre de l'association dispose d'une voix. Les statuts de l'association peuvent toutefois prévoir un droit de vote multiple en faveur des membres qui ont la qualité d'employeur affilié [1 ou en faveur d'une caisse d'assurances sociales affiliée]1 aux conditions déterminées à l'alinéa suivant.
Une voix supplémentaire peut être accordée par cinquante attributaires ou plus, inscrits au 31 décembre du dernier exercice clôturé, avec un maximum de vingt-quatre voix supplémentaires [1 par employeur ou caisse d'assurances sociales affiliés]1. Les statuts de l'association ne peuvent en l'espèce faire aucune distinction entre les employeurs [1 et les caisses d'assurances sociales]1 affiliés.
(Les décisions de l'assemblée générale concernant la modification des statuts, la modification de l'objet social, la nomination et la révocation des administrateurs et commissaires et la dissolution de l'association doivent être approuvées par au moins un quart des membres actifs, étant entendu qu'un quota de cinq membres actifs suffit. Le cas échéant, le quotient obtenu doit être arrondi vers le bas. Par membres actifs, il faut entendre les membres, employeurs ou non, [1 Ou les caisses d'assurances sociales,]1 qui siègent également au conseil d'administration de l'association.)
§ 2. Chaque membre peut se faire représenter à l'assemblée générale par un autre membre mandaté par écrit. Le nombre de mandats par membre est limité à cinq.
Art. 22ter. In afwijking van artikel 10, eerste lid, van de wet van 27 juni 1921, worden alle beslissingen betreffende de toetreding, uittreding of uitsluiting van leden door toedoen van de raad van bestuur ingeschreven in het register van de leden, dat gehouden wordt op de zetel van de vereniging, binnen de dertig dagen na de datum van inwerkingtreding van de toetreding, uittreding of uitsluiting.
Art. 22ter. Par dérogation à l'article 10, alinéa 1er, de la loi du 27 juin 1921, toutes les décisions d'admission, de démission ou d'exclusion des membres sont inscrites dans le registre des membres tenu au siège de l'association par les soins du conseil d'administration endéans les trente jours après la date d'entrée en vigueur de l'admission, la démission ou l'exclusion.
Art. 22quater. In afwijking van artikel 26novies, § 2, van de wet van 27 juni 1921, worden de wijzigingen aangebracht aan de statuten van de vereniging niet bij uittreksel bekend gemaakt in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad. Zij worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad als bijlage bij het koninklijk besluit houdende goedkeuring van de wijzigingen aangebracht aan de statuten, dat bedoeld is in artikel 26, derde lid [1 ...]1.
Voor de toepassing van artikel 26novies, § 3, van de wet van 27 juni 1921 dient, voor wat de wijzigingen aangebracht aan de statuten betreft, de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het koninklijk besluit en de bijlage bedoeld in het eerste lid in aanmerking genomen te worden.
Art. 22quater. Par dérogation à l'article 26novies, § 2, de la loi du 27 juin 1921, les modifications apportées aux statuts de l'association ne sont pas publiées par extrait dans les annexes au Moniteur belge. Elles sont publiées dans le Moniteur belge comme annexe à l'arrêté royal portant approbation des modifications apportées aux statuts, visé à l'article 26, alinéa 3 [1 ...]1.
Pour l'application de l'article 26novies, § 3, de la loi du 27 juin 1921, la publication au Moniteur belge de l'arrêté royal et de l'annexe visés à l'alinéa 1er doit être prise en considération pour ce qui concerne les modifications apportées aux statuts.
Art. 23. De toelating [1 van de vrije kinderbijslagfondsen]1 is daarenboven aan de volgende voorwaarden onderworpen :
1° (De vereniging mag enkel de uitreiking van (kinderbijslag, het kraamgeld en de adoptiepremie) ten doel hebben)
2° De statuten der vereeniging vermelden de streek, waartoe de betrokken werkgevers [1 en sociale verzekeringsfondsen]1 moeten hooren, en, desgevallend, het beroep, dat ze dienen uit te oefenen;
3° De aangesloten werkgevers [1 en sociale verzekeringsfondsen]1 dienen ten minste vijftig in getal te zijn.
[1 4° het totaal van de personen die door de aangesloten werkgevers worden tewerkgesteld en de zelfstandigen die bij de aangesloten sociaal verzekeringsfondsen zijn aangesloten, bedraagt minstens drieduizend.]1
[1 ...]1.
Deze minima kunnen, in bijzondere gevallen, bij koninklijk besluit worden verlaagd, (...), zonder, nochtans, respectievelijk op minder dan tien [1 aangesloten werkgevers en sociale verzekeringsfondsen enerzijds en vijftienhonderd tewerkgestelde personen en zelfstandigen anderzijds]1 te worden gebracht.
Art. 23. L'agréation des [1 caisses d'allocations familiales libres]1 est, en outre, subordonnée aux conditions suivantes :
1° l'association ne peut avoir pour objet que la distribution d'(allocations familiales, de l'allocation de naissance et de la prime d'adoption);
2° les statuts de l'association indiquent la région et éventuellement la profession aux quelles les employeurs [1 et les caisses d'assurances sociales]1 affiliés devront appartenir;
3° les employeurs [1 et les caisses d'assurances sociales]1 affiliés seront au nombre de cinquante, au moins.
[1 4° le nombre total de personnes occupées au travail par les employeurs affiliés et de travailleurs indépendants affiliés aux caisses d'assurances sociales affiliées est d'au moins trois mille.]1
[1 ...]1.
Ces nombres minima peuvent être abaissés par arrêté royal dans des cas particuliers, (...) sans, toutefois, pouvoir descendre respectivement au-dessous de dix [1 employeurs et caisses d'assurances sociales affiliés d'une part et de quinze cents personnes occupées au travail et travailleurs indépendants d'autre part]1.
Art. 24. Een koninklijk besluit zal de reglementen bepalen die, in elk geval, aan de statuten moeten gehecht zijn, bij het indienen van de aanvraag tot toelating.
De straffen die de aangesloten werkgevers [1 , sociale verzekeringsfondsen,]1 alsmede de personen, aan wie de (bijslagen) verschuldigd zijn of moeten uitbetaald worden, desgevallend zullen oploopen, namelijk in geval van bedrog, zullen het voorwerp uitmaken van een bijzonder reglement dat moet aangenomen worden, 't zij door de algemeene vergadering der leden, 't zij door den daartoe gemachtigden beheerraad.
Deze straffen, dienen wezenlijk te worden toegepast, onverminderd, voor het geval dat bedrog zou zijn gepleegd :
a) De verplichting voor den bedrogpleger, de bijdragen of gedeeltelijke bijdragen welke niet betaald werden te vereffenen of de ten onrechte ontvangen sommen terug te betalen;
b) De vervolgingen vóór de rechtbanken en zoo noodig de veroordeeling tot de straffen voorzien [1 in het Sociaal Strafwetboek]1.
Onverminderd het recht om ze te innen door de gewone rechtsmiddelen, mogen de [1 vrije kinderbijslagfondsen]1 de sommen die moeten betaald worden als geldboeten voorzien door het reglement op de strafbepalingen of als ten onrechte ontvangen (bijslagen) door de personen aan wie de (bijslagen) verschuldigd zijn of moeten worden uitgekeerd, van het bedrag der verdere (bijslagen) afhouden.
Nochtans, mogen de afhoudingen, welke geschieden als voornoemde geldboeten, niet hooger zijn dan één vijfde der bij iedere vervaldag uit te keeren (bijslagen) (...)
(De opbrengst der voornoemde geldboeten zal voor de helft gestort worden aan [1 FAMIFED]1)
(Overeenkomstig artikel 91, § 2, e), wordt het overschot naar het reservefonds van het betrokken [1 vrije]1 kinderbijslagfonds overgedragen.)
(Het reglement betreffende de controle treedt maar in werking na goedkeuring door de [1 minister bevoegd voor Sociale Zaken]1)
Art. 24. Un arrêté royal déterminera les règlements qui devront en tout cas être annexés aux statuts, lors de l'introduction de la demande d'agréation.
Les sanctions qu'encourront, le cas échéant, notamment en cas de fraude, les employeurs [1 et les caisses d'assurances sociales]1 affiliés ainsi que les personnes auxquelles les (prestations) sont dues ou doivent être versées, feront l'objet d'un règlement spécial, qui devra être adopté, soit par l'assemblée générale des membres, soit par le conseil d'administration délégué à cette fin.
Ces sanctions devront être effectivement appliquées, sans préjudice, dans l'éventualité où une fraude a été commise :
a) de l'obligation incombant à l'auteur de la fraude d'acquitter les cotisations ou parties de cotisation restées impayées ou de rembourser les sommes indûment reçues;
b) des poursuites devant les tribunaux et de la condamnation aux peines prévues [1 par le Code pénal social]1, s'il y a lieu.
Sans préjudice des voies de recouvrement ordinaires, les [1 caisses d'allocations familiales libres]1 peuvent retenir sur les (prestations) ultérieures les sommes qu'ont à payer, soit du chef d'amendes prévues par le règlement relatif aux sanctions, soit à titre de remboursement de (prestations) indûment touchées, les personnes à qui les (prestations) sont dues ou doivent être versées.
Toutefois, les retenues opérées du chef des susdites amendes ne pourront excéder un cinquième du total des (prestations) (...) à chaque échéance.
(Le produit des susdites amendes sera versé à concurrence de la moitié, à [1 FAMIFED]1.)
(Conformément à l'article 91, § 2, e), le solde est transféré au fonds de réserve de la caisse d'allocations familiales [1 libre]1 concernée.)
(Le règlement relatif au contrôle n'entre en vigueur qu'après approbation par le [1 ministre qui a les Affaires sociales dans ses compétences]1.)
Art. 25. (Opgeheven)
Art. 25. (Abrogé)
Art. 26. De door de [1 vrije kinderbijslagfondsen]1 aangenomen reglementaire bepalingen, na het opzenden der statuten aan den (Minister bevoegd voor Sociale Zaken), dienen binnen de tien dagen ter kennis van dezen laatste gebracht.
Hetzelfde geldt wat betreft de wijzigingen aan die reglementen.
De wijzigingen aan de statuten zijn enkel van kracht als zij door den Koning zijn goedgekeurd.
Art. 26. Les dispositions règlementaires adoptées par les [1 caisses d'allocations familiales libres]1, après qu'elles ont envoyé leurs statuts au (Ministre qui a les Affaires sociales dans ses compétences), sont notifiées dans les dix jours à ce dernier.
Il en est de même des modifications apportées aux règlements.
Les changements aux statuts n'ont d'effet que pour autant qu'ils aient été approuvés par le Roi.
Art. 27. De bepalingen van de statuten en reglementen die in strijd zouden zijn met deze wet of met een koninklijk besluit gegeven om de uitvoering dezer wet te verzekeren zullen als niet bestaande worden aangezien.
Hetzelfde geldt voor de bepalingen van de reglementen die in strijd zouden zijn met de statuten.
Art. 27. Les clauses des statuts et règlements qui seraient contraires à la présente loi ou à un arrêté pris en vue d'assurer l'exécution de la présente loi, seront réputées non écrites.
Il en sera de même des clauses des règlements qui seraient contraires aux statuts.
Art. 28. [1 Het beheerscomité van [3 FAMIFED]3 legt een [3 vrij]3 kinderbijslagfonds op een herstelplan op te maken binnen de termijn die het comité bepaalt, in de volgende gevallen :
a)wanneer het evaluatiecriterium van het administratief beheer bedoeld in artikel 7, 1°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 betreffende de beheersrekening en de administratieve reserve van de [3 vrije]3 kinderbijslagfondsen lager is dan 92,5 %;
[2 b) wanneer de bedragen afgeboekt van het reservefonds op basis van artikel 91, § 4, 2°, 3° - voor debetten waarvan kennis gegeven is vóór 1 januari 2014 -, 6° en 8°, in de loop van een kalenderjaar hoger liggen dan 25 % van het tegoed van dit fonds in het begin van het kalenderjaar;
c) wanneer het tekort op de beheersrekening meer dan 25 % bedraagt van het tegoed van de administratieve reserve in het begin van het kalenderjaar;]2

[2 d)]2 wanneer de som van de schulden in verband met de beheersverrichtingen van het [3 vrij kinderbijslagfonds]3 125 % bedraagt van de eigen middelen, inclusief provisies, van het [3 vrij kinderbijslagfonds]3 op het einde van het dienstjaar.
Als er binnen de termijn geen passend plan is, mag het beheerscomité zelf een herstelplan opleggen aan het [3 vrije]3 kinderbijslagfonds.
In dat geval kan het [3 vrije]3 kinderbijslagfonds beroep aantekenen tegen het opgelegde herstelplan bij de [3 minister bevoegd voor Sociale Zaken]3 binnen vijftien kalenderdagen na de kennisgeving van het herstelplan waartoe het beheerscomité besliste. Het beroep is niet opschortend. De minister neemt een beslissing binnen dertig kalenderdagen na de datum waarop beroep is aangetekend. Aan het einde van het herstelplan levert het beheerscomité van de [3 FAMIFED]3 een met redenen omkleed advies af aan de minister.
De erkenning kan worden ingetrokken door de Koning op voorstel van het beheerscomité van [3 FAMIFED]3 :
a) wanneer het evaluatiecriterium van het administratief beheer bedoeld in artikel 7, 1°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 betreffende de beheersrekening en de administratieve reserve van de [3 vrije]3kinderbijslagfondsen gedurende drie opeenvolgende jaren lager ligt dan 90 %;
b) [2 wanneer het tegoed van het reservefonds gedaald is met 60 % in de loop van een periode van drie jaar;]2
c) [2 wanneer het tegoed van de administratieve reserve gedaald is met 60 % in de loop van een periode van drie jaar;]2
d) wanneer een [3 vrij]3 kinderbijslagfonds de machtigingsprocedure bedoeld in artikel 170 niet naleefde en de inbreuk op deze bepaling ernstig nadeel oplevert voor het financieel evenwicht van de [3 kinderbijslagregeling]3;
e) wanneer de som van de schulden in verband met de beheersverrichtingen van het [3 vrij]3 kinderbijslagfonds 200 % uitmaakt van de eigen middelen, inclusief provisies, van het fonds op het einde van het dienstjaar;
f) wanneer een [3 vrij kinderbijslagfonds]3 de bepalingen van artikel 170bis niet naleefde en de inbreuk op deze bepaling ernstig nadeel oplevert voor het financieel evenwicht van de [3 kinderbijslagregeling]3.
Indien de Koning in de in het vierde lid, b) en c), bedoelde gevallen niet beslist tot intrekking van de erkenning, kan het beheerscomité van [3 FAMIFED]3, met het oog op het herstel van de financiële toestand van het [3 vrije]3 kinderbijslagfonds, het [3 vrije]3 kinderbijslagfonds verplichten hem, binnen een door hem gestelde termijn, een herstelplan voor te stellen. Bij gebrek aan een geschikt plan binnen de gestelde termijn kan het beheerscomité zelf een herstelplan opleggen aan het [3 vrije]3 kinderbijslagfonds.
In dit geval kan het [3 vrije]3 kinderbijslagfonds tegen het opgelegde herstelplan beroep instellen bij de minister van Sociale Zaken, binnen vijftien kalenderdagen volgend op de kennisgeving van het herstelplan door het beheerscomité van [3 FAMIFED]3. Het beroep is niet opschortend. De minister neemt een beslissing binnen dertig kalenderdagen volgend op de datum van het beroep. Na afloop van het herstelplan verstrekt het beheerscomité van [3 FAMIFED]3 een gemotiveerd advies aan de minister.]1

Art. 28. [1 Le comité de gestion de [3 FAMIFED]3 impose à une caisse d'allocations familiales [3 libre]3, dans le délai qu'il fixe, l'établissement d'un plan de redressement dans les cas suivants :
a)lorsque le critère d'évaluation de la gestion administrative visé à l'article 7, 1°, de l'arrêté royal du 9 juin 1999 relatif au compte de gestion et à la réserve administrative des caisses d'allocations familiales [3 libre]3, est inférieur à 92,5 %;
[2 b) lorsque les montants imputés au fonds de réserve en application de l'article 91, § 4, 2°, 3° - en ce qui concerne les débits notifiés avant le 1er janvier 2014 -, 6° et 8°, au cours d'une année civile dépassent 25 % de l'avoir dudit fonds au début de l'année civile;
c) lorsque le déficit du compte de gestion s'élève à plus de 25 % de l'avoir de la réserve administrative au début de l'année civile;]2

[2 d)]2 lorsque la somme des dettes liées aux opérations de gestion de la [3 caisse d'allocations familiales libre]3 représente 125 % des moyens propres, provisions comprises, de la [3 caisse d'allocations familiales libre]3 à la fin de l'exercice.
A défaut de plan approprié, dans le délai imparti, le comité de gestion peut imposer lui-même un plan de redressement à la [3 caisse d'allocations familiales libre]3.
En ce cas, la caisse d'allocations familiales [3 libre]3 peut introduire un recours contre le plan de redressement imposé, auprès du [3 ministre qui a les Affaires sociales dans ses compétences]3, dans les quinze jours civils suivant la notification du plan de redressement décidé par le comité de gestion. Le recours n'est pas suspensif. Le ministre prend une décision dans les trente jours civils suivant la date de l'introduction du recours. Au terme du plan de redressement, le comité de gestion de [3 FAMIFED]3 fournit un avis motivé au ministre.
L'agrément peut être retiré par le Roi, sur proposition du comité de gestion de [3 FAMIFED]3 :
a) lorsque le critère d'évaluation de la gestion administrative visé à l'article 7, 1°, de l'arrêté royal du 9 juin 1999 relatif au compte de gestion et à la réserve administrative des caisses d'allocations familiales [3 libres]3, est inférieur à 90 % durant trois années consécutives;
b)[2 lorsque l'avoir du fonds de réserve a diminué de 60 % au cours d'une période de trois ans;]2
c) [2 lorsque l'avoir de la réserve administrative a diminué de 60 % au cours d'une période de trois ans;]2
d) lorsqu'une caisse d'allocations familiales [3 libre]3 n'a pas respecté la procédure d'autorisation visée à l'article 170 et que l'infraction à cette disposition porte un préjudice grave à l'équilibre financier du [3 régime des allocations familiales]3;
e) lorsque la somme des dettes liées aux opérations de gestion de la caisse d'allocations familiales [3 libre]3 représente 200 % des fonds propres, provisions comprises, de la caisse à la fin de l'exercice;
f) lorsqu'une [3 caisse d'allocations familiales libre]3 n'a pas respecté les dispositions de l'article 170bis et que l'infraction à cette disposition porte un préjudice grave à l'équilibre financier du [3 régime des allocations familiales]3.
Si dans les cas visés à l'alinéa 4, b) et c), le Roi ne décide pas de retirer l'agrément, le comité de gestion de [3 FAMIFED]3 peut, en vue du redressement de la situation financière de la [3 caisse d'allocations familiales libre]3, obliger cette caisse à lui soumettre, dans le délai qu'il fixe, un plan de redressement. A défaut de plan approprié, dans le délai imparti, le comité de gestion peut imposer lui-même un plan de redressement à la [3 caisse d'allocations familiales libre]3.
En ce cas, la [3 caisse d'allocations familiales libre]3 peut introduire un recours contre le plan de redressement imposé, auprès du ministre des Affaires sociales, dans les quinze jours civils suivant la notification du plan de redressement par le comité de gestion de [3 FAMIFED]3. Le recours n'est pas suspensif. Le ministre prend une décision dans les trente jours civils suivant la date de l'introduction du recours. Au terme du plan de redressement, le comité de gestion de [3 FAMIFED]3 fournit un avis motivé au ministre.]1

Art. 29. De Koning trekt in ieder geval de toelating in wanneer, sinds twee jaar, het aantal werkgevers [1 en sociale verzekeringsfondsen]1 die bij [1 het vrije kinderbijslagfonds]1 aangesloten zijn, geslonken is beneden de helft van het minimum aantal vastgesteld bij [1 het eerste lid, 3°, ]1 van artikel 23 of van het verlaagd minimum aantal dat vastgesteld is bij koninklijk besluit.
Zulks is ook het geval wanneer, sinds hetzelfde tijdsverloop, [1 het totaal van de personen die door de aangesloten werkgevers worden tewerkgesteld en de zelfstandigen die bij de sociale verzekeringsfondsen zijn aangesloten]1 verminderd is tot beneden de helft van het bij [1 artikel 23, eerste lid, 4°]1, vereischt minimum aantal of het verlaagd minimum aantal dat zou vastgesteld zijn krachtens [1 artikel 23, tweede lid]1.
Art. 29. Le Roi retire en tout cas l'agréation, lorsque, depuis deux années, le nombre des employeurs [1 et des caisses d'assurances sociales]1 affiliés à la [1 caisse d'allocations familiales libre]1 est descendu au-dessous de la moitié du nombre minimum fixé par l'[1 alinéa 1er, 3°, ]1 de l'article 23 ou du nombre minimum réduit déterminé par arrêté royal.
Il en est également ainsi lorsque, depuis le même laps de temps, [1 le nombre total de personnes occupées au travail par les employeurs affiliés et de travailleurs indépendants affiliés aux caisses d'assurances sociales affiliées]1 est devenu inférieur à la moitié du nombre minimum requis par l'[1 article 23, alinéa 1er, 4°]1, ou du nombre minimum réduit qui serait fixé en vertu de l'[1 article 23, alinéa 2]1.
Art. 30. De besluiten van toelating of van intrekking der toelating, alsmede die welke aan de statuten toegebrachte wijzigingen goedkeuren, worden in den Moniteur belge opgenomen.
In geval van wijziging aan de statuten, worden de gewijzigde bepalingen onder vorm van bijlage in den Moniteur belge bekendgemaakt.
Art. 30. Les arrêtés d'agréation ou de retrait d'agréation, ainsi que ceux qui approuvent des modifications apportées aux statuts, sont insérés au "Moniteur".
En cas de modification aux statuts, le "Moniteur" publie en même temps les clauses modifiées, sous formes d'annexes.
SECTIE II. - [1 De bijzondere kinderbijslagfondsen en het Federaal Agentschap voor de Kinderbijslag]1
SECTION 2_- [1 Des caisses d'allocations familiales spéciales et de l'Agence fédérale pour les allocations familiales]1
Art. 31. [1 § 1.]1 In de streken waar de bevolking zeehandel drijft moeten de ondernemers van lading, lossing en versjouwing van koopwaren in de havens, losplaatsen, stapelplaatsen en stations zich bij bijzondere [1 kinderbijslagfondsen]1 aansluiten.
Om toegelaten te kunnen worden, moeten die [1 kinderbijslagfondsen]1 de meerderheid van de in de streek gevestigde belanghebbende werkgevers als aangeslotenen tellen.
Indien die voorwaarde niet vervuld is, worden zij, ambtshalve, bij koninklijk besluit ingesteld en ingericht.
Zoodra een [1 bijzonder kinderbijslagfonds]1 is ingesteld, maken al de werkgevers voor wie zij bestaat er van rechtswege deel van uit.
De bijzondere [1 kinderbijslagfondsen]1 kunnen bovendien vrijwillige aangeslotenen tellen.
(lid opgeheven)
Bij een koninklijk besluit kan het bij dit artikel bepaald stelsel uitgebreid worden tot :
1° Alle andere categorieën van werkgevers waarvan het personeel zooniet gewoonlijk, dan toch dikwijls per dag wordt aangeworven;
2° (...) de werkgevers van de personen die dikwijls in dienst zijn van verscheidene werkgevers;
3° De ondernemers van vervoer te water.
De Koning zal voorafgaandelijk (...) de beroepsvereenigingen van de belanghebbende werkgevers, raadplegen.
In voorkomend geval zal een bijzondere kas verscheidene van bovenvermelde categorieën van werkgevers kunnen omvatten.
Bij ieder der krachtens dit artikel bij koninklijk besluit opgerichte bijzondere [1 kinderbijslagfondsen]1 zal de [1 minister bevoegd voor Sociale Zaken]1 een regeringscommissaris aanstellen.
De bepalingen van artikel 24, alinea's 2 tot 9, zijn van toepassing op de krachtens dit artikel bij koninklijk besluit opgerichte bijzondere [1 kinderbijslagfondsen]1 zoowel als op de toegelaten bijzondere [1 kinderbijslagfondsen]1.
(De Koning zal de bevoegdheid van de [1 bijzondere kinderbijslagfondsen]1, zooals ze voortvloeit uit deze wet, kunnen uitbreiden tot andere opdrachten binnen de perken van de wetgeving op de maatschappelijke zekerheid der werknemers.
Hij zal voorafgaandelijk hun raad van beheer raadplegen.)
(De raad van beheer van elk van de krachtens dit artikel opgerichte bijzondere [1 kinderbijslagfondsen]1 bestaat uit :
1° Twaalf leden, door de Minister van Arbeid en Sociale Voorzorg benoemd, van wie er zes worden gekozen onder de aangesloten werkgevers en zes onder de [1 werknemers]1 die worden voorgedragen op een dubbele lijst van candidaten door de meest representatieve vakverenigingen der [1 werknemers]1;
2° Een voorzitter, eveneens door de Minister benoemd, en die noch aangesloten werkgever is, noch van de bij 1° bedoelde verenigingen afhangt.
De Minister benoemt in elke raad van beheer twee ondervoorzitters, van wie de ene onder de vertegenwoordigers van de werkgevers en de andere onder de vertegenwoordigers van de [1 werknemers]1 wordt gekozen. In geval van afwezigheid van de voorzitter, worden de vergaderingen beurtelings door een van de ondervoorzitters voorgezeten.)
[1 § 2. Vanaf 1 januari 2015 zijn de ondernemers van lading, lossing en versjouwing van koopwaren in de havens, losplaatsen, stapelplaatsen en stations in de streken waar de bevolking zeehandel drijft, van rechtswege aangesloten bij het vrije kinderbijslagfonds "Mensura Kinderbijslag vzw" of zijn rechtsopvolger.
"Mensura Kinderbijslag vzw" treedt in de rechten en plichten van het bijzondere kinderbijslagfonds bedoeld in artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit van 3 december 1930 houdende instelling en inrichting van bijzondere kassen voor gezinsvergoedingen, wat betreft de ondernemers die bij dit bijzonder fonds waren aangesloten vóór 1 januari 2015.]1

[1 § 3. Vanaf 1 januari 2015, zijn de ondernemers van binnenscheepvaart in de streken waar de bevolking zeehandel drijft, van rechtswege aangesloten bij het vrije kinderbijslagfonds "Group S - Kinderbijslag vzw" of zijn rechtsopvolger. "Group S - Kinderbijslag vzw" treedt in de rechten en plichten van het bijzondere kinderbijslagfonds bedoeld in artikel 1, 4°, van het koninklijk besluit van 3 december 1930 houdende instelling en inrichting van bijzondere kassen voor gezinsvergoedingen, wat betreft de ondernemers die bij dit bijzonder fonds aangesloten waren vóór 1 januari 2015.
De Koning wijzigt de benaming van het in het eerste lid bedoelde bijzondere kinderbijslagfonds en herstructureert zijn activiteiten wat betreft zijn resterende opdracht bedoeld in artikel 41 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. De bepalingen van § 1, negende, dertiende en veertiende lid, evenals de maatregelen genomen ter uitvoering hiervan, blijven bij wijze van overgangsmaatregel, van kracht tot aan de datum van inwerkingtreding van het door de Koning genomen besluit.]1

Art. 31. [1 § 1er.]1 Dans les régions où la population s'adonne au commerce maritime, les exploitants des entreprises de chargement, déchargement et manutention des marchandises dans les ports, débarcadères, entrepôts et stations, sont obligatoirement groupés dans des [1 caisses d'allocations familiales spéciales]1.
Pour pouvoir être agréées, ces [1 caisses d'allocations familiales]1 doivent compter comme affiliés la majorité des employeurs intéressés établis dans la région.
Si cette condition n'est pas remplie, elles sont créées et organisées d'office par arrêté royal.
Aussitôt qu'une [1 caisse d'allocations familiales spéciale]1 est constituée, tous les employeurs qu'elle concerne, en font partie de plein droit.
Les [1 caisses d'allocations familiales spéciales]1 peuvent comprendre en outre des affiliés libres.
(alinéa abrogé)
Un arrêté royal pourra étendre le régime défini par le présent article :
1° à toutes autres catégories d'employeurs dont le personnel est sinon généralement, du moins fréquemment, engagé à la journée;
2° (...), aux employeurs des personnes qui prestent fréquemment leurs services à plusieurs patrons;
3° aux exploitants des entreprises de transport par eau.
Le Roi consultera au préalable (...) les groupements professionnels auxquels appartiennent les employeurs intéressés.
Le cas échéant, une [1 caisse d'allocations familiales spéciale]1 pourra grouper plusieurs des catégories d'employeurs énumérées ci-dessus.
Près chacune des [1 caisses d'allocations familiales]1 spéciales établies, en vertu du présent article, par arrêté royal, le [1 ministre qui a les Affaires sociales dans ses compétences]1 désignera un commissaire du gouvernement.
Les dispositions de l'article 24, alinéas 2 à 9, sont applicables aux [1 caisses d'allocations familiales]1 spéciales établies, en vertu du présent article, par arrêté royal, aussi bien qu'aux [1 caisses d'allocations familiales]1 spéciales agréées.
(Le Roi pourra étendre la compétence des [1 caisses d'allocations familiales spéciales]1, telle qu'elle découle de la présente loi, à d'autres missions, dans les limites de la législation sur la sécurité sociale des travailleurs.
Il prendra, au préalable, l'avis de leur conseil d'administration.)
(Le conseil d'administration des [1 caisses d'allocations familiales spéciales]1 créées en vertu du présent article se compose :
1° de douze membres nommés par le Ministre du travail et de la prévoyance sociale, dont six choisis parmi les employeurs affiliés et six parmi les [1 travailleurs salariés]1 qui sont présentés sur une liste double de candidats par les organisations interprofessionnelles les plus représentatives des [1 travailleurs salariés]1;
2° d'un président nommé également par le Ministre, choisi en dehors des employeurs affiliés et qui ne dépend pas des organisations visées au 1°.
Le Ministre nomme au sein du conseil d'administration deux vice-présidents choisis, l'un parmi les représentants des employeurs, l'autre parmi les représentants des [1 travailleurs salariés]1. En cas d'absence du président, les séances sont présidées alternativement par chacun des vice-présidents.)
[1 § 2. A partir du 1er janvier 2015, dans les régions où la population s'adonne au commerce maritime, les exploitants des entreprises de chargement, déchargement et manutention des marchandises dans les ports, débarcadères, entrepôts et stations sont affiliés de plein droit à la caisse d'allocations familiales libre "Mensura - Allocations familiales ASBL" ou à son successeur juridique.
"Mensura - Allocations familiales ASBL" succède dans les droits et obligations de la caisse d'allocations familiales spéciale visée à l'article 1, 1°, de l'arrêté royal du 3 décembre 1930 portant institution et organisation de caisses spéciales d'allocations familiales, à l'égard des exploitants affiliés à ladite caisse spéciale avant le 1er janvier 2015.]1

[1 § 3. A partir du 1er janvier 2015, dans les régions où la population s'adonne au commerce maritime, les exploitants des entreprises de batellerie sont affiliés de plein droit à la caisse d'allocations familiales libre "Groupe S - Allocations familiales ASBL" ou à son successeur juridique. Le "Groupe S - Allocations familiales ASBL" succède dans les droits et obligations de la caisse d'allocations familiales spéciale visée à l'article 1, 4°, de l'arrêté royal du 3 décembre 1930 portant institution et organisation de caisses spéciales d'allocations familiales, à l'égard des exploitants affiliés à ladite caisse spéciale avant le 1er janvier 2015.
Le Roi modifie la dénomination de la caisse d'allocations familiales spéciale visée à l'alinéa 1er et restructure ses activités eu égard à sa mission subsistante visée à l'article 41 de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs. Les dispositions du § 1er, alinéas 9, 13 et 14, ainsi que les mesures d'exécution prises en vertu de ces dispositions demeurent en vigueur, à titre transitoire, jusqu'à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté pris par le Roi.]1

Art. 32. (De Koning richt een [1 bijzonder kinderbijslagfonds]1 op waarbij van rechtswege zijn aangesloten :
1° de gemeenten;
2° de openbare instellingen die afhangen van de gemeenten;
3° de verenigingen van gemeenten;
4° de agglomeraties en de federaties van gemeenten;
5° de openbare instellingen die afhangen van de agglomeraties en van de federaties van gemeenten;
6° de provincies;
7° de openbare instellingen die afhangen van de provincies;
8° (de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie;)
9° de gewestelijke economische instellingen bedoeld in de hoofdstukken II en III van de kaderwet van 15 juli 1970 houdende de organisatie van de planning en economische decentralisatie, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 1983 van de Waalse Gewestraad, behalve voor de personeelsleden voor wie zij verplicht zijn rechtstreeks de (gezinsbijslag) toe te kennen;
10° de door de Koning aangewezen instellingen bedoeld bij de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut en dit voor hun personeelsleden die geen aanleiding geven tot het betalen aan de Rijksdienst voor de sociale zekerheid van een bijdrage voor [1 de gezinsbijslag]1, voor zover ze niet verplicht zijn rechtstreeks (gezinsbijslag) te betalen aan die personeelsleden. De Koning bepaalt voor ieder van die instellingen de aansluitingsdatum;
11° de verenigingen van meerdere hierboven vermelde instellingen.)
(12° de vzw. " Vlaamse Operastichting " voor de personeelsleden die vastbenoemd waren bij de Intercommunale " Opera voor Vlaanderen " en met behoud van hun statuut worden overgenomen.)
[2 13° de korpsen van de lokale politie, zoals bedoeld bij de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.]2
(De Koning kan andere instellingen toevoegen aan de in het eerste lid vervatte lijst van aangesloten instanties. Hij kan die lijst wijzigen om rekening te houden met de wetswijzigingen die voor de in het eerste lid genoemde instellingen gelden.)
De Koning kan de bevoegdheid van (deze Rijksdienst) uitbreiden tot andere opdrachten betreffende het personeel van de voornoemde administraties.
De koning regelt de inrichting en de werking van (deze Rijksdienst) .
De wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut inzake sociale zekerheid en sociale voorzorg is toepasselijk op (deze Rijksdienst).
De artikelen 14 en 15 van voormelde wet van 25 april 1963 zijn slechts toepasselijk wanneer het gaat, hetzij om het personeelskader, hetzij om voorstellen of ontwerpen met betrekking tot dit artikel of de artikelen 81, 92, 110, tweede lid, en 119bis, tweede lid, of tot besluiten ter uitvoering van die artikelen te nemen.
Art. 32. (Le Roi crée une [1 caisse d'allocations familiales spéciale]1 à laquelle sont affiliés de plein droit :
1° les communes;
2° les établissements publics qui dépendent des communes;
3° les associations de communes;
4° les agglomérations et les fédérations de communes;
5° les établissements publics qui dépendent des agglomérations et des fédérations des communes;
6° les provinces;
7° les établissements publics qui dépendent des provinces;
8° (la Commission communautaire flamande et la Commission communautaire française;)
9° les organismes économiques régionaux visés aux chapitres II et III de la loi cadre du 15 juillet 1970 portant organisation de la planification et de la décentralisation économique modifiée par le décret du 25 mai 1983 du Conseil régional wallon, sauf pour les membres du personnel pour lesquels ils sont tenus d'octroyer directement les (prestations familiales);
10° les organismes désignés par le Roi et visés par la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public, et ce pour les membres de leur personnel qui ne donnent pas lieu au paiement à l'Office national de sécurité sociale d'une cotisation pour le [1 régime des prestations familiales]1, pour autant qu'ils ne soient pas tenus de payer directement les (prestations familiales) à ces membres du personnel. Le Roi fixe pour chacun de ces organismes la date d'affiliation;
11° les associations de plusieurs organismes susmentionnés.)
(12° l'asbl " Vlaamse Operastichting " pour les membres du personnel qui étaient nommés à titre définitif à l'Intercommunale " Opera voor Vlaanderen " et qui sont repris avec maintien de leur statut.)
[2 13° les corps de la police locale, visés par la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux.]2
(Le Roi peut ajouter d'autres organismes à la liste des affiliés, contenue dans l'alinéa 1er. Il peut modifier cette liste pour tenir compte des modifications législatives applicables aux organismes cités à l'alinéa 1er.)
Le Roi peut étendre la compétence de (l'Office national) à d'autres missions relatives au personnel des administrations susvisées.
Le Roi règle l'organisation et le fonctionnement de (cet Office national).
La loi du 25 avril 1963 concernant la gestion des organismes d'intérêt public de sécurité sociale et de prévoyance sociale est applicable à (cet Office national).
Les articles 14 et 15 de la loi du 25 avril 1963 précitée ne sont applicables que lorsqu'il s'agit soit du cadre du personnel, soit de propositions ou projets concernant le présent article ou les articles 81, 92, 110, alinéa 2, et 119bis, alinéa 2, ou concernant des arrêtés à prendre en exécution de ces articles.
Art. 32bis. De Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten neemt te zijnen laste de kosten van de medische onderzoeken uitgevoerd te zijnen behoeve met toepassing van de (artikelen 47) en 63 en de daaraan verbonden administratiekosten.
Art. 32bis. L'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales prend à sa charge le coût des expertises médicales effectuées en sa faveur en application (des articles 47) et 63 et les frais administratifs y afférents.
Art. 32ter. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten verleent de gezinsbijslag aan de burgemeesters en schepenen bedoeld in artikel 19, § 4, van de nieuwe gemeentewet.
Art. 32ter. L'Office national de Sécurité sociale des administrations provinciales et locales octroie les prestations familiales aux bourgmestres et échevins visés à l'article 19, § 4, de la nouvelle loi communale.
Art. 32quater. De Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten verleent gezinsbijslag aan de personen die een met een wedde bezoldigd, uitvoerend politiek mandaat uitoefenen bij een gemeente, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW), een provincie, een vereniging van gemeenten of een ocmw-vereniging bedoeld in hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 en aan hun vervangers bedoeld in artikel 37quater van de wet van 29 juni 1981 houdende algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.
Art. 32quater. L'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales octroie les prestations familiales aux personnes qui perçoivent une rémunération pour l'exercice d'un mandat politique exécutif auprès d'une commune, d'un centre public d'action sociale (cpas), d'une province, d'une association de communes ou d'une association de cpas visée au chapitre XII de la loi organique des centres publics d'action sociale du 8 juillet 1976, et à leurs remplaçants visés à l'article 37quater de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés.
Art. 32quinquies. [1 De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten kent ten laatste op 1 januari 2015 de gezinsbijslagen toe aan de personeelsleden van het operationeel kader en van het administratief en logistiek kader van de politiediensten, in de zin van artikel 106 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, evenals aan de leden van het personeel van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, met uitzondering evenwel van de militairen bedoeld bij artikel 4, § 2, van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten.
Tussen deze Rijksdienst en de federale politie wordt een protocol afgesloten tot vaststelling van de modaliteiten waaronder de gezinsbijslag verleend in toepassing van het vorige lid evenals de beheerskosten aan deze Rijksdienst worden terugbetaald. De praktische regeling zal dus bepaald worden na een overleg tussen de verschillende bevoegde administraties. In afwachting van de overname van de betalingen door deze Rijkdienst, blijft het Secretariaat van de geïntegreerde politie gestructureerd op twee niveaus tijdelijk doorbetalen.]1

Art. 32quinquies. [1 L'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales octroie au plus tard au 1er janvier 2015 les prestations familiales aux membres du personnel du cadre opérationnel et du cadre administratif et logistique des services de police, au sens de l'article 106 de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, ainsi qu'aux membres du personnel de l'inspection générale de la police fédérale et de la police locale, à l'exception toutefois des militaires visés à l'article 4, § 2, de la loi du 27 décembre 2000 portant diverses dispositions relatives à la position juridique du personnel des services de police.
Un protocole est conclu entre cet Office national et la police fédérale quant à la fixation des modalités suivant lesquelles les prestations familiales octroyées en application de l'alinéa précédent et les frais de gestion sont remboursés à cet Office national. Les modalités pratiques de cette reprise seront donc déterminées suite à une concertation entre les administrations compétentes. En attendant la reprise des paiements par cet Office national, ceux-ci sont poursuivis par le Secrétariat de la police intégrée structurée à deux niveaux.]1

Art. 32sexies. [1 Alle opdrachten die door of krachtens de artikelen 32 tot 32quinquies worden uitgeoefend door het bijzonder kinderbijslagfonds bedoeld in artikel 32, worden vanaf 1 september 2016 uitgeoefend door FAMIFED, met uitzondering van de taken aangaande de nieuwe aanvragen die vanaf 1 juli 2016 door FAMIFED worden uitgeoefend.]1
Art. 32sexies. [1 Toutes les missions exercées par la caisse d'allocations familiales spéciale visée à l'article 32, par ou en vertu des articles 32 à 32quinquies, sont exercées par FAMIFED à partir du 1er septembre 2016, à l'exception des tâches concernant les nouvelles demandes, qui sont exercées par FAMIFED à partir du 1er juillet 2016.]1
Art. 33. Onverminderd de bepalingen van de artikelen 18 en 32 zullen van rechtswege bij de [1 FAMIFED]1 aangesloten zijn alle krachtens deze wet verzekeringsplichtige werkgevers die op de datum welke vast te stellen is bij het in artikel 176 bepaalde koninklijk besluit geen deel uitmaken van een krachtens artikel 19 toegelaten [1 kinderbijslagfondsen]1 of van een der bij artikel 31 bedoelde bijzondere [1 kinderbijslagfondsen]1.
(Zijn eveneens van rechtswege bij [1 FAMIFED]1 aangesloten :
1° de werkgevers, exploitanten van hotels, restaurants en drankhuizen;
2° de werkgevers, reders;
3° de werkgevers uit de diamantnijverheid;
4° alleen ten behoeve van de hierna vermelde werknemers :
a) de werkgevers van huisarbeiders;
b) de werkgevers van handelsreizigers en handelsvertegenwoordigers die in dienst zijn van verscheidene werkgevers.)
(c) de werkgevers van personen onderworpen aan de sociale zekerheidsregeling voor werknemers ingevolge de door hen geleverde artistieke prestaties en/of de door hen geproduceerde artistieke werken (die niet aangesloten zijn bij het in artikel 32 bedoelde [1 bijzondere kinderbijslagfonds]1.))
[1 FAMIFED]1 zal bovendien vrije leden mogen tellen.
De bepalingen van artikel 24, tweede tot vijfde lid, aangaande de toegelaten [1 kinderbijslagfondsen]1 eveneens toepasselijk op [1 FAMIFED]1.
Art. 33. Sans préjudice des dispositions des articles 18 et 32, seront affiliés de plein droit à [1 FAMIFED]1, tous les employeurs assujettis à la présente loi, qui, à la date que fixera l'arrêté royal prévu à l'article 176, ne feront partie d'aucune [1 caisse d'allocations familiales]1 libre agréée en vertu de l'article 19, ni d'aucune des [1 caisses d'allocations familiales]1 spéciales dont il est question à l'article 31.
(Sont également affiliés, de plein droit, à [1 FAMIFED]1 :
1° les employeurs, exploitants d'hôtels, restaurants et débits de boissons;
2° les employeurs, armateurs de navires;
3° les employeurs de l'industrie diamantaire;
4° uniquement, en faveur des travailleurs mentionnés ci-après :
a) les employeurs de travailleurs à domicile;
b) les employeurs de voyageurs et de représentants de commerce, occupés au travail par plusieurs employeurs;)
(c) les employeurs (non affiliés à la [1 caisse d'allocations familiales spéciale]1 visée à l'article 32) de personnes assujetties à la sécurité sociale des travailleurs salariés en raison de prestations artistiques qu'elles fournissent et/ou des oeuvres artistiques qu'elles produisent.)
[1 FAMIFED]1 pourra comprendre, en outre, des affiliés libres.
Les dispositions de l'article 24, alinéas 2 à 5, relatives aux [1 caisses d'allocations familiales agréées]1 sont également applicables à [1 FAMIFED]1.
Art. 33bis.
Art. 33bis.
HOOFDSTUK IV. - [1 Voorwaarden van aansluiting bij de kinderbijslagfondsen of bij het federaal agentschap voor kinderbijslag]1
CHAPITRE IV_- [1 Des conditions dans lesquelles a lieu l'affiliation aux caisses d'allocations familiales ou à l'Agence fédérale pour les allocations familiales]1
Art. 34. De aan de wet onderworpen [1 werkgevers die nog niet bij een kinderbijslagfonds zijn aangesloten]1 en deze, die [1 ...]1 opnieuw aan de wet onderworpen worden en die niet van rechtswege deel uitmaken van een der [1 "bijzondere kinderbijslagfondsen]1 waarvan in artikel 31 sprake, zullen beschikken over (negentig dagen) om zich aan te sluiten bij een krachtens artikel 19 toegelaten [1 vrij kinderbijslagfonds]1.
Indien zij bij het verstrijken van dezen termijn bij [1 geen enkel toegelaten vrij kinderbijslagfonds]1 aangesloten zijn, zullen zij van rechtswege deel uitmaken van [1 FAMIFED]1
In alle geval heeft hun aansluiting bij [1 het door hen gekozen toegelaten vrije kinderbijslagfonds]1 of bij [1 FAMIFED]1) terugwerkende kracht tot op den dag waarop zij voor het eerst of opnieuw onder toepassing der huidige wet zijn gevallen.
(De Koning kan de bij lid 1 bedoelde termijn wijzigen.)
Art. 34. [1 Les employeurs non encore affiliés à une caisse d'allocations familiales]1 qui commenceront ou recommenceront à être assujetties à la présente loi [1 ...]1 et qui ne feront pas partie de plein droit de l'une des [1 caisses d'allocations familiales spéciales]1 dont il est question à l'article 31, disposeront de (nonante jours) pour s'affilier à une [1 caisse d'allocations familiales libre]1, agréée en vertu de l'article 19.
Si, à l'expiration de ce délai, elles ne sont affiliées à aucune [1 caisse d'allocations familiales]1 libre agréée, elles feront partie de plein droit de [1 FAMIFED]1
En tout état de cause, leur affiliation à la [1 caisse d'allocations familiales]1 libre agréée qu'elles ont choisie ou à [1 FAMIFED]1 rétroagit jusqu'au jour ou elles ont commencé ou recommencé à être assujetties à la présente loi.
(Le Roi peut modifier le délai visé à l'alinéa 1er.)
Art. 35. De werkgevers die, niettegenstaande zij aan de wet onderworpen blijven, ophouden van een [1 toegelaten vrij kinderbijslagfonds]1 deel uit te maken en niet van rechtswege lid worden van een [1 bijzonder kinderbijslagfonds]1, beschikken ook over een termijn van dertig dagen om zich bij een [1 ander toegelaten vrij kinderbijslagfonds]1 aan te sluiten.
Indien zij, na afloop van dien termijn, geen [1 ander toegelaten vrij kinderbijslagfonds]1 hebben gekozen, maken zij van rechtswege deel uit van [1 FAMIFED]1
In elk geval geschiedt hun aansluiting bij [1 het door hen gekozen toegelaten kinderbijslagfonds]1 of bij [1 FAMIFED]1 met terugwerkende kracht tot op den dag waarop zij [1 het toegelaten vrije kinderbijslagfonds]1, waarbij zij eerst waren aangesloten, hebben verlaten.
Art. 35. Les employeurs qui, tout en restant assujettis à la présente loi, cessent de faire partie d'une [1 caisse d'allocations familiales]1 libre agréée et ne deviennent pas de plein droit membres d'une [1 caisse d'allocations familiales]1 spéciale, disposent également d'un délai de trente jours pour s'affilier à une autre Caisse libre agréée.
Si, à l'expiration de ce délai, ils n'ont fait choix d'aucune autre [1 caisse d'allocations familiales]1 libre agréée, ils font de plein droit partie de [1 FAMIFED]1
En tout état de cause, leur affiliation à la [1 caisse d'allocations familiales]1 agréée qu'ils ont choisie ou à [1 FAMIFED]1 rétroagit jusqu'au jour où ils ont quitté la [1 caisse d'allocations familiales]1 libre agréée à laquelle ils étaient affiliés précédemment.
Art. 36. (opgeheven)
Art. 36. (abrogé)
Art. 37. (opgeheven)
Art. 37. (abrogé)
Art. 38. § 1. De werkgever aangesloten bij [1 FAMIFED]1 of bij een kinderbijslagfonds kan geen ontslag indienen binnen de vier jaar na de aansluiting. Indien het een werkgever betreft die verzekeringsplichtig wordt, begint deze termijn van vier jaar te lopen op de eerste dag van het kwartaal in de loop waarvan de werkgever verzekeringsplichtig werd.
Indien de aansluiting plaats vond bij toepassing van de artikelen 34, tweede lid, of 35, tweede lid, kan de werkgever geen ontslag indienen voor het einde van het dienstjaar dat volgt op datgene in de loop waarvan de aansluiting van rechtswege bij [1 FAMIFED]1 plaats vond.
De werkgever die zijn ontslag indient is verplicht een opzeggingstermijn van ten minste dertig dagen in acht te nemen. Het ontslag heeft uitwerking op het einde van het kwartaal in de loop waarvan de opzeggingstermijn eindigt.
§ 2. De vrije kinderbijslagfondsen mogen de leden uitsluiten die nalaten de bijdrage bedoeld in artikel 94, § 8, te betalen of zich bevinden in een van de andere door de statuten bepaalde gevallen van uitsluiting. In afwijking van artikel 4, 7°, van de wet van 27 juni 1921 kan tot de uitsluiting worden beslist hetzij door de algemene vergadering, hetzij door de raad van bestuur. Het lid wordt vooraf uitgenodigd om gehoord te worden door het bevoegde orgaan.
De uitsluiting wordt met een ter post aangetekend schrijven aan het uitgesloten lid betekend. De uitsluiting heeft uitwerking op het einde van het kwartaal in de loop waarvan de betekening werd gedaan.
Art. 38. § 1er. L'employeur affilié à [1 FAMIFED]1 ou auprès d'une caisse d'allocations familiales ne peut donner sa démission endéans les quatre années suivant l'affiliation. S'il s'agit d'un employeur qui fait l'objet d'un assujettissement, le délai de quatre ans précité commence à courir le premier jour du trimestre au cours duquel l'employeur a fait l'objet d'un assujettissement.
Si l'affiliation a eu lieu en application des articles 34, alinéa 2, ou 35, alinéa 2, l'employeur ne peut donner sa démission avant la fin de l'exercice qui suit celui au cours duquel l'affiliation d'office à [1 FAMIFED]1 s'est faite.
L'employeur qui donne sa démission est tenu de respecter un délai de préavis d'au moins trente jours. La démission sort ses effets à la fin du trimestre au cours duquel le délai de préavis expire.
§ 2. Les caisses d'allocations familiales libres peuvent exclure les membres qui omettent de payer la cotisation visée à l'article 94, § 8, ou qui se trouvent dans l'un des autres cas d'exclusion prévus par les statuts. Par dérogation à l'article 4, 7°, de la loi du 27 juin 1921, l'exclusion peut être prononcée, soit par l'assemblée générale, soit par le conseil d'administration. Le membre est invité au préalable à être entendu par l'organe compétent.
L'exclusion est notifiée au membre par lettre recommandée à la poste. L'exclusion sort ses effets à la fin du trimestre au cours duquel la notification a été faite.
Art. 39. (opgeheven)
Art. 39. (abrogé)
HOOFDSTUK V. _ (BIJSLAGEN)
CHAPITRE V_ (DES PRESTATIONS)
SECTIE I. _ (KINDERBIJSLAG _ BEDRAG EN BEREKENINGSWIJZE)
SECTION 1_ (Allocations familiales. Montant et mode de calcul)
Art. 40. De kinderbijslagfondsen, alsook de in artikel 18 bedoelde overheden en openbare instellingen, verlenen ten behoeve van de rechtgevende kinderen een maandelijkse bijslag van :
1° (68,42 EUR) voor het eerste kind;
2° (126,60 EUR) voor het tweede kind;
3° (189,02 EUR) voor het derde kind en voor elk volgend kind.
(lid 2 opgeheven)
Art. 40. [1 Les caisse d'allocations familiales]1, ainsi que les autorités et établissements publics visés à l'article 18, accordent aux enfants bénéficiaires une allocation mensuelle de :
1° (68,42 EUR) pour le premier enfant;
2° (126,60 EUR) pour le deuxième enfant;
3° (189,02 EUR) pour le troisième enfant et pour chacun des suivants.
(Alinéa 2 abrogé.)
Art. 41. Wanneer de rechthebbende een recht opent op de in artikel 40 bedoelde maandelijkse bijslag, wordt deze bijslag verhoogd met een bijslag (van 34,83 euro voor het eerste kind, 21,59 euro voor het tweede kind en 17,41 euro voor het derde en de volgende kinderen, onder de volgende cumulatieve voorwaarden) :
-de bijslagtrekkende vormt geen feitelijk gezin in de zin van artikel 56bis, § 2, en is niet gehuwd, behalve indien een feitelijke scheiding zich na het huwelijk heeft voorgedaan. De feitelijke scheiding moet blijken uit de afzonderlijke hoofdverblijfplaats van de personen in kwestie, in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van het Rijksregister van de natuurlijke personen, met uitzondering van gevallen waarbij uit andere daarvoor overgelegde officiële documenten blijkt dat de feitelijke scheiding effectief is, ook al stemt dit niet of niet meer overeen met de informatie verkregen bij het voormelde register;
- de bijslagtrekkende geniet geen beroeps- en/of vervangingsinkomsten waarvan het bedrag het maximaal dagbedrag van de invaliditeitsuitkering voor een werknemer met persoon ten laste, [2 [3 voortvloeiend uit de toepassing van de artikelen 212, zevende lid, en 213, eerste lid, eerste zin,]3]2, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, vermenigvuldigd met 27, overschrijdt. De inkomsten waarmee rekening wordt gehouden zijn die welke door de Koning zijn bepaald voor de omschrijving van de hoedanigheid van rechthebbende met personen ten laste;
- de rechthebbende mag daarenboven geen recht op een bijslag bedoeld in artikel 42bis of 50ter openen.
Art. 41. Lorsque l'attributaire ouvre un droit à l'allocation mensuelle visée à l'article 40, celle-ci est majorée d'un supplément (de 34,83 euros pour le premier enfant, 21,59 euros pour le deuxième enfant et 17,41 euros pour le troisième enfant et les suivants, aux conditions cumulatives qui suivent) :
-l'allocataire ne forme pas un ménage de fait au sens de l'article 56bis, § 2, et n'est pas marié, sauf si le mariage est suivi d'une séparation de fait. La séparation de fait doit apparaître de la résidence principale séparée des personnes en cause, au sens de l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, exception faite des cas dans lesquels il ressort d'autres documents officiels produits à cet effet, que la séparation de fait est effective bien qu'elle ne corresponde pas ou plus avec l'information obtenue auprès dudit registre;
- l'allocataire ne bénéficie pas de revenus professionnels et/ou de remplacement dont la somme dépasse le montant journalier maximum de l'indemnité d'invalidité pour le travailleur ayant personne à charge [2 [3 résultant de l'application des articles 212, alinéa 7, et 213, alinéa 1er, première phrase,]3,]2 de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, multiplié par 27. Les revenus pris en compte sont ceux définis par le Roi pour la définition de la qualité d'attributaire ayant personnes à charge;
- l'attributaire ne peut, en outre, ouvrir le droit à un supplément visé à l'article 42bis ou 50ter.
Art. 42. § 1. Voor de bepaling van de rang, bedoeld bij de artikelen 40, 42bis, 44, 44bis en 50ter wordt rekening gehouden met de volgorde van geboorten van de kinderen, die rechtgevend zijn krachtens [1 deze wet]1, [1 ...]1, het koninklijk besluit van 26 maart 1965 betreffende de kinderbijslag voor bepaalde categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel (, de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag en de internationale overeenkomsten van de sociale zekerheid van kracht in België).
De kinderbijslag die betaald wordt aan een enkele bijslagtrekkende wordt verleend rekening houdend met het aantal rechtgevende kinderen.
Indien er verschillende bijslagtrekkenden zijn wordt voor de rangbepaling bedoeld in het eerste lid rekening gehouden met het geheel van de rechtgevende kinderen onder de volgende [1 cumulatieve]1 voorwaarden :
1° de bijslagtrekkenden moeten dezelfde hoofdverblijfplaats hebben in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen (, behalve wanneer uit andere daartoe overgelegde officiële documenten blijkt dat de bijslagtrekkenden wel degelijk samenwonen, ook al stemt dat niet of niet meer overeen met de informatie verkregen van het Rijksregister.);
2° (de bijslagtrekkenden moeten ofwel echtgenoten zijn ofwel bloed- of aanverwanten in de eerste, tweede of derde graad, ofwel personen die verklaren een feitelijk gezin te vormen. Die verklaring geldt tot bewijs van het tegendeel. Het ouderschap dat is verworven door adoptie wordt in aanmerking genomen.)
De verwantschap verworven door adoptie wordt in aanmerking genomen.
§ 2. Voor de rangbepaling bedoeld in § 1 wordt eveneens rekening gehouden met de kinderen die geplaatst zijn overeenkomstig artikel 70 [1 ...]1, wanneer de betrokken bijslagtrekkende of bijslagtrekkenden voor deze kinderen het derde van de kinderbijslag ontvangen.
[1 § 2/1. Het verdwenen kind neemt, in de hierboven bedoelde groepen van rechtgevende kinderen, een fictieve rang in binnen de grenzen van artikel 62, § 9.]1
§ 3. Voor de rangbepaling bedoeld in [1 §§ 1, 2 en 2/1,]1 wordt geen rekening gehouden met de wees die rechthebbende is tegen het bedrag bepaald bij artikel 50bis [1 ...]1.
Art. 42. § 1er. Pour la détermination du rang visé aux articles 40, 42bis, 44, 44bis et 50ter, il est tenu compte de la chronologie des naissances des enfants bénéficiaires en vertu [1 de la présente loi]1, [1 ...]1, de l'arrêté royal du 26 mars 1965 relatif aux allocations familiales allouées à certaines catégories du personnel rétribué par l'Etat (, de la loi du 20 juillet 1971 instituant des prestations familiales garanties et des conventions internationales de sécurité sociale en vigueur en Belgique).
Les allocations familiales sont accordées compte tenu du nombre d'enfants bénéficiaires, lorsqu'elles sont payées à un seul allocataire.
Lorsqu'il y a plusieurs allocataires, pour la détermination du rang visée à l'alinéa 1er, il est tenu compte de l'ensemble des enfants bénéficiaires aux conditions [1 cumulatives]1 suivantes :
1° les allocataires doivent avoir la même résidence principale au sens de l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques (, exception faite des cas dans lesquels il ressort d'autres documents officiels produits à cet effet, que la cohabitation des allocataires est effective bien qu'elle ne corresponde pas ou plus avec l'information obtenue auprès du Registre national);
2° (les allocataires doivent être, soit conjoints, soit parents ou alliés au premier, au deuxième ou au troisième degré, soit des personnes déclarant former un ménage de fait. Cette déclaration vaut jusqu'à preuve du contraire. La parenté acquise par adoption est prise en considération.)
La parenté acquise par adoption est prise en considération.
§ 2. Pour la détermination du rang visée au § 1er, il est également tenu compte des enfants placés conformément à l'article 70 [1 ...]1 lorsque l'allocataire ou les allocataires concernés perçoivent le tiers des allocations familiales pour ces enfants.
[1 § 2/1. L'enfant disparu prend rang fictivement dans les limites fixées par l'article 62, § 9, dans les groupes d'enfants bénéficiaires visés ci-dessus.]1
§ 3. [1 Pour la détermination du rang visé aux §§ 1er, 2 et 2/1]1, il n'est pas tenu compte de l'orphelin attributaire au taux visé à l'article 50bis [1 ...]1.
Art. 42_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. § 1. Voor de bepaling van de rang, bedoeld bij de artikelen 40, 42bis, 44, 44bis en 50ter wordt rekening gehouden met de volgorde van geboorten van de kinderen, die rechtgevend zijn krachtens [1 deze wet]1, [1 ...]1, het koninklijk besluit van 26 maart 1965 betreffende de kinderbijslag voor bepaalde categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel (, de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag [2 , de gezinsbijslagregelingen die zijn ingesteld door de andere gefedereerde deelentiteiten,]2 en de internationale overeenkomsten van de sociale zekerheid van kracht in België).
De kinderbijslag die betaald wordt aan een enkele bijslagtrekkende wordt verleend rekening houdend met het aantal rechtgevende kinderen.
Indien er verschillende bijslagtrekkenden zijn wordt voor de rangbepaling bedoeld in het eerste lid rekening gehouden met het geheel van de rechtgevende kinderen onder de volgende [1 cumulatieve]1 voorwaarden :
1° de bijslagtrekkenden moeten dezelfde hoofdverblijfplaats hebben in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen (, behalve wanneer uit andere daartoe overgelegde officiële documenten blijkt dat de bijslagtrekkenden wel degelijk samenwonen, ook al stemt dat niet of niet meer overeen met de informatie verkregen van het Rijksregister.);
2° (de bijslagtrekkenden moeten ofwel echtgenoten zijn ofwel bloed- of aanverwanten in de eerste, tweede of derde graad, ofwel personen die verklaren een feitelijk gezin te vormen. Die verklaring geldt tot bewijs van het tegendeel. Het ouderschap dat is verworven door adoptie wordt in aanmerking genomen.)
De verwantschap verworven door adoptie wordt in aanmerking genomen.
§ 2. Voor de rangbepaling bedoeld in § 1 wordt eveneens rekening gehouden met de kinderen die geplaatst zijn overeenkomstig artikel 70 [1 ...]1, wanneer de betrokken bijslagtrekkende of bijslagtrekkenden voor deze kinderen het derde van de kinderbijslag ontvangen.
[1 § 2/1. Het verdwenen kind neemt, in de hierboven bedoelde groepen van rechtgevende kinderen, een fictieve rang in binnen de grenzen van artikel 62, § 9.]1
§ 3. Voor de rangbepaling bedoeld in [1 §§ 1, 2 en 2/1,]1 wordt geen rekening gehouden met de wees die rechthebbende is tegen het bedrag bepaald bij artikel 50bis [1 ...]1.
Art. 42 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
§ 1er. Pour la détermination du rang visé aux articles 40, 42bis, 44, 44bis et 50ter, il est tenu compte de la chronologie des naissances des enfants bénéficiaires en vertu [1 de la présente loi]1, [1 ...]1, de l'arrêté royal du 26 mars 1965 relatif aux allocations familiales allouées à certaines catégories du personnel rétribué par l'Etat (, de la loi du 20 juillet 1971 instituant des prestations familiales garanties [2 , des régimes de prestations familiales institués par les autres entités fédérées,]2 et des conventions internationales de sécurité sociale en vigueur en Belgique).
Les allocations familiales sont accordées compte tenu du nombre d'enfants bénéficiaires, lorsqu'elles sont payées à un seul allocataire.
Lorsqu'il y a plusieurs allocataires, pour la détermination du rang visée à l'alinéa 1er, il est tenu compte de l'ensemble des enfants bénéficiaires aux conditions [1 cumulatives]1 suivantes :
1° les allocataires doivent avoir la même résidence principale au sens de l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques (, exception faite des cas dans lesquels il ressort d'autres documents officiels produits à cet effet, que la cohabitation des allocataires est effective bien qu'elle ne corresponde pas ou plus avec l'information obtenue auprès du Registre national);
2° (les allocataires doivent être, soit conjoints, soit parents ou alliés au premier, au deuxième ou au troisième degré, soit des personnes déclarant former un ménage de fait. Cette déclaration vaut jusqu'à preuve du contraire. La parenté acquise par adoption est prise en considération.)
La parenté acquise par adoption est prise en considération.
§ 2. Pour la détermination du rang visée au § 1er, il est également tenu compte des enfants placés conformément à l'article 70 [1 ...]1 lorsque l'allocataire ou les allocataires concernés perçoivent le tiers des allocations familiales pour ces enfants.
[1 § 2/1. L'enfant disparu prend rang fictivement dans les limites fixées par l'article 62, § 9, dans les groupes d'enfants bénéficiaires visés ci-dessus.]1
§ 3. [1 Pour la détermination du rang visé aux §§ 1er, 2 et 2/1]1, il n'est pas tenu compte de l'orphelin attributaire au taux visé à l'article 50bis [1 ...]1.
Art. 42bis. § 1. De toeslagen bedoeld in dit artikel verhogen de bedragen bedoeld in artikel 40, voor de kinderen :
1° van de begunstigde van een pensioen bedoeld in artikel 57;
2° van de uitkeringsgerechtigde volledig werkloze bedoeld in artikel 56novies, vanaf de zevende maand werkloosheid;
3° van een rechthebbende krachtens artikel 56quater, in de situatie bedoeld in het vierde lid van dit artikel;
4° die onmiddellijk voor het openen van het recht krachtens artikel 51, § 1, na een begin van activiteit bedoeld in artikel 1, 5° van het koninklijk besluit van 25 april 1997 tot uitvoering van artikel 71, § 1bis van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, [2 of na het begin van activiteit die aanleiding geeft tot onderworpenheid aan het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen,]2 rechtgevend waren op de toeslagen voorzien door onderhavig artikel krachtens de wet van 20 juli 1971 tot instelling van de gewaarborgde gezinsbijslag. In afwijking van artikel 54 bepaalt de Koning de maximale duur van de toekenning van de toeslag verschuldigd krachtens de onderhavige bepaling.
[2 5° van een rechthebbende beoogd in artikel 56terdecies die geniet van de bepalingen van het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen, in geval van faillissement, daarmee gelijkgestelde situaties of gedwongen stopzetting.]2
§ 2. Voor de kinderen bedoeld in § 1 bedragen de toeslagen :
1° 34,83 EUR voor het eerste kind;
2° 21,59 EUR voor het tweede kind;
3° 3,79 EUR voor het derde en elk volgende kind. (Wanneer de toeslag evenwel verschuldigd is aan een bijslagtrekkende bedoeld in artikel 41, eerste en tweede streepje, bedraagt de bijslag 17,41 EUR.)
§ 3. Voor de rechthebbenden bedoeld in § 1, 2°, bepaalt de Koning volgens welke modaliteiten de zevende maand vergoede volledige werkloosheid bereikt is en onder welke voorwaarden, meer bepaald na het uitoefenen van een activiteit bedoeld in § 1, 4°, deze rechthebbenden het voordeel van de eerder verworven zes maanden wachttijd behouden.
De Koning bepaalt ook de voorwaarden waaronder een rechthebbende voor het behoud van het recht op de toeslagen wordt gelijkgesteld met een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze, meer bepaald als hij een in het eerste lid bedoelde activiteit uitoefent.
[2 Voor de volledig uitkeringsgerechtigde werkloze die, vanaf de zevende maand werkloosheid, een zelfstandige activiteit begint, wordt de in § 2 bedoelde toeslag toegekend onder dezelfde voorwaarden als deze voorzien in het tweede lid. De toelage wordt toegekend gedurende de rest van het kwartaal waarin de zelfstandige activiteit begint en in de acht daaropvolgende kwartalen. Dit mag er echter niet toe leiden dat de totale duur van de periode waarin de in § 2 bedoelde toeslag wordt verleend, acht kwartalen overschrijdt, te rekenen vanaf het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de zelfstandige activiteit aanvangt.]2
[2 § 3/1. De in § 1, 5°, bedoelde rechthebbende, geniet van de in § 2 bedoelde toeslag gedurende de volledige periode van de toekenning van de sociale verzekeringsuitkering bedoeld in artikel 3, 1°, van het voornoemd koninklijk besluit van 18 november 1996. Deze periode bedraagt maximum 4 kwartalen.]2
§ 4. De rechthebbenden bedoeld in [2 § 1, 1°, 2° en 5°]2, moeten bovendien de hoedanigheid van rechthebbende met personen ten laste hebben aan de voorwaarden bepaald door de Koning.
Verder, wanneer de toeslagen verschuldigd zijn krachtens § 1, 4° :
a) mag de bijslagtrekkende, als hij alleen woont met het kind, geen beroeps- en/of vervangingsinkomsten genieten waarvan de som het maximale dagbedrag overschrijdt van de invaliditeitsvergoeding voor de werknemer met personen ten laste [3 [4 voortvloeiend uit de toepassing van de artikelen 212, zevende lid, en 213, eerste lid, eerste zin,]4]3 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, vermenigvuldigd met 27;
b) [1 mag de bijslagtrekkende, als hij samenwoont met het kind en met een echtgenoot of met een persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt in de zin van artikel 56bis, § 2, met deze echtgenoot of deze persoon geen beroeps- en/of vervangingsinkomsten genieten waarvan de totale som de in a) bedoelde inkomensgrens, verhoogd met 57,65 euro, overschrijdt. Het bedrag van 57,65 euro is gekoppeld aan spilindex 103,14 (basis 1996 = 100) en schommelt conform de bepalingen van artikel 76bis, §§ 1 en 3.]1
De beroeps- en/of vervangingsinkomsten bedoeld in het tweede lid zijn die waarmee de Koning rekening houdt voor het bepalen van de hoedanigheid van rechthebbende met personen ten laste.
Art. 42bis. § 1er. Les suppléments visés au présent article majorent les montants visés à l'article 40, en faveur des enfants :
1° du bénéficiaire d'une pension visé à l'article 57;
2° du chômeur complet indemnisé visé à l'article 56novies, à partir du septième mois de chômage;
3° d'un attributaire en vertu de l'article 56quater, dans la situation visée à l'alinéa 4 de cet article;
4° qui, immédiatement avant l'ouverture d'un droit en vertu de l'article 51, § 1er, suite à un début d'activité visée à l'article 1er, 5°, de l'arrêté royal du 25 avril 1997 portant exécution de l'article 71, § 1erbis, des lois coordonnées relatives aux allocations familiales, [2 ou suite à un début d'activité donnant lieu à un assujettissement à l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants,]2 étaient bénéficiaires des suppléments prévus par le présent article, en vertu de la loi du 20 juillet 1971 instituant des prestations familiales garanties. Par dérogation à l'article 54, le Roi fixe la durée maximale de l'octroi du supplément dû en vertu de la présente disposition.
[2 5° d'un attributaire visé à l'article 56terdecies qui bénéficie des dispositions de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 instaurant une assurance sociale en cas de faillite, de situations y assimilées ou de cessation forcée.]2
§ 2. En faveur des enfants visés au § 1er, les suppléments s'élèvent à :
1° 34,83 EUR pour le premier enfant;
2° 21,59 EUR pour le deuxième enfant;
3° 3,79 EUR pour le troisième enfant et pour chacun des suivants. (Toutefois, lorsque le supplément est dû à un allocataire visé à l'article 41, premier et deuxième tirets, le supplément s'élève à 17, 41 EUR.)
§ 3. A l'égard des attributaires visés au § 1er, 2°, le Roi détermine selon quelles modalités le septième mois de chômage complet indemnisé est atteint et à quelles conditions, à la suite, notamment, de l'exercice d'une activité visée au § 1er, 4°, ces attributaires conservent le bénéfice du stage de 6 mois précédemment acquis.
Le Roi fixe également les conditions dans lesquelles, pour le maintien du droit aux suppléments, un attributaire est assimilé à un chômeur complet indemnisé, notamment s'il exerce une activité visée à l'alinéa 1er.
[2 A l'égard du chômeur complet indemnisé qui, à partir du septième mois de chômage, entame une activité indépendante, le supplément visé au § 2 est accordé dans les mêmes conditions que celles prévues à l'alinéa 2. Le supplément est accordé pour le reste du trimestre au cours duquel débute l'activité indépendante, ainsi que durant les huit trimestres suivants. Ceci ne peut toutefois pas avoir pour effet que la durée totale de la période pendant laquelle le supplément est accordé en vertu du § 2 excède huit trimestres à compter du trimestre qui suit celui au cours duquel débute l'activité.]2
[2 § 3/1. L'attributaire visé au § 1er, 5°, bénéficie du supplément visé au § 2 pendant toute la période d'octroi de la prestation d'assurance sociale prévue par l'article 3, 1°, de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 précité. Cette période est de quatre trimestres au maximum.]2
§ 4. Les attributaires visés au [2 § 1er, 1°, 2° et 5°]2, doivent, de plus, avoir la qualité d'attributaire ayant personnes à charge aux conditions déterminées par le Roi.
En outre, lorsque les suppléments sont dus en vertu du § 1er, 4° :
a) l'allocataire, s'il habite seul avec l'enfant, ne peut bénéficier de revenus professionnels et/ou de remplacement dont la somme dépasse le montant journalier maximum de l'indemnité d'invalidité pour le travailleur ayant personnes à charge [3 [4 résultant de l'application des articles 212, alinéa 7, et 213, alinéa 1er, première phrase,]4]3, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, multiplié par 27;
b) [1 l'allocataire, s'il cohabite avec l'enfant et avec un conjoint ou avec une personne avec laquelle il forme un ménage de fait au sens de l'article 56bis, § 2, ne peut, avec ce conjoint ou cette personne, bénéficier de revenus professionnels et/ou de remplacement dont la somme totale dépasse le plafond de revenus maximum visé au a), augmentée d'un montant de 57,65 euros. Le montant de 57,65 euros est rattaché à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) et varie conformément aux dispositions de l'article 76bis, §§ 1er et 3.]1
Les revenus professionnels et/ou de remplacement visés à l'alinéa 2, sont ceux pris en compte par le Roi pour la définition de la qualité d'attributaire ayant personnes à charge.
Art. 43. (opgeheven)
Art. 43. (Abrogé)
Art. 44. § 1. Het bedrag vermeld in artikel 40, 1° wordt voor een kind dat niet rechtgevend is op een bijslag bedoeld in (artikel 41, 42bis, 47 of 50ter) verhoogd met een leeftijdsbijslag van :
1° (11,92 EUR) voor een kind van minstens 6 jaar;
2° (18,15 EUR) voor een kind van minstens 12 jaar;
3° (20,92 EUR) voor een kind van minstens 18 jaar.
§ 2. Het bedrag vermeld in artikel 40, 1° voor een kind dat rechtgevend is op een in (artikel 41, 42bis, 47 of 50ter) bedoelde bijslag en de bedragen vermeld in de artikelen 40, 2° en 3° en 50bis worden verhoogd met een leeftijdsbijslag van :
1° (23,77 EUR) voor een kind van minstens 6 jaar;
2° (36,32 EUR) voor een kind van minstens 12 jaar;
3° (46,18 EUR) voor een kind van minstens 18 jaar.
Art. 44. § 1er. Le montant repris à l'article 40, 1°, est majoré, en ce qui concerne l'enfant non bénéficiaire d'un supplément visé à (l'article 41, 42bis, 47 ou 50ter), d'un supplément d'âge de :
1° (11,92 EUR) pour un enfant de 6 ans au moins;
2° (18,51 EUR) pour un enfant de 12 ans au moins;
3° (20,92 EUR) pour un enfant de 18 ans au moins.
§ 2. Le montant repris à l'article 40, 1°, en ce qui concerne l'enfant bénéficiaire d'un supplément visé à (l'article 41, 42bis, 47 ou 50ter) et les montants repris aux articles 40, 2° et 3° et 50bis, sont majorés d'un supplément d'âge de :
1° (23,77 EUR) pour un enfant de 6 ans au moins;
2° (36,32 EUR) pour un enfant de 12 ans au moins;
3° (46,18 EUR) pour un enfant de 18 ans au moins.
Art. 44bis.
Art. 44bis.
Art. 44ter. [1 § 1. De bedragen vermeld in de artikelen 40 en 50bis worden verhoogd met een jaarlijkse leeftijdsbijslag van :
a) 20,92 euro voor een kind dat nog geen 5 jaar is op 31 december van het kalenderjaar vóór dat waarin deze bijslag verschuldigd is;
b) 44,40 euro voor een kind dat ten minste 5 jaar is op 31 december van het kalenderjaar vóór dat waarin deze bijslag verschuldigd is en nog geen 11 jaar is op die datum;
c) 62,16 euro voor een kind dat ten minste 11 jaar is op 31 december van het kalenderjaar vóór dat waarin deze toeslag verschuldigd is en nog geen 17 jaar is op die datum;
d) 83,68 euro voor een kind dat rechtgevend is op grond van artikel 62 of artikel 63 zoals het luidt sinds het bij de wet van 27 februari 1987 gewijzigd werd, en minstens 17 jaar is op 31 december van het kalenderjaar vóór dat waarin deze bijslag verschuldigd is.
§ 2. In afwijking van § 1 wordt, wat betreft de kinderen die niet rechtgevend zijn op een toeslag bedoeld in de artikelen 41, 42bis, 47 of 50ter of op de bijslag bedoeld in artikel 50bis, het bedrag van de verhoging vastgesteld op :
1° Voor het jaar 2013 :
a) 16,67 euro voor een kind dat nog geen 5 jaar is op 31 december van het kalenderjaar vóór dat waarin deze bijslag verschuldigd is;
b) 37,89 euro voor een kind dat ten minste 5 jaar is op 31 december van het kalenderjaar vóór dat waarin deze bijslag verschuldigd is en nog geen 11 jaar is op die datum;
c) 53,05 euro voor een kind dat ten minste 11 jaar is op 31 december van het kalenderjaar vóór dat waarin deze toeslag verschuldigd is en nog geen 17 jaar is op die datum;
d) 72 euro voor een kind dat rechtgevend is op grond van artikel 62 of artikel 63 zoals het luidt sinds het bij de wet van 27 februari 1987 gewijzigd werd, en minstens 17 jaar is op 31 december van het kalenderjaar vóór dat waarin deze bijslag verschuldigd is.
2° Vanaf het jaar 2014 :
a) 15,16 euro voor een kind dat nog geen 5 jaar is op 31 december van het kalenderjaar vóór dat waarin deze bijslag verschuldigd is;
b) 32,59 euro voor een kind dat ten minste 5 jaar is op 31 december van het kalenderjaar vóór dat waarin deze bijslag verschuldigd is en nog geen 11 jaar is op die datum;
c) 45,47 euro voor een kind dat ten minste 11 jaar is op 31 december van het kalenderjaar vóór dat waarin deze toeslag verschuldigd is en nog geen 17 jaar is op die datum;
d) 60,63 euro voor een kind dat rechtgevend is op grond van artikel 62 of artikel 63 zoals het luidt sinds het bij de wet van 27 februari 1987 gewijzigd werd, en minstens 17 jaar is op 31 december van het kalenderjaar vóór dat waarin deze bijslag verschuldigd is.
§ 3. De bedragen vermeld in de §§ 1 en 2 verhogen de kinderbijslag verschuldigd voor de maand juli. De toeslagen bedoeld in de artikelen 41, 42bis, 47 of 50ter of de bijslag bedoeld in artikel 50bis, verschuldigd voor de maand juli, zijn bepalend voor de toepassing van § 1.]1

Art. 44ter. [1 § 1er. Les montants visés aux articles 40 et 50bis sont majorés d'un supplément d'âge annuel de :
a) 20,92 euros pour un enfant qui n'a pas encore atteint l'âge de 5 ans le 31 décembre de l'année civile précédant celle au cours de laquelle ce supplément est dû;
b) 44,40 euros pour un enfant âgé de 5 ans au moins le 31 décembre de l'année civile précédant celle au cours de laquelle ce supplément annuel est dû et qui n'a pas encore atteint l'âge de 11 ans à cette date;
c) 62,16 euros pour un enfant âgé de 11 ans au moins le 31 décembre de l'année civile précédant celle au cours de laquelle ce supplément annuel est dû et qui n'a pas encore atteint l'âge de 17 ans à cette date;
d) 83,68 euros pour un enfant bénéficiaire en vertu de l'article 62 ou de l'article 63 tel que rédigé depuis sa modification par la loi du 27 février 1987, âgé de 17 ans au moins le 31 décembre de l'année civile précédant celle au cours de laquelle ce supplément est dû.
§ 2. Par dérogation au § 1er, en ce qui concerne les enfants non bénéficiaires d'un supplément visés aux articles 41, 42bis, 47 ou 50ter ou du taux visé à l'article 50bis, le montant de la majoration est fixé à :
1° Pour l'année 2013 :
a) 16,67 euros pour un enfant qui n'a pas encore atteint l'âge de 5 ans le 31 décembre de l'année civile précédant celle au cours de laquelle ce supplément est dû;
b) 37,89 euros pour un enfant âgé de 5 ans au moins le 31 décembre de l'année civile précédant celle au cours de laquelle ce supplément annuel est dû et qui n'a pas encore atteint l'âge de 11 ans à cette date;
c) 53,05 euros pour un enfant âgé de 11 ans au moins le 31 décembre de l'année civile précédant celle au cours de laquelle ce supplément annuel est dû et qui n'a pas encore atteint l'âge de 17 ans à cette date;
d) 72 euros pour un enfant bénéficiaire en vertu de l'article 62 ou de l'article 63 tel que rédigé depuis sa modification par la loi du 27 février 1987, âgé de 17 ans au moins le 31 décembre de l'année civile précédant celle au cours de laquelle ce supplément est dû.
2° A partir de l'année 2014 :
a) 15,16 euros pour un enfant qui n'a pas encore atteint l'âge de 5 ans le 31 décembre de l'année civile précédant celle au cours de laquelle ce supplément est dû;
b) 32,59 euros pour un enfant âgé de 5 ans au moins le 31 décembre de l'année civile précédant celle au cours de laquelle ce supplément annuel est dû et qui n'a pas encore atteint l'âge de 11 ans à cette date;
c) 45,47 euros pour un enfant âgé de 11 ans au moins le 31 décembre de l'année civile précédant celle au cours de laquelle ce supplément annuel est dû et qui n'a pas encore atteint l'âge de 17 ans à cette date;
d) 60,63 euros pour un enfant bénéficiaire en vertu de l'article 62 ou de l'article 63 tel que rédigé depuis sa modification par la loi du 27 février 1987, âgé de 17 ans au moins le 31 décembre de l'année civile précédant celle au cours de laquelle ce supplément est dû.
§ 3. Les montants visés aux §§ 1er et 2 majorent les allocations familiales dues pour le mois de juillet. Les suppléments visés aux articles 41, 42bis, 47 ou 50ter ou le taux visé à l'article 50bis, dus pour le mois de juillet conditionnent l'application du § 1er.]1

Art. 45. Voor de toepassing van artikel 70bis, vierde lid, wordt, wanneer verschillende wezen uit hoofde van dezelfde overleden of overlevende persoon recht hebben op kinderbijslag tegen de bedragen bepaald in artikel 40, rekening gehouden met de rangen bepaald in artikel 42, wat betreft de weeskinderen die deel uitmaken van hetzelfde gezin en degenen die eventueel geplaatst zijn in de zin van artikel 70.
Art. 45. Pour l'application de l'article 70bis, alinéa 4, lorsque plusieurs orphelins ont droit, du chef de la même personne décédée ou survivante, aux allocations familiales aux taux fixés dans l'article 40, il est tenu compte des rangs déterminés dans l'article 42 en ce qui concerne les enfants orphelins qui font partie du même ménage et ceux qui sont éventuellement placés dans le sens de l'article 70.
Art. 46. De Koning mag toelaten dat een ander barema van vergoedingen wordt aangenomen als dit vermeld in (artikel 40), mits de totale last die eruit voortspruit werkelijk overeenstemt met deze waartoe de toepassing van laatstgenoemde barema's aanleiding zou geven.
[1 Alvorens van dit voorrecht gebruik te maken raadpleegt de regering het Beheerscomité van FAMIFED.]1
Art. 46. Le Roi peut autoriser l'adoption d'un barème d'allocations autre que ceux qui ressortent (de l'article 40), pourvu que, au total, la charge qui en résulte soit sensiblement équivalente à celle qu'entraînerait l'application de ces derniers barèmes.
[1 Avant qu'il soit fait usage de cette prérogative, le gouvernement consulte le Comité de gestion de FAMIFED.]1
Art. 47. § 1. De bedragen bedoeld in de artikelen 40 en 50bis worden voor het kind bedoeld in artikel 63, § 1, naargelang de graad van zelfredzaamheid van het kind, verhoogd met een bijslag van 307,81 EUR, 336,94 EUR of 360,19 EUR, onder de voorwaarden bepaald door de Koning.
De zelfredzaamheid van het kind wordt geëvalueerd door vergelijking met een kind van dezelfde leeftijd dat niet gehandicapt is.
De zelfredzaamheid van het kind kan worden herzien onder de voorwaarden bepaald door de Koning.
De Koning bepaalt door wie, volgens welke criteria en op welke wijze de zelfredzaamheid van het kind wordt vastgesteld. Hij kan tevens, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de bedragen, bedoeld in het eerste lid, wijzigen.
Indien de toekenning van de bijslag, bedoeld in het eerste lid, het gevolg zou zijn van een weigering van behandeling, wordt deze bijslag niet toegekend.
De Koning bepaalt door wie en volgens welke regels de weigering van behandeling wordt vastgesteld.
§ 2. De bedragen bedoeld in de artikelen 40 en 50bis worden voor het kind bedoeld in artikel 63, § 2, naargelang van de ernst van de gevolgen van de aandoening, verhoogd met een bijslag van (60 EUR, 79,91 EUR, 186,47 EUR, 307,81 EUR), 350 EUR, 375 EUR of 400 EUR, onder de voorwaarden bepaald door de Koning.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de bedragen, bedoeld in het eerste lid, wijzigen.
Indien de toekenning van de bijslag, bedoeld in het eerste lid, het gevolg zou zijn van een weigering van behandeling, wordt deze bijslag niet toegekend.
De Koning bepaalt door wie en volgens welke regels de weigering van behandeling wordt vastgesteld.
In afwijking van het eerste lid, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen onder welke voorwaarden en voor welke periode het kind, dat geboren is na 1 januari 1996, de bijslag geniet met toepassing van § 1.
Art. 47. § 1er. Les montants visés aux articles 40 et 50bis sont, pour l'enfant visé à l'article 63, § 1er, majorés en fonction du degré d'autonomie de l'enfant, d'un supplément de 307,81 EUR, 336,94 EUR ou 360,19 EUR, dans les conditions déterminées par le Roi.
L'autonomie de l'enfant est évaluée par comparaison à un enfant du même âge qui n'est pas handicapé.
Le degré d'autonomie de l'enfant peut faire l'objet d'une révision dans les conditions déterminées par le Roi.
Le Roi détermine par qui, selon quels critères et de quelle manière le degré d'autonomie est fixé. Il peut également, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, modifier les montants visés à l'alinéa 1.
Si l'octroi du supplément visé à l'alinéa 1er est la conséquence d'un refus de traitement, ce supplément n'est pas octroyé.
Le Roi détermine par qui et selon quelles règles le refus de traitement est constaté.
§ 2. Les montants visés aux articles 40 et 50bis sont, pour l'enfant visé à l'article 63, § 2, majorés en fonction de la gravité des conséquences de l'affection, d'un supplément de (60 EUR, 79,91 EUR, 186,47 EUR, 307,81 EUR), 350 EUR, 375 EUR ou 400 EUR, dans les conditions déterminées par le Roi.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, modifier les montants visés à l'alinéa 1.
Si l'octroi du supplément visé à l'alinéa 1er est la conséquence d'un refus de traitement, ce supplément n'est pas octroyé.
Le Roi détermine par qui et selon quelles règles le refus de traitement est constaté.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, déterminer sous quelles conditions et pour quelle période l'enfant, qui est né après le 1er janvier 1996, bénéficie du supplément par application du § 1er.
Art. 47bis. De kinderbijslag verschuldigd voor het bij artikel 63, lid 1, 2°, van [1 deze wet]1 (...) (, zoals het bestond voor het werd gewijzigd bij de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten,) bedoeld kind wordt, vanaf 1januari 1983, toegekend tegen de bij (artikel 40) bepaalde bedragen, vermeerderd met de bij (artikel 44bis) vastgestelde leeftijdsbijslag, met behoud van de indexering, waarvan in artikel 76bis sprake is.
In afwijking van het vorig lid, wordt de kinderbijslag verschuldigd voor het bij artikel 63, lid 1, 2°, van [1 deze wet]1 (...) (, zoals het bestond voor het werd gewijzigd bij de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten,) bedoeld kind van een invalide werknemer (gerechtigd op de bedragen bedoeld in artikel 50ter) of het kind dat (als wees gerechtigd is op de verhoogde kinderbijslag bedoeld in artikel 50bis) vanaf dezelfde datum, toegekend tegen de bij artikel 50ter, eerste lid, 1°, bepaalde bedragen, vermeerderd met de leeftijdsbijslag, zoals deze bedragen, leeftijdsbijslag inbegrepen, op 1 januari 1983 van kracht zijn. De indexering overeenkomstig artikel 76bis van [1 deze wet]1 wordt evenwel niet toegepast, zolang de bijslag waarin het eerste lid voorziet niet het niveau van de bij het tweede lid toegekende bijslag bereikt heeft.
[1 Het tweede lid is eveneens van toepassing ten voordele van de kinderen die rechtgevend waren op de kinderbijslag overeenkomstig de artikelen 20, 20bis, 26, 28 en 35 van het voormeld koninklijk besluit van 8 april 1976, zoals ze bestonden vóór ze werden gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 november 1987 tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen.]1
(De in artikel 41 bedoelde bijslag is eveneens verschuldigd aan de bijslagtrekkende bedoeld in het eerste en het tweede streepje van deze bepaling, voor kinderen bedoeld in de vorige leden.)
Art. 47bis. Les allocations familiales dues pour l'enfant visé à l'article 63, alinéa 1er, 2°, de [1 la présente loi]1 (...) (tel qu'il existait avant d'avoir été modifié par la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées,) sont accordées à partir du 1er janvier 1983, aux montants fixés par (l'article 40) et majorés du supplément d'âge fixé par (l'article 44bis), avec maintien de l'indexation dont question à l'article 76bis.
Par dérogation à l'alinéa précédent, les allocations familiales dues pour l'enfant visé à l'article 63, alinéa 1er, 2°, de [1 la présente loi]1, (...) (tel qu'il existait avant d'avoir été modifié par la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées,) d'un [1 travailleur salarié]1 invalide (bénéficiaire des montants prévus à l'article 50ter) ou pour (un enfant orphelin attributaire d'allocations familiales majorées visées à l'article 50bis) sont, à partir de la même date, accordées aux montants fixés à l'article 50ter, alinéa 1er, 1°, et majorées du supplément d'âge, tels que ces montants, supplément d'âge inclus, sont en vigueur au 1er janvier 1983. L'indexation conforme à l'article 76bis de [1 la présente loi]1 ne sera toutefois pas appliquée, tant que les allocations prévues à l'alinéa premier n'atteignent pas le niveau des allocations accordées à l'alinéa deux.
[1 Le deuxième alinéa est également applicable en faveur des enfants qui étaient bénéficiaires d'allocations familiales conformément aux articles 20, 20bis, 26, 28 et 35 de l'arrêté royal du 8 avril 1976 précité, tels qu'ils existaient avant d'avoir été modifiés par l'arrêté royal du 5 novembre 1987 modifiant l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants.]1
(Le supplément visé à l'article 41 est également dû à l'allocataire visé aux premier et deuxième tirets de cette disposition, en faveur des enfants visés dans les alinéas précédents.)
Art. 48. De toekenning van de kinderbijslag vangt aan vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het recht op kinderbijslag ontstaat.
(In afwijking van het eerste lid gaat de toekenning van de kinderbijslag in vanaf de eerste dag van de maand waarin het recht op kinderbijslag ontstaat indien de volgende cumulatieve voorwaarden zijn vervuld :
1° gedurende deze maand kan geen enkel ander recht op kinderbijslag worden toegekend krachtens Belgische of buitenlandse wettelijke of reglementaire bepalingen, of krachtens de regelen van de internationale overeenkomsten betreffende de sociale zekerheid die in België van kracht zijn of de regelen die van toepassing zijn op het personeel van een instelling van internationaal publiek recht;
2° gedurende de maand voorafgaand aan de maand waarin het recht krachtens deze [1 wet]1 ontstaat, werd een recht op kinderbijslag toegekend krachtens de bepalingen en regelen bedoeld in het 1°.)
De toekenning van de kinderbijslag wordt beëindigd op het einde van de maand waarin dit recht een einde neemt.
Iedere gebeurtenis die een wijziging van het bedrag van de kinderbijslag impliceert, geeft aanleiding tot de toekenning van het gewijzigd bedrag van kinderbijslag vanaf de eerste dag van de maand die volgt op deze tijdens welke deze gebeurtenis zich heeft voorgedaan.
((In afwijking van het vierde lid vangt de toekenning van de kinderbijslag aan vanaf de eerste dag van de maand waarin een indexering plaatsvindt of een nieuw voordeel ingesteld wordt bij of krachtens de wet.) wordt ingevoerd. Het vierde lid is niet van toepassing wanneer de gebeurtenis leidt tot het verlies van een van de in artikelen 41, 42bis en 50ter bedoelde bijslagen.)
Art. 48. L'octroi des allocations familiales prend cours dès le premier jour du mois qui suit le mois dans lequel le droit aux allocations familiales naît.
(Par dérogation à l'alinéa 1er, l'octroi des allocations familiales prend cours dès le premier jour du mois dans lequel le droit aux allocations familiales naît si les conditions cumulatives suivantes sont remplies :
1° durant ce mois, aucun autre droit aux allocations familiales ne peut être octroyé en faveur de l'enfant en vertu de dispositions légales ou réglementaires belges ou étrangères, ou en vertu des règles des conventions internationales de sécurité sociale en vigueur en Belgique ou des règles applicables au personnel d'une institution de droit international public;
2° durant le mois qui précède le mois de la naissance du droit en vertu [1 de la présente loi]1, un droit aux allocations familiales était octroyé en faveur de l'enfant en vertu des dispositions et règles visées au 1°.)
L'octroi des allocations familiales s'éteint à la fin du mois dans lequel ce droit prend fin.
Tout événement impliquant une modification du montant des allocations familiales donne lieu à l'octroi du montant modifié des allocations familiales à partir du premier jour du mois qui suit celui au cours duquel cet événement est survenu.
((Par dérogation à l'alinéa 4, l'octroi des allocations familiales prend cours dès le premier jour du mois durant lequel intervient une indexation ou l'institution d'un nouvel avantage par ou en vertu de la loi.) L'alinéa 4 n'est pas applicable lorsque l'événement a pour effet la perte d'un des suppléments visés aux articles 41, 42bis et 50ter.)
Art. 49. Ingeval de bedragen der vergoedingen worden gewijzigd blijven de oude bedragen van toepassing op al de vergoedingen die verschuldigd zijn wegens werkprestaties verricht vóór het invoege treden van de nieuwe bedragen.
Art. 49. En cas de modification des taux d'allocation, les anciens taux continuent à s'appliquer à toutes les allocations dues en raison de prestations de travail fournies antérieurement à l'entrée en vigueur des taux nouveaux.
Art. 50. (opgeheven)
Art. 50. (Abrogé)
Art. 50bis. De maandelijkse kinderbijslag waarop de wees bedoeld in artikel 56bis, § 1, gerechtigd is, bedraagt (262,84 EUR).
Art. 50bis. L'allocation familiale mensuelle dont bénéfice l'orphelin visé à l'article 56bis, § 1er, s'élève à (262,84 EUR).
Art. 50ter. (De bedragen, vermeld in artikel 40, worden voor de kinderen van een arbeidsongeschikte [1 werknemer of zelfstandige]1, bedoeld in artikel 56, § 2, (evenals voor de rechtgevende kinderen uit hoofde van een rechthebbende krachtens artikel 56quater, in de situatie bedoeld in (het vierde lid) van dat artikel,) verhoogd met een bijslag van :
1° (74,94 EUR) voor het eerste kind;
2° (21,59 EUR) voor het tweede kind;
3° (3,79 EUR) voor het derde kind en voor elk volgend kind. (Wanneer de toeslag evenwel verschuldigd is aan een bijslagtrekkende bedoeld in artikel 41, eerste en tweede streepje, bedraagt de toeslag 17,41 EUR.))
(lid 2 opgeheven)
(lid 3 opgeheven)
(lid 4 opgeheven)
Art. 50ter. (Les montants repris à l'article 40 sont majorés, pour les enfants d'un [1 travailleur salarié ou indépendant]1 invalide visé à l'article 56, § 2, (ainsi que pour les enfants bénéficiaires du chef d'un attributaire en vertu de l'article 56quater, dans la situation visée (à l'alinéa 4) de cet article) d'un supplément de :
1° (74,94 EUR) pour le premier enfant;
2° (21,59 EUR) pour le deuxième enfant;
3° (3,79 EUR) pour le troisième enfant et pour chacun des suivants. (Toutefois, lorsque le supplément est dû à un allocataire visé à l'article 41, premier et deuxième tirets, le supplément s'élève à 17, 41 EUR.) )
(alinéa 2 abrogé)
(alinéa 3 abrogé)
(alinéa 4 abrogé)
Art. 50quater. Het bedrag van de door de [1 kinderbijslaginstellingen]1 uit te betalen uitkeringen wordt vastgesteld (zonder rekening te houden met de gedeelten van een cent, indien het gedeelte 0,5 cent niet bereikt. De gedeelten van een cent die 0,5 cent of meer bereiken, worden voor een cent gerekend.)
De afronding op een (cent) naar boven of naar beneden geschiedt op het gezamenlijk uit te betalen bedrag.
Art. 50quater. Le montant des prestations à payer par les [1 organismes]1 d'allocations familiales est fixé (en négligeant les fractions de cent qui n'atteignent pas 0,5 cent. Les fractions de cent qui atteignent 0,5 cent ou plus sont comptées pour un cent.)
L'ajustement au (cent) supérieur ou inférieur s'opère sur le total à payer.
Art. 50quinquies. (Opgeheven)
Art. 50quinquies. (Abrogé)
Art. 50sexies. (opgeheven)
Art. 50sexies. (Abrogé)
Art. 50septies. Onverminderd de bestaande bijzondere regelingen voor sommige categorieën van [1 werknemers of zelfstandigen]1 mag over een bepaalde maand niet meer worden uitbetaald dan het bedrag van de maandelijkse bijslagen voorzien (in de artikelen 40 en 50bis, eventueel verhoogd met de bijslagen bedoeld in de (artikelen 41, 42bis), 44, (44bis, 44ter, 47 of 50ter).)
Art. 50septies. Sans préjudice des règles particulières existantes pour certaines catégories de [1 travailleurs salariés ou indépendants]1, il ne peut être payé, pour un mois déterminé, plus que le montant des allocations mensuelles prévues (aux articles 40 et 50bis, éventuellement majoré des suppléments vises aux (articles 41, 42bis), 44, (44bis, 44ter, 47 ou 50ter).)
SECTIE II. - [1 Personen die op kinderbijslag aanspraak kunnen maken en rechtgevende kinderen]1
SECTION 2_ (Des personnes qui peuvent prétendre les allocations familiales et des enfants bénéficiaires.)
Art. 51. § 1. Is rechthebbende op kinderbijslag tegen de bedragen, bepaald in artikel 40 :
1° de persoon die tewerkgesteld is in België door een werkgever bedoeld in de artikelen 1 tot 4;
2° de persoon die tewerkgesteld wordt in het buitenland door een werkgever, bedoeld in de artikelen 1 tot 4, maar die, met inachtneming van het bepaalde in internationale verdragen en verordeningen inzake sociale zekerheid, onderworpen blijft aan de Belgische sociale zekerheid of zijn functie uitoefent in dienst van het Rijk of van een openbare dienst, terwijl hij onder de toepassing blijft van de reglementering van de dienst die hem tewerkstelt;
3° de persoon die beschouwd wordt als zijnde tewerkgesteld krachtens artikel 53.
(4° de personen bedoeld in artikel 3, tweede lid.)
[1 5° de zelfstandige die onderworpen is aan het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 en die de bijdragen verschuldigd is beoogd in artikel 12, § 1, of § 1ter, van hetzelfde besluit;
6° de zelfstandige die de sociale bijdragen beoogd in artikel 12, § 2, of artikel 13, § 1, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 verschuldigd is, voor zover hij geen recht op gezinsbijslag kan openen krachtens een andere bepaling van deze wet.]1

§ 2. (Zijn bovendien rechthebbende op kinderbijslag tegen de bedragen en bijslagen vermeld in die bepalingen, [1 de in de artikelen 42bis, § 1, 4° en 5°, en § 3, derde lid, 55 tot 56bis en 56quater tot 57 bedoelde personen]1.)
§ 3. Iedere rechthebbende heeft recht op kinderbijslag voor :
1° zijn kinderen, de kinderen van zijn echtgenoot, de gemeenschappelijke kinderen van de echtgenoten;
2° de kinderen die door hem of zijn echtgenoot geadopteerd zijn of over wie hij of zijn echtgenoot pleegvoogd is. De rechthebbende heeft evenwel recht op kinderbijslag vanaf de datum waarop het kind vóór de adoptie of de opname onder pleegvoogdij werkelijk deel is beginnen uitmaken van zijn gezin en er is blijven deel van uitmaken;
3° (zijn van hetzelfde gezin deel uitmakende kleinkinderen, achterkleinkinderen, neven en nichten, die van zijn echtgenoot, van zijn gewezen echtgenoot of van een persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt, en ook die van een persoon met wie hij wettelijk samenwoont of samenwoonde als bedoeld in boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek en geen feitelijk gezin meer vormt. De rechthebbende opent dit recht eveneens voor zijn kleinkinderen en achterkleinkinderen, deze van zijn echtgenoot of deze van de persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt en wettelijk samenwoont als bedoeld in boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek, wanneer deze overeenkomstig artikel 70 in een instelling geplaatst zijn, op voorwaarde dat ze onmiddellijk voor de plaatsing deel uitmaakten van het gezin van deze rechthebbende, of wanneer hij diezelfde kleinkinderen en achterkleinkinderen uitsluitend of hoofdzakelijk op zijn kosten laat opvoeden in een inrichting voor onderwijs, opvoeding of verpleging of bij een particulier;)
4° (zijn broers en zusters die deel uitmaken van hetzelfde gezin. Er mag echter geen recht bestaan op kinderbijslag uit hoofde van een gezinslid dat deel uitmaakt van hetzelfde gezin bij toepassing van andere Belgische of buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens bepalingen van toepassing op het personeel van een volkenrechtelijke instelling, behalve indien de rechthebbende krachtens deze bepalingen een broer of zuster is;)
5° zijn broers en zusters die geen deel uitmaken van hetzelfde gezin, op voorwaarde dat zij niet op een andere grond rechtgevend zijn op kinderbijslag krachtens [1 deze wet]1; bovendien mag geen recht bestaan op kinderbijslag bij toepassing van andere Belgische of buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regelen van toepassing op het personeel van een volkenrechtelijke instelling;
voor de toepassing van de punten 4° en 5° worden de halfbroers en halfzusters met broers en zusters gelijk gesteld;
6° (a) de kinderen van een persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt, de kinderen die door deze persoon geadopteerd zijn of onder pleegvoogdij genomen, de kinderen van de gewezen echtgenoot, de kinderen die door de gewezen echtgenoot geadopteerd zijn of onder pleegvoogdij genomen, op voorwaarde dat deze kinderen deel uitmaken van het gezin. De rechthebbende opent dit recht eveneens voor de voormelde kinderen wanneer deze overeenkomstig artikel 70 in een instelling geplaatst zijn, op voorwaarde dat ze onmiddellijk voor de plaatsing deel uitmaakten van het gezin van deze rechthebbende;
b) de kinderen van de persoon met wie hij wettelijk samenwoont of samenwoonde als bedoeld in boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek en geen feitelijk gezin meer vormt, en ook de kinderen geadopteerd of onder pleegvoogdij genomen door een van de hiervoor bedoelde personen, op voorwaarde dat die kinderen deel uitmaken van zijn gezin. De rechthebbende opent dit recht eveneens voor de voormelde kinderen wanneer deze overeenkomstig artikel 70 in een instelling geplaatst zijn, op voorwaarde dat ze onmiddellijk voor de plaatsing deel uitmaakten van het gezin van deze rechthebbende;
c) de niet van zijn gezin deel uitmakende kinderen van de persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt en wettelijk samenwoont als bedoeld in boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek;
d) de niet van zijn gezin deel uitmakende kinderen die geadopteerd of onder pleegvoogd genomen zijn door de persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt en wettelijk samenwoont als bedoeld in boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek;)
7° de van het gezin deel uitmakende kinderen die hem zijn toevertrouwd, of die toevertrouwd zijn aan zijn echtgenoot of (een persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt), bij toepassing van een gerechtelijke beslissing betreffende de toekenning van de materiële bewaring of ingevolge een plaatsingsmaatregel door bemiddeling van of ten laste van een openbare overheid;
8° de van het gezin deel uitmakende kinderen, voor wie hijzelf, zijn echtgenoot of (een persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt) bekleed werd met het ouderlijk gezag door een vonnis van de jeugdrechtbank, bij toepassing van de artikelen 370bis en 370ter van het Burgerlijk Wetboek.
(Voor de toepassing van deze paragraaf kunnen personen die bloed- of aanverwanten zijn tot en met de derde graad geen feitelijk gezin vormen. Het samenwonen van personen die verklaren dat ze een feitelijk gezin vormen, vloeit voort uit de informatie bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, verkregen van dit Rijksregister, of uit andere officiële stukken die door de aanvrager worden overgelegd en waaruit de samenwoning blijkt, wanneer de hiervoor bedoelde informatie uit het Rijksregister ontbreekt of door die documenten ongeldig wordt verklaard. Die verklaring geldt tot bewijs van het tegendeel.)
§ 4. ([1 de bevoegde minister of de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid]1 die hij aanduidt, kan evenwel, in behartigenswaardige gevallen, bepalen dat een [1 werknemer of zelfstandige]1 recht heeft op kinderbijslag voor kinderen die deel uitmaken van zijn gezin of geplaatst zijn in een instelling bedoeld in artikel 70 en die niet vermeld zijn in paragraaf 3 of die niet de hierin bepaalde voorwaarden vervullen.
De [1 bevoegde minister]1 heeft dezelfde bevoegdheid inzake categorieën van behartigenswaardige gevallen. Hij dient dan wel vooraf het advies van het beheerscomité van [1 FAMIFED]1 in te winnen.)
Art. 51. § 1. Est attributaire des allocations familiales aux taux prévus à l'article 40 :
1° la personne occupée au travail en Belgique par un employeur visé aux articles 1 à 4;
2° la personne occupée au travail à l'étranger par un employeur visé aux articles 1 à 4, mais qui, compte tenu des dispositions des conventions et règlements internationaux en matière de sécurité sociale, reste assujetti à la sécurité sociale belge ou exerce sa fonction au service de l'Etat ou d'un service public tout en restant soumis à la réglementation du service qui l'occupe;
3° la personne considérée comme étant occupée au travail en vertu de l'article 53.
(4° les personnes visées à l'article 3, alinéa 2).
[1 5° le travailleur indépendant assujetti à l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 et redevable des cotisations visées à l'article 12, § 1er, ou § 1erter, du même arrêté;
6° le travailleur indépendant redevable de cotisations sociales visées à l'article 12, § 2, ou l'article 13, § 1er, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967, pour autant qu'il ne puisse ouvrir un droit aux allocations familiales, en vertu d'une autre disposition de la présente loi.]1

§ 2. (Sont, en outre, attributaires des allocations familiales aux taux et suppléments prévus par ces dispositions, [1 les personnes visées aux articles 42bis, § 1er, 4° et 5°, et § 3, alinéa 3, 55 à 56bis et 56quater à 57]1.)
§ 3. Chaque attributaire a droit aux allocations familiales pour :
1° ses enfants, les enfants de son conjoint, les enfants communs des époux;
2° les enfants qui sont adoptés par lui-même ou son conjoint ou dont il ou son conjoint est tuteur officieux. L'attributaire a cependant droit aux allocations familiales à partir de la date à laquelle l'enfant a commencé à faire partie de son ménage et a continué à en faire partie avant l'adoption ou la prise sous tutelle officieuse;
3° (à condition qu'ils fassent partie de son ménage, ses petits-enfants, arrière-petits-enfants, neveux et nièces, ceux de son conjoint, ex-conjoint ou d'une personne avec laquelle il forme un ménage de fait, ainsi que ceux d'une personne avec laquelle il cohabite ou cohabitait légalement au sens des dispositions du livre III, titre Vbis, du Code civil et ne forme plus un ménage de fait. L'attributaire ouvre également ce droit en faveur de ses petits-enfants et arrière petits-enfants, ceux de son conjoint ou ceux de la personne avec laquelle il forme un ménage de fait et cohabite légalement au sens des dispositions du livre III, titre Vbis, du Code civil, lorsque ceux-ci sont placés dans une institution conformément à l'article 70, à condition qu'ils aient fait partie du ménage de cet attributaire immédiatement avant le placement, ou lorsqu'il fait élever, exclusivement ou principalement à ses frais, ces mêmes petits-enfants et arrière petits-enfants dans une institution d'enseignement, d'éducation ou d'hospitalisation ou chez un particulier;)
4° (ses frères et soeurs faisant partie du même ménage. Toutefois, il ne peut exister un droit aux allocations familiales du chef d'un membre de la famille faisant partie du même ménage en application d'autres dispositions légales ou réglementaires belges ou étrangères ou en vertu de dispositions applicables au personnel d'une institution de droit international public, sauf si l'attributaire suivant ces dispositions est un frère ou une soeur;)
5° ses frères et soeurs ne faisant pas partie du même ménage à condition qu'ils ne soient pas encore bénéficiaires d'allocations familiales à un autre titre en vertu [1 de la présente loi]1; en outre, il ne peut exister un droit aux allocations familiales en application d'autres dispositions légales ou réglementaires belges ou étrangères ou en vertu de règles d'application au personnel d'une institution de droit international public;
pour l'application des points 4° et 5°, sont assimilés aux frères et soeurs, les demi-frères et les demi-soeurs;
6° (a) les enfants d'une personne avec laquelle il forme un ménage de fait, les enfants adoptés ou pris sous tutelle officieuse par cette personne, les enfants de l'ex-conjoint, les enfants adoptés ou pris sous tutelle officieuse par l'ex-conjoint, à la condition que ces enfants fassent partie du ménage. L'attributaire ouvre également ce droit en faveur des enfants précités lorsque ceux-ci sont placés dans une institution conformément à l'article 70, à condition qu'ils aient fait partie du ménage de cet attributaire immédiatement avant le placement;
b) les enfants de la personne avec laquelle il cohabite ou cohabitait légalement au sens des dispositions du livre III, titre Vbis, du Code civil et ne forme plus un ménage de fait, ainsi que les enfants adoptés ou pris sous tutelle officieuse par une telle personne, à la condition que ces enfants fassent partie de son ménage. L'attributaire ouvre également ce droit en faveur des enfants précités lorsque ceux-ci sont placés dans une institution conformément à l'article 70, à condition qu'ils aient fait partie du ménage de cet attributaire immédiatement avant le placement;
c) les enfants de la personne avec laquelle il forme un ménage de fait et cohabite légalement au sens des dispositions du livre III, titre Vbis, du Code civil, qui ne font pas partie de son ménage;
d) les enfants adoptés ou pris sous tutelle officieuse par la personne avec laquelle il forme un ménage de fait et cohabite légalement au sens des dispositions du livre III, titre Vbis, du Code civil, qui ne font pas partie de son ménage;)
7° les enfants faisant partie du ménage qui sont confiés à lui-même, à son conjoint ou à (une personne avec laquelle il forme un ménage de fait), en application d'une décision juridictionnelle relative à l'attribution de la garde matérielle ou d'une mesure de placement par l'intermédiaire ou à charge d'une autorité publique;
8° les enfants faisant partie du ménage, pour lesquels lui-même, son conjoint ou (une personne avec laquelle il forme un ménage de fait), a été investi de l'autorité parentale par jugement du tribunal de la jeunesse en application des articles 370bis et 370ter du Code civil.
(Pour l'application du présent paragraphe, des personnes parentes ou alliées jusqu'au 3e degré inclusivement, ne peuvent former un ménage de fait. La cohabitation de personnes déclarant former un ménage de fait est établie par l'information visée à l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, obtenue auprès dudit Registre, ou par d'autres documents officiels attestant de la cohabitation, produits par le demandeur, lorsque l'information susvisée du Registre fait défaut ou est invalidée par ces documents. Cette déclaration vaut jusqu'à preuve du contraire.)
§ 4. (Le[1 ministre compétent ou le fonctionnaire du Service public fédéral Sécurité sociale]1 qu'il désigne peut, dans des cas dignes d'intérêt, déterminer qu'un [1 travailleur salarié ou indépendant]1 a droit aux allocations familiales en faveur d'enfants qui font partie de son ménage ou qui sont placés dans une institution visée à l'article 70 et qui ne sont pas mentionnés au paragraphe 3 ou qui ne remplissent pas les conditions qui y sont prévues.
Le [1 ministre compétent]1 à la même compétence en ce qui concerne des catégories de cas dignes d'intérêt. Il demande dans ce cas au préalable l'avis du comité de gestion de [1 FAMIFED]1.)
Art. 52. (De kinderbijslag is niet verschuldigd ten behoeve van de kinderen die worden opgevoed of lessen volgen buiten het Koninkrijk.)
(De [1 bevoegde minister of de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid]1 die hij aanduidt, kan evenwel in behartigenswaardige gevallen een vrijstelling verlenen van de in het vorige lid bepaalde voorwaarden. (Als hij van die mogelijkheid gebruik maakt, bepaalt de minister of de aangewezen ambtenaar het bedrag van de kinderbijslag.))
(De [1 bevoegde minister]1 heeft dezelfde bevoegdheid inzake categorieën van behartigenswaardige gevallen. Hij dient dan wel vooraf het advies van het beheerscomité van [1 FAMIFED]1 in te winnen.)
(lid 3 opgeheven)
(lid opgeheven)
Art. 52. (Les allocations familiales ne sont pas dues en faveur des enfants qui sont élevés ou suivent des cours hors du Royaume.)
(Le [1 ministre compétent ou le fonctionnaire du Service public fédéral Sécurité sociale]1 qu'il désigne peut toutefois dans des cas dignes d'intérêt accorder dispense des conditions prévues à l'alinéa précédent. (Lorsqu'il use de cette faculté, le ministre ou le fonctionnaire désigné fixe le montant mensuel des allocations familiales dues.))
(Le [1 ministre compétent]1 à la même compétence en ce qui concerne des catégories de cas dignes d'intérêt. Il demande dans ce cas, l'avis préalable du comité de gestion de [1 FAMIFED]1.)
(alinéa 3 abrogé)
(Al. abrogé)
Art. 53. (§ 1. [2 Voor de toepassing van deze wet]2 wordt de werknemer, indien het nodig is, beschouwd als zijnde tewerkgesteld, gedurende :
1° de inhaalrust;
2° de wettelijke vakantie, de vakantie krachtens algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst en de bijkomende vakantie;
3° de feestdagen en vervangingsdagen;
4° de periodes voor het vervullen van militieverplichtingen omdat hij :
a) gevolg geeft aan een normale oproeping of wederoproeping onder de wapens; de Koning bepaalt op de voordracht van de Ministers van Binnenlandse Zaken en Landsverdediging en van de Minister die de Sociale Voorzorg in zijn bevoegdheid heeft, welke de normale oproepingen en wederoproepingen zijn;
b) onder de wapens wordt gehouden bij toepassing van artikel 71 van de dienstplichtwetten;
c) gevolg geeft aan een wederoproeping onder de wapens bij wijze van tuchtmaatregel;
d) gevolg geeft aan een aanwijzing voor een interventie-eenheid van de civiele bescherming of voor taken van openbaar nut bij publiekrechtelijke of privaatrechtelijke organen of aan een disciplinaire wederoproeping, bij toepassing van de wetten houdende het statuut van de gewetensbezwaarden, gecoördineerd op 20 februari 1980;
e) in dienst wordt gehouden bij toepassing van de tuchtregeling betreffende de gewetensbezwaarden die bij de civiele bescherming zijn ingedeeld of bij publiekrechtelijke of privaatrechtelijke organen zijn aangewezen;
5° de periodes in de loop waarvan geen arbeidsprestatie is geleverd wegens staking of lock-out en de dagen zonder behoud van loon gedurende welke geen arbeidsprestatie is geleverd voor het vervullen van burgerplichten of syndicale opdrachten;
6° de periodes van werkloosheid waarvoor geen aanspraak op werkloosheidsuitkering bestaat omdat hij gerechtigd is op een vergoeding wegens beëindiging of verbreking van de arbeidsovereenkomst;
7° de periodes waarvoor de werknemer wegens arbeidsongeschiktheid,
a) recht heeft op gewaarborgd dagloon, gewaarborgd loon eerste of tweede week of gewaarborgd maandloon;
b) afwezig was zonder loon ingevolge de carensdag;
c) met aanvulling of aanvulling-voorschot overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 12bis of nr. 13bis;
8° de periodes van tijdelijke werkloosheid ingevolge sluiting van de onderneming wegens jaarlijkse vakantie, vakantie krachtens een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst of wegens inhaalrust in het kader van een arbeidsduurvermindering;
9° de periodes in de loop waarvan hij de functie van rechter in sociale zaken heeft uitgeoefend;
10° de dagen in de loop waarvan hij een geneeskundig onderzoek ondergaat, hem opgelegd door of krachtens de sociale wetgeving of door een gerechtelijke beslissing;
11° de periodes waarvoor hij recht heeft op schadeloosstelling met toepassing van artikel 37 van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970;
12° de periodes waarvoor hij op een wachtvergoeding gerechtigd is, toegekend aan de mijnwerkers die ontslagen zijn wegens sluiting van de onderneming, ten laste van de begroting van het Ministerie van Economische Zaken;
13° de niet-bezoldigde gewettigde afwezigheidsdagen omwille van verlof om dwingende redenen of zij nu ineens dan wel met gedeelten worden toegekend. De gelijkstelling blijft evenwel beperkt tot maximaal tien dagen per jaar, of zij nu ineens dan wel met gedeelten worden toegekend.)
(14° het vaderschapsverlof bedoeld in de arbeidswet van 16 maart 1971;
15° het vaderschapsverlof bedoeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en in de wet van 1 april 1936 op de arbeidsovereenkomsten wegens dienst op binnenschepen;
16° het adoptieverlof.)
[1 17° de dagen waarvoor de werknemer die is aangesteld als pleegouder het recht heeft om van het werk afwezig te zijn overeenkomstig artikel 30quater, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.]1
§ 2. De persoon die rechthebbende is [2 krachtens deze wet]2 op het ogenblik dat hij de periode, bedoeld in § 1, 4°, aanvangt, blijft gerechtigd op kinderbijslag [2 krachtens deze wet]2.
[2 § 2/1. Voor de toepassing van deze wet wordt de zelfstandige die, in het raam van zijn militieverplichtingen, zich bevindt in een van de toestanden bedoeld in artikel 31, § 1, van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, beschouwd als een zelfstandige die een zelfstandige activiteit uitoefent.
Het voordeel van deze paragraaf kan slechts worden ingeroepen indien de belanghebbende de hoedanigheid van rechthebbende bezat gedurende het kwartaal in de loop waarvan de in het voornoemd artikel 31 bedoelde periodes aanvingen, of gedurende het voorafgaand kwartaal.]2

§ 3. De Koning kan de in § 1 vermelde gegeven opsomming aanvullen.
(NOTA : Het artikel 53, § 1 werd gewijzigd door artikel 1 van KB 2003-01-21/33 met inwerkingtreding op 01-07-2002; voor de gewijzigde versie, zie versie 059 van archiefverwerking)
Art. 53. (§ 1er. [2 Pour l'application de la présente loi]2, le [2 travailleur salarié]2 est considéré, s'il y a lieu, comme étant au travail durant:
1° le repos compensatoire;
2° les vacances légales, les vacances en vertu d'une convention collective de travail rendue obligatoire et les vacances complémentaires;
3° les jours fériés et les jours de remplacement;
4° les périodes d'accomplissement d'obligations de milice, parce qu'il
a) répond à un appel normal ou un rappel normal sous les armes; le Roi détermine, sur la proposition des Ministres de l'Intérieur et de la Défense nationale et du Ministre qui a la Prévoyance sociale dans ses attributions, quels sont les appels et rappels normaux;
b) est maintenu sous les armes en application de l'article 71 des lois sur la milice;
c) répond à un rappel sous les armes par mesure disciplinaire;
d) répond à une affectation à une unité d'intervention de la protection civile ou à des tâches d'utilité publique au sein d'organismes de droit public ou privé ou à un rappel par mesure disciplinaire en application des lois portant le statut des objecteurs de conscience, coordonnées le 20 février 1980;
e) est maintenu en service en application du régime disciplinaire relatif aux objecteurs de conscience affectés à la protection civile ou à des organismes de droit public ou de droit privé;
5° les périodes au cours desquelles aucune prestation de travail n'a été fournie en raison de grève ou de lock-out et les jours sans maintien de la rémunération au cours desquelles aucune prestation de travail n'a été fournie pour des motifs d'obligations civiques ou missions syndicales;
6° les périodes de chômage qui ne donnent pas droit aux allocations de chômage, parce qu'il bénéficie d'une indemnité pour cause de cessation ou de rupture du contrat de travail;
7° les périodes pour lesquelles le [2 travailleur salarié]2, en raison de son incapacité de travail,
a) a droit à la rémunération journalière garantie, la rémunération garantie première ou deuxième semaine ou à la rémunération mensuelle garantie;
b) était absent sans salaire par suite du jour de carence;
c) avec complément ou avance de complément conformément à la convention collective de travail n° 12bis ou n° 13bis;
8° les périodes de chômage temporaire suite à la fermeture de l'entreprise en raison de vacances annuelles, vacances en vertu d'une convention collective de travail rendue obligatoire ou en raison du repos compensatoire dans le cadre d'une réduction de la durée de travail;
9° les périodes au cours desquelles il a exercé des fonctions de juge social;
10° les jours au cours desquels il doit se soumettre à un examen médical impose par ou en vertu de la législation sociale ou par une décision judiciaire;
11° les périodes pour lesquelles il a droit à réparation en application de l'article 37 des lois relatives à la réparation des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970;
12° les périodes pour lesquelles il bénéficie d'une allocation d'attente allouée aux ouvriers mineurs licenciés pour fermeture d'entreprise, à charge du budget du Ministère des Affaires économiques;
13° les jours d'absence non rémunérés autorisés pour des raisons impérieuses, qu'ils soient accordés en une ou plusieurs fois. L'assimilation est toutefois limitée à dix jours par an au maximum, qu'ils soient accordés en une ou plusieurs fois.)
(14° le congé de paternité visé par la loi du 16 mars 1971 sur le travail;
15° le congé de paternité visé par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et par la loi du 1er avril 1936 sur les contrats d'engagement pour le service des bâtiments de navigation intérieure;
16° le congé d'adoption.)
[1 17° les jours durant lesquels le [2 travailleur salarié]2 qui a été désigné comme parent d'accueil a le droit de s'absenter du travail conformément à l'article 30quater, § 1er, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.]1
§ 2. La personne qui est attributaire [2 en vertu de la présente loi]2 au moment où elle entame la période visée au § 1er, 4°, continue à ouvrir le droit aux allocations familiales [2 en vertu de la présente loi]2.
[2 § 2/1. Pour l'application de la présente loi, est considéré comme exerçant une activité indépendante le travailleur indépendant qui, dans le cadre de ses obligations de milice, se trouve dans une des situations visées à l'article 31, § 1er, de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants.
Le bénéfice du présent paragraphe ne peut être invoqué que si l'intéressé avait la qualité d'attributaire pendant le trimestre au cours duquel se situe le début des périodes visées à l'article 31 précité, ou pendant le trimestre précédent.]2

§ 3. Le Roi peut compléter l'énumération faite au § 1er.
(NOTE : L'article 53, § 1 a été modifié par l'article 1 de l'AR 2003-01-21/33 avec entrée en vigueur au 01-07-2002; pour la version modifiée voir archivage version 049)
Art. 53bis. (opgeheven)
Art. 53bis. (abrogé)
Art. 53ter. (opgeheven)
Art. 53ter. (abrogé)
Art. 54. § 1. Wanneer een rechthebbende, bedoeld in artikel 51, § 1 of § 2, de voorwaarden vervult om het recht op kinderbijslag te openen tegen de bedragen van artikel 40 in de loop van een trimester, opent hij dit recht voor het resterende deel van dit trimester, evenals voor het trimester dat volgt.
§ 2. De rechthebbenden, bedoeld in artikel 51, § 1 of § 2, blijven het recht op kinderbijslag openen tegen de bedragen van artikel 40 voor een trimester, op voorwaarde dat ze de hoedanigheid van rechthebbende hebben gedurende de tweede maand van het trimester dat voorafgaat aan dat in de loop waarvan de kinderbijslag gevraagd wordt.
§ 3. (Onverminderd de bepalingen van artikel 48, opent de rechthebbende bedoeld in artikel 51, § 2, die in de loop van een trimester voldoet aan de voorwaarden om recht te openen op de (bijslagen, bedoeld in de artikelen 41, 42bis en 50ter), dit recht voor het resterende deel van dit trimester alsook voor het trimester dat volgt.
§ 4. De rechthebbende, bedoeld in artikel 51, § 2, blijft het recht op de (bijslagen bedoeld in de artikelen 41, 42bis en 50ter), openen voor een trimester, op voorwaarde dat hij aan het geheel van de wettelijke en reglementaire voorwaarden voor de toekenning van deze bijslagen voldoet gedurende de tweede maand van het trimester dat voorafgaat aan dat waarvoor de kinderbijslag wordt gevraagd.
§ 5. Onverminderd de bepalingen van artikel 48 openen de rechthebbenden, bedoeld in artikel 51, § 2, het recht op de bedragen bepaald in artikel 50bis voor een maand, voorzover zij in de loop van de betrokken maand de voorwaarden vervullen die vereist zijn door [1 deze wet]1.
Onverminderd artikel 48, genieten de kinderen, bedoeld in de artikelen 44, 44bis en 47, de bijslagen bij de kinderbijslag, die bepaald zijn voor een maand, voor zover ze de vereiste voorwaarden vervullen in de loop van de betrokken maand.)
Art. 54. § 1. Lorsqu'un attributaire visé à l'article 51, § 1er ou § 2, remplit les conditions d'ouverture du droit aux allocations familiales aux taux de l'article 40 au cours d'un trimestre, il ouvre ce droit pour la fin du trimestre en cours, ainsi que pour le trimestre suivant.
§ 2. Les attributaires visés à l'article 51, § 1er ou § 2 continuent à ouvrir le droit aux allocations familiales aux taux de l'article 40 pour un trimestre, à la condition qu'ils aient la qualité d'attributaire pendant le deuxième mois du trimestre précédant celui au cours duquel les allocations familiales sont demandées.
§ 3. (Sans préjudice de l'article 48, lorsqu'un attributaire visé à l'article 51, § 2, remplit les conditions d'ouverture du droit aux (suppléments prévus aux articles 41, 42bis et 50ter) au cours d'un trimestre, il ouvre ce droit pour la fin du trimestre en cours, ainsi que pour le trimestre suivant.
§ 4. L'Attributaire visé à l'article 51, § 2, continue à ouvrir le droit aux (suppléments prévus aux articles 41, 42bis et 50ter) pour un trimestre, à la condition qu'il satisfasse à l'ensemble des conditions légales et réglementaires fixées pour l'octroi de ces suppléments au cours du deuxième mois du trimestre précèdent celui pour lequel les allocations familiales sont demandées.
§ 5. Sans préjudice de l'article 48, les attributaires visés à l'article 51, § 2, ouvrent le droit au taux prévu à L'article 50bis pour un mois, pour autant qu'ils remplissent les conditions prévues par [1 la présente loi]1 au cours du mois concerné.
Sans préjudice de l'article 48, les enfants visés aux articles 44, 44bis et 47 bénéficient des suppléments d'allocations familiales qui y sont prévus, pour un mois, pour autant qu'ils remplissent les conditions requises au cours du mois concerné.)
Art. 55. (De echtgenoot of echtgenote die verlaten wordt door zijn vrouw of door haar man en die, tengevolge van die verlating, geen recht meer heeft op kinderbijslag behoudt niettemin dit recht voor :
a) de kinderen die hij of zij opvoedt en die deel uitmaken van het gezin op het ogenblik van de verlating;
b) de gemeenschappelijke kinderen die hij of zij opvoedt en die werden geboren binnen de zes maand na de verlating.
Het recht op kinderbijslag wordt toegekend vanaf de verlating tot dat het jongste kind dat deel uitmaakt van het gezin op het ogenblik van de verlating of binnen de zes maand daarna geboren wordt, de leeftijd van drie jaar heeft bereikt en minstens voor een periode van twaalf maanden.
Het genot van deze bepalingen is ondergeschikt aan de aangifte van de verlating door de verlaten echtgenoot of echtgenote (bij de vrederechter van zijn of haar hoofdverblijfplaats in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen) of van de neerlegging van een klacht bij de brigadebevelhebber van de rijkswacht of de politiecommissaris van zijn of haar woonplaats, binnen de drie maand na de verlating.
De man die zijn echtgenote of de vrouw die haar echtgenoot verlaat moet, in de loop van de twaalf maanden die het tijdstip van de verlating onmiddellijk voorafgaan, de voorwaarden vervuld hebben om aanspraak te maken op ten minste zes maandelijkse forfaitaire bijslagen, krachtens deze [1 wet]1, (...) (...).
(lid 5 opgeheven)
Voor de toepassing van dit artikel wordt een echtgenoot of echtgenote niet als verlaten aangezien, indien zijn vrouw of haar man van de vrijheid is beroofd krachtens een veroordeling, een maatregel van voorlopige hechtenis of een beslissing genomen bij toepassing van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers (...).
De bij dit artikel bedoelde bijslag wordt slechts toegekend in zoverre er geen ander recht bestaat [1 krachtens deze wet]1.
Art. 55. L'époux ou l'épouse qui est abandonné(e) par son conjoint et qui, du fait de cet abandon n'a plus droit aux allocations familiales, garde tout de même ce droit au bénéfice :
a) des enfants qu'il ou qu'elle élève et qui font partie du ménage au moment de l'abandon;
b) des enfants communs qu'il ou qu'elle élève et qui sont nés dans les six mois de l'abandon.
Le droit aux allocations familiales est attribué à partir de l'abandon, jusqu'à ce que le plus jeune des enfants faisant partie du ménage au moment de l'abandon ou nés dans les six mois de l'abandon, ait atteint l'âge de trois ans et au minimum pour une période de douze mois.
Le bénéfice des présentes dispositions est subordonné à la déclaration d'abandon faite par l'époux abandonné ou par l'épouse abandonnée auprès (du juge de paix de sa résidence principale au sens de l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques) ou au dépôt d'une plainte auprès du commandant de brigade de gendarmerie ou du commissaire de police de son domicile dans les trois mois qui suivent l'abandon.
Le conjoint ayant abandonné son époux ou son épouse doit avoir satisfait aux conditions pour prétendre à au moins six allocations forfaitaires mensuelles, en vertu [1 de la présente loi]1, (...) (...), au cours des douze mois précédant immédiatement la date de l'abandon.
(alinéa 5 abrogé)
Pour l'application du présent article l'époux ou l'épouse n'est pas considéré(e) comme abandonné(e) lorsque son conjoint est privé de sa liberté en vertu d'une condamnation, d'une mesure de détention préventive ou d'une décision prise en application de la loi du 1er juillet 1964 de défense sociale à l'égard des anormaux et des délinquants d'habitude (...).
Les allocations prévues par le présent article ne sont octroyées que pour autant qu'aucun autre droit ne soit ouvert [1 en vertu de la présente loi]1.
Art. 56. § 1. Kinderbijslag tegen de (bij artikel 40) bepaalde bedragen wordt verworven door :
1° (de zieke of door ongeval getroffen werknemer die een in de wetgeving betreffende de ziekte- en invaliditeitsverzekering bepaalde uitkering wegens arbeidsongeschiktheid geniet, tijdens de eerste zes maanden van het tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid, of (de werkneemster gedurende het tijdvak van moederschapsbescherming) die een moederschapsuitkering geniet; deze bepaling is eveneens toepasselijk als die uitkering wordt toegekend krachtens (artikel 136, § 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;) )
2° de werknemer die wegens een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 pct. een uitkering geniet bepaald in de wetgeving betreffende de arbeidsongevallen of in die betreffende de beroepsziekten;
3° (de niet onder 1° of 2° bedoelde zieke werknemer die tenminste 66 % arbeidsongeschikt is en (de werkneemster gedurende het tijdvak van moederschapsbescherming) die geen moedersschapsuitkering geniet, en die in de loop van de twaalf maanden die het tijdstip van de arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 % (of het tijdvak van moederschapsbescherming) onmiddellijk voorafgaan, de voorwaarden hebben vervuld om aanspraak te maken op tenminste zes maandelijkse forfaitaire bijslagen krachtens deze [1 wet]1;)
4° (de niet onder 1° of 2° bedoelde door een ongeval getroffen werknemer die ten minste 66 pct. arbeidsongeschikt is;)
[1 5° de zelfstandige die, krachtens het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten, erkend is zich in staat van arbeidsongeschiktheid te bevinden;
6° de zelfstandige die niet de voorwaarden vervult die verband houden met de hoedanigheid van gerechtigde bepaald in de afdeling 1 van hoofdstuk III van het voormeld koninklijk besluit van 20 juli 1971 :
a) indien hij arbeidsongeschikt is ten gevolge van een ongeval mits hij aan de voorwaarden om rechthebbende te zijn voldeed op het ogenblik van dat ongeval;
b) indien hij arbeidsongeschikt is wegens ziekte, mits hij heeft voldaan aan de voorwaarden om rechthebbende te zijn gedurende tenminste zes van de twaalf maanden die voorafgaan aan dat in de loop waarvan hij arbeidsongeschikt is geworden;
7° de in artikel 51, § 1, bedoeld zelfstandige die, krachtens de wetgeving betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, een uitkering geniet op basis van een bestendige arbeidsongeschiktheid van ten minste 65 % of van wie het verdienvermogen verminderd is tot één derde of minder van wat een valide kan verdienen, of die behoort tot categorie II, III of IV, wat betreft de graad van zelfredzaamheid overeenkomstig diezelfde wetgeving.]1

[1 De in het eerste lid, 6°, a) en b), bedoelde ongeschiktheid wordt gewaardeerd overeenkomstig de voorschriften van de artikelen 19 tot 25 van het voormeld koninklijk besluit van 20 juli 1971. Zij kan niet meer erkend worden indien zij ten vroegste aanvangt, hetzij op de dag waarop de rechthebbende de pensioenleeftijd bereikt, hetzij op de dag waarop een vervroegd rustpensioen werkelijk is ingegaan krachtens het pensioenstelsel voor zelfstandigen of dit voor werknemers.]1
(De rechthebbende, bedoeld in [1 het eerste lid]1, die voldoet aan de voorwaarden van zes maanden volledige werkloosheid, in de zin van artikel 42bis, kan echter de bijslagen genieten, bedoeld in dit artikel, onder de erin bepaalde voorwaarden.)
§ 2. Kinderbijslag (tegen de bij artikel 50ter bepaalde bedragen) wordt verworven door :
1° (de zieke of door ongeval getroffen werknemer of (de werkneemster gedurende het tijdvak van moederschapsbescherming) :
a) die een in de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, bepaalde uitkering wegens arbeidsongeschiktheid of moederschap geniet vanaf de zevende maand van het tijdvak bestaande uit primaire ongeschiktheid en eventueel (moederschapsbescherming) of gedurende het tijdvak bestaande uit invaliditeit en eventueel (moederschapsbescherming); deze bepaling is eveneens toepasselijk indien deze uitkering wordt toegekend krachtens artikel 136, § 2, van dezelfde wet;)
b) (die een invaliditeitspensioen geniet krachtens het koninklijk besluit van 19 november 1970 betreffende het invaliditeitspensioenstelsel voor de mijnwerkers;
c) die alle toekenningsvoorwaarden van het onder b) bedoelde pensioen vervult doch dit pensioen niet geniet bij toepassing van artikel 23, § 3, van het koninklijk besluit van 19 november 1970 betreffende het invaliditeitspensioenstelsel voor de mijnwerkers of van artikel 80 van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoordineerd op 3 juni 1970.)
2° (de in § 1, 2°, 3° en 4° bedoelde werknemer of werkneemster, vanaf de zevende maand van het tijdvak bestaande uit arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 pct. en eventueel (moederschapsbescherming);)
3° (de niet onder 1° of 2° bedoelde werknemer wiens verdienvermogen verminderd is tot één derde of minder van wat een valide werknemer kan verdienen of die getroffen is door een vermindering van zelfredzaamheid van minstens 9 punten overeenkomstig de wetgeving betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten en die onmiddellijk vóór zijn tewerkstelling kinderbijslag verwierf bij toepassing van artikel 56quinquies, de minder-valide bedoeld in artikel 56quinquies, § 1, tweede lid, dient ten minste 65 pct. arbeidsongeschikt te zijn.)
4° (De niet onder 1°, 2° of 3° bedoelde werknemer, die ten minste 66 pct. arbeidsongeschikt was vooraleer hij werkelijk een beroepsbedrijvigheid begon uit te oefenen, indien hij in de loop van een periode van twaalf maanden de voorwaarden heeft vervuld om aanspraak te maken op tenminste zes maandelijkse forfaitaire bijslagen krachtens deze [1 wet]1, (...) (...).)
[1 5° de in § 1, eerste lid, 5°, 6° en 7°, bedoelde zelfstandige, vanaf de zevende maand arbeidsongeschiktheid. De termijn van zes maand is niet vereist voor de in § 1, eerste lid, 7°, bedoelde zelfstandige die reeds de inkomensvervangende tegemoetkoming of integratietegemoetkoming geniet krachtens de wetgeving met betrekking tot de tegemoetkomingen aan personen met een handicap op het ogenblik waarop hij de hoedanigheid van rechthebbende verkrijgt krachtens artikel 51, § 1, 5°.]1
[1 De onderbrekingen die zijn toegelaten bij de artikelen 8, 9 en 10 van het voormeld koninklijk besluit van 20 juli 1971 worden geacht de termijn bepaald in § 2, eerste lid, 5°, niet te onderbreken.
De rechthebbende die de in § 2, eerste lid, 5°, bedoelde voorwaarden vervult, doet het daarin bepaalde recht verder bestaan tijdens de in het tweede lid bedoelde periodes van onderbreking.]1

((De werknemer [1 of de zelfstandige]1 bedoeld in deze paragraaf moet de hoedanigheid hebben van rechthebbende met personen ten laste aan de voorwaarden bepaald door de Koning.
De Koning bepaalt de modaliteiten op basis waarvan een rechthebbende die niet langer getroffen is door een arbeidsongeschiktheid bedoeld in onderhavig artikel en die een activiteit uitoefent als bepaald in artikel 1, 5°, van het koninklijk besluit van 25 april 1997 tot uitvoering van artikel 71, § 1bis, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, het recht op de in artikel 50ter bepaalde toeslag behoudt.)
De werknemer die niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in (het [1 vierde]1 lid), verwerft kinderbijslag tegen de (bij artikel 40) bedoelde bedragen.)
De in deze paragraaf bedoelde werknemers mogen een winstgevende beroepsbezigheid uitoefenen, tenzij de wet of het reglement op grond waarvan hun arbeidsongeschiktheid erkend wordt, zulks verbiedt.
[1 § 2/1. De gezinsbijslag wordt toegekend uit hoofde van de rechthebbende beoogd in § 1, 6°, a) en b), na medische vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid, van de begindatum en van de duur ervan.
Te dien einde legt de bevoegde instelling aan de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, een aanvraag tot vaststelling van de arbeidsongeschiktheid voor.
Wanneer een nieuw element dat rechtvaardigt, kan een herziening van de medische beslissing worden aangevraagd, hetzij door de bijslagtrekkende of door de rechthebbende op voorlegging van een geneeskundig getuigschrift, hetzij door de bevoegde instelling.
Indien aan de vereiste voorwaarden niet is voldaan, betekent de bevoegde instelling aan de bijslagtrekkende, en aan de rechthebbende, indien ze niet dezelfde hoofdverblijfplaats hebben, haar ongunstige beslissing bij ter post aangetekend schrijven.]1

§ 3. (Voor de toepassing van de §§ 1 en 2, wordt het voortijdig pensioen wegens gezondheidsredenen beschouwd als een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 %.) (NOTA : Opgeheven door W 1989-12-22/31, art. 70, en hersteld door )
§ 4. (opgeheven)
Art. 56. § 1. Sont attributaires des allocations familiales aux taux prévus (à l'article 40) :
1° (le [1 travailleur salarié]1 malade ou victime d'un accident qui bénéficie d'une indemnité d'incapacité de travail prévue par la législation concernant l'assurance contre la maladie et l'invalidité, au cours des six premiers mois de la période d'incapacité primaire, ou (la [1 travailleuse salariée]1 durant la période de protection de la maternité) qui bénéficie d'une indemnité de maternité; cette disposition est également applicable lorsque cette indemnité est octroyée en vertu (de l'article 136, § 2, de la loi relative à l'assurance soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994;) )
2° le [1 travailleur salarié]1 qui, atteint d'une incapacité de travail de 66 p.c. au moins, bénéficie d'une indemnité prévue par la législation relative aux accidents du travail ou par celle relative aux maladies professionnelles;
3° (le [1 travailleur salarié]1 malade non visé sous le 1° ou le 2°, atteint d'une incapacité de travail de 66 % au moins et (la [1 travailleuse salariée]1 durant la période de protection de la maternité) qui ne bénéficie pas d'une indemnité de maternité, et qui au cours des douze mois précédant immédiatement l'incapacité de travail de 66 % au moins (ou la période de protection de la maternité), ont satisfait aux conditions pour prétendre à au moins six allocations forfaitaires mensuelles, en vertu [1 de la présente loi]1;)
4° (le [1 travailleur salarié]1 non visé sous le 1° ou le 2° qui, victime d'un accident, est atteint d'une incapacité de travail de 66 p.c. au moins.)
[1 5° le travailleur indépendant qui est reconnu se trouver en état d'incapacité de travail conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant une assurance indemnités et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidants;
6° le travailleur indépendant qui ne remplit pas les conditions se rapportant à la qualité de titulaire prévues à la section 1re du chapitre III de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 précité :
a) s'il est atteint d'une incapacité de travail consécutive à un accident, pour autant qu'il remplisse les conditions pour être attributaire au moment de cet accident;
b) s'il est atteint d'une incapacité de travail consécutive à une maladie, pour autant qu'il ait satisfait aux conditions pour prétendre à au moins six allocations forfaitaires mensuelles au cours d'une période de douze mois précédent celui au cours duquel il est atteint de l'incapacité;
7° le travailleur indépendant visé à l'article 51, § 1er, qui, en vertu de la législation relative aux allocations aux personnes handicapées, bénéficie d'une allocation calculée sur la base d'une incapacité permanente de travail de 65 % au moins ou dont la capacité de gain est réduite à un tiers au moins de ce qu'une personne valide est en mesure de gagner ou qui relève de la catégorie II, III ou IV, en ce qui concerne le degré d'autonomie, conformément à cette même législation.]1

[1 L'incapacité visée à l' alinéa 1er, 6°, a) et b), est appréciée conformément aux règles des articles 19 à 25 de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 précité. Elle ne peut plus être reconnue si elle prend cours au plus tôt, soit le jour où l'attributaire atteint l'âge de la pension, soit le jour de prise de cours effective d'une pension de retraite anticipée en vertu du régime de pension des travailleurs indépendants ou de celui des travailleurs salariés.]1
(L'attributaire visé à l'[1 l'alinéa 1er]1 qui remplit la condition de six mois de chômage complet, au sens de l'article 42bis, peut toutefois bénéficier des suppléments visés à cet article, aux conditions qui y sont prévues.)
§ 2. Sont attributaires des allocations familiales (aux taux prévus à l'article 40, majorés des suppléments prévus à l'article 50ter) :
1° (le [1 travailleur salarié]1 malade ou victime d'un accident ou (la [1 travailleuse salariée]1 durant la période de protection de la maternité) :
a) qui bénéficie d'une indemnité d'incapacité de travail prévue par la loi relative à l'assurance soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, à partir du septième mois d'une période composée d'incapacité primaire et éventuellement de (protection de la maternité) ou durant la période composée d'invalidité et éventuellement de (protection de la maternité); cette disposition est également applicable si cette indemnité est accordée en vertu de l'article 136, § 2, de la même loi);
b) (qui bénéfice d'une pension d'invalidité en vertu de l'arrêté royal du 19 novembre 1970 relatif au régime de pension d'invalidité des ouvriers mineurs;
c) qui remplit toutes les conditions d'octroi de la pension visée au b), mais qui ne bénéficie pas de cette pension en application de l'article 23, § 3 de l'arrêté royal du 19 novembre 1970 relatif au régime de pension d'invalidité des ouvriers mineurs ou de l'article 80 des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970.)
2° (le [1 travailleur salarié]1 ou la [1 travailleuse salariée]1 visés au § 1er, 2°, 3° et 4°, à partir du septième mois d'une période composée d'incapacité de travail de 66 % au moins et éventuellement de (protection de la maternité);)
3° (le [1 travailleur salarié]1 non visé dans le 1° ou le 2°, dont la capacité de gain est réduite à un tiers ou moins de ce qu'une personne valide est en mesure de gagner ou qui est atteint d'une réduction d'autonomie de 9 points conformément à la législation relative aux allocations aux handicapés, et qui était attributaire, immédiatement avant sa mise au travail d'allocations familiales en application de l'article 56quinquies, le handicapé visé à l'article 56quinquies, § 1er, alinéa 2 doit être atteint d'une incapacité de travail de 65 p.c. au moins.)
4° (Le [1 travailleur salarié]1 non visé sous le 1°, le 2° ou le 3°, qui était atteint d'une incapacité de travail de 66 p.c. au moins avant d'avoir commencé effectivement à exercer une activité professionnelle, s'il a satisfait au cours d'une période de douze mois aux conditions pour prétendre à au moins six allocations forfaitaires mensuelles en vertu de [1 la présente loi]1, (..) (...).)
[1 5° le travailleur indépendant visé au § 1er, alinéa 1er, 5°, 6° et 7°, à partir du septième mois d'incapacité de travail. Le délai de six mois n'est pas requis pour le travailleur indépendant visé au § 1er, alinéa 1er, 7°, qui bénéficie déjà d'une allocation de remplacement de revenus ou d'intégration en vertu de la législation relative aux allocations aux personnes handicapées au moment où il acquiert la qualité d'attributaire en vertu de l'article 51, § 1er, 5°.]1
[1 Les interruptions admises aux articles 8, 9 et 10 de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 précité sont censées ne pas interrompre le délai visé au § 2, alinéa 1er, 5°.
L'attributaire qui remplit les conditions prévues au § 2, alinéa 1er, 5°, continue d'ouvrir le droit qui y est prévu pendant les périodes d'interruption visées à l'alinéa 2.]1

((Le travailleur [1 salarié ou indépendant]1 visé au présent paragraphe doit avoir la qualité d'attributaire ayant personnes à charge aux conditions déterminées par le Roi.
Le Roi fixe les modalités suivant lesquelles un attributaire qui cesse d'être affecté par l'une des incapacités de travail visées au présent article et exerce une activité définie à l'article 1er, 5°, de l'arrêté royal du 25 avril 1997 portant exécution de l'article 71, § 1erbis, des lois coordonnées relatives aux allocations familiales, maintient le droit aux suppléments prévus à l'article 50ter.)
Le travailleur qui ne satisfait pas aux conditions déterminées dans l'[1 alinéa 4]1 obtient des allocations familiales aux taux fixés (à l'article 40).)
Les travailleurs visés au présent paragraphe peuvent exercer une activité lucrative, sauf si la loi ou le règlement qui leur reconnaît l'incapacité de travail s'y oppose.
[1 § 2/1. Les prestations familiales sont accordées du chef de l'attributaire visé au § 1er, 6°, a) et b), après constatation médicale de son incapacité de travail, de sa date de début et de sa durée.
A cette fin, l'institution compétente soumet une demande de constatation de l'incapacité de travail au service du contrôle médical de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité.
Lorsqu'un nouvel élément le justifie, une révision de la décision médicale peut être demandée, soit par l'allocataire ou l'attributaire sur production d'une attestation médicale, soit par l'institution compétente.
Si les conditions requises ne sont pas remplies, l'institution compétente notifie à l'allocataire, et à l'attributaire s'ils n'ont pas la même résidence principale, sa décision défavorable par lettre recommandée à la poste.]1

§ 3. (Pour l'application des §§ 1er et 2, la pension prématurée pour motif de santé est considérée comme une incapacité de travail de 66 % au moins.) (NOTE : Abrogé par L 1989-12-22/31, art. 70, et rétabli par )
§ 4. (Abrogé)
Art. 56bis. § 1. (Is rechthebbende op kinderbijslag tegen de bedragen bepaald in artikel 50bis, de wees indien op het ogenblik van het overlijden van één van de ouders, (een rechthebbende bedoeld in artikel 51, §§ 3 en 4) in de loop van de twaalf maanden die onmiddellijk het overlijden voorafgaan de voorwaarden heeft vervuld om [1 krachtens deze wet]1 aanspraak te maken op ten minste op tenminste zes maandelijkse forfaitaire bijslagen.)
§ 2. (De in § 1 bedoelde kinderbijslag wordt evenwel verleend tegen de schaal bepaald in artikel 40 als de overlevende [2 ouder]2 een huwelijk aangaat of een feitelijk gezin vormt met een persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad.)
(Het samenwonen van de overlevende ouder met een persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad doet vermoeden tot bewijs van het tegendeel dat er sprake is van een feitelijk gezin.)
(Het voordeel van § 1 mag opnieuw ingeroepen worden wanneer de overlevende ouder niet meer samenwoont met de echtgenoot waarmee een nieuw huwelijk was aangegaan of met de persoon met wie een feitelijk gezin gevormd werd. De feitelijke scheiding moet blijken uit de afzonderlijke hoofdverblijfplaats van de personen in kwestie, in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van het Rijksregister van de natuurlijke personen, met uitzondering van gevallen waarbij uit andere daarvoor overgelegde officiële documenten blijkt dat de feitelijke scheiding effectief is, ook al stemt dit niet of niet meer overeen met de informatie verkregen bij het voormelde register.)
Deze paragraaf is niet toepasselijk indien de wees door zijn overlevende ouder verlaten is)
§ 3. (opgeheven)
§ 4. (opgeheven)
§ 5. (opgeheven)
§ 6. (opgeheven)
Art. 56bis. § 1er. (Est attributaire d'allocations familiales aux taux prévus à l'article 50bis, l'orphelin, si au moment du décès de l'un de ses parents, (un attributaire visé à l'article 51, §§ 3 et 4) a satisfait aux conditions pour prétendre à au moins six allocations forfaitaires mensuelles en vertu [1 de la présente loi]1, au cours des douze mois précédant immédiatement le décès.)
§ 2. (Les allocations familiales prévues au § 1er sont toutefois accordées aux taux prévus à l'article 40, lorsque [2 l'auteur survivant est engagé]2 dans les liens d'un mariage ou forme un ménage de fait avec une personne autre qu'un parent ou allié jusqu'au 3e degré inclusivement.)
(La cohabitation de l'auteur survivant avec une personne autre qu'un parent ou allié jusqu'au 3e degré inclusivement, fait présumer, jusqu'à preuve du contraire, l'existence d'un ménage de fait.)
(Le bénéfice du § 1er peut être invoqué à nouveau si l'auteur survivant ne cohabite plus avec le conjoint avec lequel un nouveau mariage a été contracté ou avec la personne avec laquelle un ménage de fait a été formé. La séparation de fait doit apparaître par la résidence principale séparée des personnes en cause, au sens de l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques, exception faite des cas dans lesquels il ressort d'autres documents officiels produits à cet effet, que la séparation de fait est effective bien qu'elle ne corresponde pas ou plus avec l'information obtenue auprès dudit registre.)
Le présent paragraphe n'est pas applicable lorsque l'orphelin est abandonné par son auteur survivant.)
§ 3. (Abrogé)
§ 4. (Abrogé)
§ 5. (Abrogé)
§ 6. (Abrogé)
Art. 56ter. De toepassing van de artikelen 56 en 56bis wordt niet verhinderd door de omstandigheid dat een werknemer ten minste 66 pct. arbeidsongeschikt wordt of overlijdt tijdens of na het vervullen van een opdracht in het buitenland voor rekening van een internationale instelling waarvan België deel uitmaakt of waartoe België is toegetreden, op voorwaarde dat :
1° de te verwachten duur van de te vervullen opdracht niet meer dan twee jaar bedraagt;
2° die opdracht volgt op een tewerkstelling voor een verzekeringsplichtige werkgever;
3° de arbeidsovereenkomst met de onder 2° bedoelde werkgever niet beëindigd werd.
Art. 56ter. Ne préjudicie pas à l'application des articles 56 et 56bis, le fait qu'un [1 travailleur salarié]1 est atteint d'une incapacité de travail de 66 p.c. au moins ou décède pendant ou après l'accomplissement d'une mission à l'étranger pour le compte d'un organisme international dont la Belgique fait partie ou auquel elle a adhéré, à condition que :
1° la durée envisagée de la mission à accomplir n'excède pas deux ans;
2° cette mission fasse suite à une occupation pour le compte d'un employeur assujetti;
3° le contrat de travail conclu avec l'employeur visé au 2° ci-dessus n'ait pas pris fin.
Art. 56quater. (Is tegen de [1 bij artikel 40 van deze wet]1 bepaalde bedragen op kinderbijslag gerechtigd ten gunste van het kind dat deel uitmaakt van zijn gezin, de persoon die een overlevingsuitkering geniet, verschuldigd wegens een beroepsaktiviteit van de overleden echtgenoot dewelke recht opent op kinderbijslag [1 krachtens deze wet]1, als de volgende voorwaarden zijn vervuld :
1° het kind moet deel uitmaken van het gezin van de overlevende persoon op het ogenblik van het overlijden;
2° de overleden echtgenoot moet:
a) recht openen op kinderbijslag voor dat kind op het ogenblik van het overlijden;
b) in de loop van de twaalf maanden die het overlijden onmiddellijk voorafgaande voorwaarden hebben vervuld om aanspraak te maken op ten minste zes maandelijkse forfaitaire bijslagen krachtens deze wetten (...);
3° (de overlevende persoon mag geen feitelijk gezin vormen in de zin van artikel 56bis, § 2, noch verbonden zijn door een nieuw huwelijk, behoudens indien hij niet meer samenwoont met de echtgenoot waarmee een nieuw huwelijk was aangegaan. De feitelijke scheiding moet blijken uit de afzonderlijke hoofdverblijfplaats van de personen in kwestie, in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van het Rijksregister van de natuurlijke personen, met uitzondering van de gevallen waarbij uit andere daarvoor overgelegde officiële documenten blijkt dat de feitelijke scheiding effectief is, ook al stemt dit niet of niet meer overeen met de informatie verkregen bij het voormelde register.)
(De voorwaarde bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°,
a) is niet vereist indien de persoon die de overlevingsuitkering geniet, gerechtigd is overeenkomstig dit artikel ten behoeve van zijn kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen, neven of nichten, van kinderen die hij geadopteerd heeft (...) of waarover hij pleegvoogd is, van kinderen die hem zijn toevertrouwd, bedoeld in (artikel 51, § 3, 7° en 8°) van deze wetten of van kinderen voor dewelke [1 de bevoegde minister of de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid]1 die hij aanduidt) een afwijking toestaat uit hoofde van deze persoon.)
(In afwijking van het eerste lid verkrijgt de rechthebbende ook het recht als het kind in een instelling geplaatst is als bedoeld in artikel 70, op voorwaarde dat het onmiddellijk voor de plaatsing tot zijn gezin behoorde.)
(De bedragen bepaald bij artikel 40 worden verhoogd met de bijslagen bepaald bij de artikelen 42bis of 50ter ten behoeve van het kind waarvan sprake is in het eerste lid, voor zover het rechtgevend was op deze bijslagen bij het overlijden van de rechthebbende.)
Art. 56quater. (Est attributaire d'allocations familiales aux taux prévus [1 à l'article 40 de la présente loi]1, en faveur de l'enfant qui fait partie de son ménage, la personne qui bénéficie d'une pension de survie due en raison de l'activité professionnelle du conjoint décédé ouvrant droit aux allocations familiales [1 en vertu de la présente loi]1, si les conditions suivantes sont réunies:
1° l'enfant doit faire partie du ménage de la personne survivante au moment du décès;
2° le conjoint décédé doit:
a) ouvrir le droit aux allocations familiales pour cet enfant au moment du décès;
b) avoir satisfait aux conditions pour prétendre à au moins six allocations forfaitaires mensuelles en vertu des présentes lois (...), au cours des douze mois précédant immédiatement le décès;)
3° (la personne survivante ne peut former un ménage de fait au sens de l'article 56bis, § 2, ni être engagée dans les liens d'un nouveau mariage sauf si elle ne cohabite plus avec le conjoint avec lequel un nouveau mariage a été contracté. La séparation de fait doit apparaître de la résidence principale séparée des personnes en cause, au sens de l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques, exception faite des cas dans lesquels il ressort d'autres documents officiels produits à cet effet, que la séparation de fait est effective bien qu'elle ne corresponde pas ou plus avec l'information obtenue auprès dudit registre.)
(La condition visée sous l'alinéa 1, 1° et 2°,
a) n'est pas imposée si la personne bénéficiaire de la pension de survie est attributaire conformément au présent article en faveur de ses enfants, petits-enfants, arrière petits-enfants, neveux ou nièces, d'enfants qu'elle a adoptés (...) ou dont elle a la tutelle officieuse, d'enfants visés à l'(article 51, § 3, 7° et 8°) qui lui sont confiés ou d'enfants pour lesquels le [1 ministre compétent ou le fonctionnaire du Service public fédéral Sécurité sociale]1 qu'il désigne) accorde dérogation dans le chef de ladite personne.)
(Par dérogation à l'alinéa 1er, l'attributaire ouvre également le droit lorsque l'enfant est placé en institution conformément à l'article 70, à condition qu'il ait fait partie de son ménage immédiatement avant le placement.)
(Les montants repris à l'article 40 sont majorés des suppléments visés aux articles 42bis ou 50ter en faveur de l'enfant dont il est question à l'alinéa 1er pour autant qu'il bénéficiait de ces suppléments lors du décès de l'ayant droit.)
Art. 56quinquies. § 1. (De minder-valide die geen winstgevende beroepsbezigheid uitoefent en krachtens de wetgeving betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten een inkomensvervangende tegemoetkoming geniet (, een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden geniet) of (een integratietegemoetkoming geniet die overeenstemt met een vermindering van zelfredzaamheid van ten minste 9 punten), is gerechtigd op de kinderbijslag (tegen de bij artikel 40 bepaalde bedragen en tegen de bijslagen, bepaald bij artikel 50ter voor de kinderen, bedoeld in artikel 51, § 3, 1°, 2°, 3°, 6°, 7° en 8°), of deze die het voorwerp uitmaken van een afwijking en op voorwaarde dat zij deel uitmaken van hetzelfde gezin.
(De rechthebbende opent dit recht eveneens ten behoeve van de kinderen waarvan sprake is in het eerste lid, wanneer ze geplaatst zijn in een instelling overeenkomstig artikel 70, op voorwaarde dat ze onmiddellijk voor de plaatsing deel uitmaakten van het gezin van deze rechthebbende.)
Het eerste lid is eveneens van toepassing op de minder-valide die een tegemoetkoming geniet berekend op grond van een blijvende arbeidsongeschiktheid van ten minste 65 pct. krachtens de wet van 27 juni 1969 betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan de minder-validen.)
§ 2. (Is rechthebbend op kinderbijslag tegen de bedragen bepaald in artikel 50bis, de wees, indien op het ogenblik van het overlijden van één van zijn ouders (de mindervalide rechthebbende bedoeld in § 1, eerste lid) voor dit kind aanspraak kon maken op kinderbijslag bij toepassing van § 1, behalve indien de wees reeds gerechtigd is op wezenbijslag bij toepassing van artikel 56bis of wanneer de overleden ouder loontrekkende was die een recht op wezenbijslag opent bij toepassing van artikel 56bis.
Nochtans, indien de overlevende ouder een (...) huwelijk aangaat of (een feitelijk gezin vormt, in de zin van artikel 56bis, § 2), wordt de kinderbijslag, verschuldigd bij toepassing van het vorige lid, toegekend aan de bedragen bepaald in (artikel 40).
(Het voordeel van het eerste lid mag opnieuw ingeroepen worden wanneer de overlevende ouder niet meer samenwoont met de echtgenoot waarmee een nieuw huwelijk was aangegaan of met de persoon met wie een feitelijk gezin gevormd werd. De feitelijke scheiding moet blijken uit de afzonderlijke hoofdverblijfplaats van de personen in kwestie, in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van het Rijksregister van de natuurlijke personen, met uitzondering van gevallen waarbij uit andere daarvoor overgelegde officiële documenten blijkt dat de feitelijke scheiding effectief is, ook al stemt dit niet of niet meer overeen met de informatie verkregen bij het voormelde register.)
Het tweede lid is niet van toepassing wanneer de wees door zijn overlevende ouder verlaten is.)
§ 3. De overlevende echtgenoot van een in § 1 bedoelde minder-valide is tegen de bij (artikel 40) bepaalde bedragen op kinderbijslag gerechtigd voor de door hem grootgebrachte kinderen voor wie de minder-valide op het ogenblik van zijn overlijden aanspraak op kinderbijslag kon maken bij toepassing van § 1.
Bovendien mag de overlevende echtgenoot geen nieuw huwelijk hebben aangegaan of (geen feitelijk gezin vormen in de zin van artikel 56bis, § 2.)
(Het voordeel van het eerste lid mag opnieuw worden ingeroepen, wanneer de in het tweede lid bepaalde oorzaken van uitsluiting opgehouden hebben te bestaan of wanneer het huwelijk van de overlevende echtgenoot, die geen huishouden vormt, gevolgd wordt door een scheiding van tafel en bed of door een feitelijke scheiding, bekrachtigd door een gerechtelijke beschikking die het echtpaar een afzonderlijke verblijfplaats aanduidt.
§ 4. (opgeheven)
Art. 56quinquies. § 1er. (Le handicapé qui n'exerce aucune activité professionnelle lucrative et bénéficie, en vertu de la législation relative aux allocations aux handicapés d'une allocation de remplacement de revenus (, d'une allocation pour l'aide aux personnes âgées) ou (d'une allocation d'intégration correspondant à une réduction d'autonomie de 9 points au moins), a droit aux allocations familiales (aux taux prévus par l'article 40 et aux suppléments prévus par l'article 50ter pour les enfants visés à l'article 51,§ 3, 1°, 2°, 3°, 6°, 7° et 8°) ou ceux qui font l'objet d'une dérogation, à condition qu'ils fassent partie du même ménage.
(L'attributaire ouvre également ce droit en faveur des enfants dont il est question à l'alinéa 1er, lorsqu'ils sont placés dans une institution conformément à l'article 70, à condition qu'ils aient fait partie du ménage de cet attributaire immédiatement avant le placement.)
L'alinéa 1er s'applique également au handicapé qui bénéficie d'une allocation calculée sur base d'une incapacité permanente de travail d'au moins 65 p.c. en vertu de la loi du 27 juin 1969 relative à l'octroi d'allocations aux handicapés.)
§ 2. (Est attributaire d'allocations familiales aux taux visés à l'article 50bis, l'orphelin, si au moment du décès de l'un de ses parents, (l'attributaire handicape visé au § 1er, alinéa 1er) pouvait prétendre en faveur de cet enfant aux allocations familiales en application du § 1er, sauf lorsque l'orphelin est déjà bénéficiaire des allocations d'orphelin en application de l'article 56bis ou lorsque l'auteur décédé était travailleur salarié ouvrant droit aux allocations d'orphelin en application de l'article 56bis.
Toutefois, si l'auteur survivant est engagé dans les liens d'un nouveau mariage ou (forme un ménage de fait au sens de l'article 56bis, § 2), les allocations familiales dues en application de l'alinéa précédent sont accordées aux taux fixés (à l'article 40).
(Le bénéfice de l'alinéa 1er peut être invoqué à nouveau si l'auteur survivant ne cohabite plus avec le conjoint avec lequel un nouveau mariage a été contracté ou avec la personne avec laquelle un ménage de fait a été formé. La séparation de fait doit apparaître par la résidence principale séparée des personnes en cause, au sens de l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques, exception faite des cas dans lesquels il ressort d'autres documents officiels produits à cet effet, que la séparation de fait est effective bien qu'elle ne corresponde pas ou plus avec l'information obtenue auprès dudit registre.)
L'alinéa 2 n'est pas applicable lorsque l'orphelin est abandonné par son auteur survivant.)
§ 3. Le conjoint survivant d'un handicapé visé au § 1er a droit aux allocations familiales aux taux fixés (à l'article 40) pour les enfants qu'il élève et en faveur desquels le handicapé, au moment de son décès, pouvait prétendre des allocations familiales en application du § 1er.
En outre, le conjoint survivant ne peut être engagé dans les liens d'un nouveau mariage, (ni former un ménage de fait au sens de l'article 56bis, § 2).
(Le bénéfice de l'alinéa 1er peut être invoqué à nouveau, si les causes d'exclusion prévues à l'alinéa 2, ont cessé d'exister ou si le mariage du conjoint survivant, non établi en ménage, est suivi d'une séparation de corps ou d'une séparation de fait consacrée par une ordonnance judiciaire assignant une résidence séparée aux époux.)
§ 4. (Abrogé)
Art. 56sexies. § 1. (Indien zij reeds ten minste vijf jaar werkelijk in België verblijven op de datum van de indiening van de aanvraag om kinderbijslag met toepassing van dit artikel, zijn de personen die verbonden zijn door een leerovereenkomst bedoeld bij de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door [3 werknemers]3 in loondienst, alsmede de personen bedoeld in artikel 62, §§ 1, 2, 3, 4 en 5, zelfs wanneer zij niet voldoen aan de door of krachtens dit artikel gestelde voorwaarden inzake het verrichten van een winstgevende aktiviteit, toekenning van loon of genot van sociale uitkeringen, gerechtigd op kinderbijslag tegen de bij artikel 40 bedoelde bedragen, ten behoeve van de in artikel 51, § 3, 1°, 2° en 6° bedoelde kinderen die deel uitmaken van hetzelfde gezin. Dit recht heeft voorrang op het recht dat de personen bedoeld in artikel 62, §§ 1, 2, 3 en 4 eventueel verwerven als sociaal verzekerden of sociaal gerechtigden.)
(De voorwaarde van verblijf bepaald in het eerste lid is niet van toepassing op de aanvrager :
1° die valt onder de toepassing van [3 de Verordening (EG) nr. 883/2004 van 29 april 2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels]3;
2° die staatloze is;
3° die vluchteling is [2 en de persoon die de subsidiaire beschermingsstatus geniet]2 in de zin van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
4° die niet bedoeld is onder 1° en die onderdaan is van een Staat die het (Europees Sociaal Handvest of het (Herziene) Europees Sociaal Handvest) heeft geratificeerd.)
[1 5° die kinderbijslag aanvraagt voor een kind :
a) dat onderdaan is van een Staat die onder de toepassing valt van [3 de Verordening (EG) nr. 883/2004 van 29 april 2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels]3, of, indien dit niet het geval is, dat onderdaan is van een Staat die het Europees Sociaal Handvest of het (Herziene) Europees Sociaal Handvest heeft geratificeerd;
b) dat staatloze of vluchteling is in de zin van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.]1

[4 6° die een werknemer uit een derde land is die is toegelaten met het oog op werk of die mag werken zoals bedoeld in artikel 3, paragraaf 1, onder b) en c), van de Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven, op voorwaarde dat :
a) hij in loondienst is of ten minste gedurende zes maanden in loondienst is geweest en als werkloos geregistreerd staat in de zin van artikel 12, punt 2, onder b), eerste lid, van de voormelde richtlijn;
b) en niet behoort tot een van de categorieën van onderdanen van derde landen in de zin van artikel 12, punt 2, onder b), tweede lid, van de voormelde richtlijn;]4

[5 7° die werknemer is van een derde land, bedoeld in artikel 3 van de Richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan, toegelaten tot het grondgebied van een lidstaat om er een hooggekwalificeerde baan uit te oefenen;]5
[6 8° die werknemer is van een derde land, bedoeld in de Richtlijn 2014/66/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming, die tijdelijk gedetacheerd is voor beroeps- of opleidingsdoeleinden, en die, in die hoedanigheid, houder is van een vergunning met het acroniem ICT met een duur van minstens negen maanden;]6
[7 9° die onderdaan is van een derde land en toegelaten is tot een lidstaat overeenkomstig de Richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten, op voorwaarde dat hij:
a) onderzoeker is en overeenkomstig artikel 22, § 2, punt b) van voornoemde Richtlijn meer dan zes maanden in België mag verblijven;
b) indien hij stagiair, vrijwilliger of au-pair is, wanneer hij geacht wordt in de betrokken lidstaat een arbeidsverhouding te zijn aangegaan, of indien hij student is, hij, overeenkomstig artikel 12, § 2, punt b) van de in hiervoor 6° bedoelde Richtlijn 2011/98 tewerkgesteld is of gedurende minstens zes maanden tewerkgesteld was en als werkzoekende is ingeschreven en hij geen deel uitmaakt van een van de categorieën derdelanders bedoeld in het voornoemde tweede lid van artikel 12, paragraaf 2, punt b).]7

(oude § 2 opgeheven)
(§ 2.) De overlevende echtgenoot van een in § 1 bedoelde rechthebbende is op kinderbijslag gerechtigd voor de door hem opgevoede kinderen voor wie die rechthebbende op het ogenblik van zijn overlijden aanspraak op kinderbijslag kon maken bij toepassing van dit artikel.
Het recht bedoeld in het eerste lid neemt een einde wanneer de overlevende echtgenoot een nieuw huwelijk aangaat of (een feitelijk gezin vormt in de zin van artikel 56bis, § 2).
(Het voordeel van het eerste lid mag opnieuw ingeroepen worden wanneer de overlevende echtgenoot niet meer samenwoont met de echtgenoot waarmee een nieuw huwelijk was aangegaan of met de persoon met wie een feitelijk gezin gevormd werd. De feitelijke scheiding moet blijken uit de afzonderlijke hoofdverblijfplaats van de personen in kwestie, in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van het Rijksregister van de natuurlijke personen, met uitzondering van gevallen waarbij uit andere daarvoor overgelegde officiële documenten blijkt dat de feitelijke scheiding effectief is, ook al stemt dit niet of niet meer overeen met de informatie verkregen bij het voormelde register.)
(§ 3.) Onverminderd § 1, laatste zin, wordt de in dit artikel bedoelde kinderbijslag slechts toegekend in zoverre er geen ander recht bestaat op kinderbijslag voor hetzelfde kind krachtens [3 deze wet]3.
(§ 4.) Voor de toepassing van dit artikel kan ([3 de bevoegde minister of de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid]3 die hij aanduidt), in bijzondere gevallen, afwijkingen toestaan voor de in § 1 gestelde voorwaarde inzake verblijf in België, alsmede met ten hoogste twee jaar de leeftijdsgrenzen bepaald in (artikel 62, §§ 2, 3, 4, en 5) verhogen.
(De [3 bevoegde minister]3 heeft dezelfde bevoegdheid inzake categorieën van behartigenswaardige gevallen. Hij dient dan wel vooraf het advies van het Beheerscomité van [3 FAMIFED]3 in te winnen.)
(oude § 5. opgeheven)
Art. 56sexies. § 1er. (Si elles résident effectivement en Belgique depuis au moins cinq ans à la date d'introduction de la demande d'allocations familiales en application du présent article, les personnes qui se trouvent dans les liens d'un contrat d'apprentissage prévu dans la loi du 19 juillet 1983 sur l'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés, ainsi que les personnes visées à l'article 62, §§ 1er, 2, 3, 4 et 5, même lorsqu'elles ne satisfont pas aux conditions fixées par ou en vertu de cet article quant à l'exercice d'une activité lucrative, à l'octroi de rémunération ou au bénéfice de prestations sociales, ont droit aux allocations familiales [3 , aux taux prévus à l'article 40,]3 en faveur des enfants visés à l'article 51, § 3, 1°, 2° et 6° qui font partie du même ménage. Ce droit est prioritaire sur le droit que les personnes visées à l'article 62, §§ 1er, 2, 3 et 4 ouvrent éventuellement en tant qu'assurés ou bénéficiaires sociaux.)
(La condition de résidence fixée à l'alinéa 1er n'est pas applicable au demandeur :
1° qui tombe sous l'application du [3 Règlement (CE) n° 883/2004 du 29 avril 2004 du Parlement Européen et du Conseil portant sur la coordination des systèmes de sécurité sociale]3;
2° qui est apatride;
3° qui est réfugié [2 ou bénéficiaire du statut de protection subsidiaire,]2 au sens de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
4° qui n'est pas visé au 1° et est ressortissant d'un Etat qui a ratifié la (Charte sociale européenne ou la Charte sociale européenne (révisée).)
[1 5° qui demande les allocations familiales en faveur d'un enfant :
a) ressortissant d'un Etat auquel s'applique le [3 Règlement (CE) n° 883/2004 du 29 avril 2004 du Parlement Européen et du Conseil portant sur la coordination des systèmes de sécurité sociale]3, ou, à défaut, ressortissant d'un Etat qui a ratifié la Charte sociale européenne ou la Charte sociale européenne (révisée);
b) ou apatride ou réfugié au sens de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.]1

[4 6° qui est travailleur issu d'un pays tiers admis au fin de travailler ou autorisé à travailler dans un Etat membre conformément à l'article 3, paragraphe 1er, points b) et c) de la Directive 2011/98/UE du Parlement et du Conseil du 13 décembre 2011 établissant une procédure de demande unique en vue de la délivrance d'un permis unique autorisant les ressortissants de pays tiers à résider et à travailler sur le territoire d'un Etat membre, et établissant un socle commun de droits pour les travailleurs issus de pays tiers qui résident légalement dans un Etat membre, à condition :
a) qu'il occupe un emploi ou qu'il ait occupé un emploi pendant une période minimale de six mois et soit inscrit comme demandeurs d'emploi au sens de l'article 12, paragraphe 2, point b), alinéa 1er, de la directive précitée;
b) et qui ne fait pas partie d'une des catégories de ressortissant de pays tiers au sens de l'article 12, paragraphe 2, point b), alinéa 2, de la directive précitée;]4

[5 7° qui est travailleur issu d'un pays tiers, visé à l'article 3 de la Directive 2009/50 du Conseil du 25 mai 2009 établissant les conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers aux fins d'un emploi hautement qualifié, admis sur le territoire d'un Etat membre afin d'y occuper un emploi hautement qualifié;]5
[6 8° qui est travailleur issu d'un pays tiers, visé par la Directive 2014/66 du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 établissant les conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers dans le cadre d'un transfert temporaire intragroupe, qui est détaché temporairement à des fins professionnelles ou de formation et qui est, à ce titre, détenteur d'un permis portant l'acronyme de ICT d'une durée de 9 mois au moins;]6
[7 9° qui est ressortissant issu d'un pays tiers qui est admis dans un Etat membre conformément à la Directive (EU) 2016/801 du parlement européen et du Conseil du 11 mai 2016 relative aux conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers à des fins de recherche, d'études, de formation, de volontariat et de programmes d'échange d'élèves ou de projets éducatifs et de travail au pair, à condition:
a) s'il est chercheur, qu'il soit autorisé à séjourner en Belgique pour une durée supérieure à 6 mois conformément à l'article 22, § 2, point b), de la Directive précitée;
b) s'il est stagiaire, volontaire ou jeune au pair, lorsqu'il est considéré comme étant dans une relation de travail dans l'Etat membre concerné, ou s'il est étudiant, que, conformément à l'article 12, § 2, point b), de la Directive 2011/98 visée au 6° ci-avant, il occupe un emploi ou qu'il ait occupé un emploi pendant une période minimale de six mois et soit inscrit comme demandeur d'emploi et qu'il ne fait pas partie d'une des catégories de ressortissants de pays tiers visées à l'alinéa 2 de l'article 12, paragraphe 2, point b), précité.]7

(ancien § 2. Abrogé)
(§ 2.) Le conjoint survivant d'un attributaire visé au § 1er, a droit aux allocations familiales pour les enfants qu'il élevé et en faveur desquels l'attributaire précité au moment de son décès, pouvait prétendre aux allocations familiales en application du présent article.
Le droit visé au premier alinéa prend fin lorsque le conjoint survivant est engage dans les liens d'un nouveau mariage ou (forme un ménage de fait au sens de l'article 56bis, § 2).
(Le bénéfice de l'alinéa 1er peut être invoqué à nouveau si le conjoint survivant ne cohabite plus avec le conjoint avec lequel un nouveau mariage a été contracté ou avec la personne avec laquelle un ménage de fait a été formé. La séparation de fait doit apparaître de la résidence principale séparée des personnes en cause, au sens de l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques, exception faite des cas dans lesquels il ressort d'autres documents officiels produits à cet effet, que la séparation de fait est effective bien qu'elle ne corresponde pas ou plus avec l'information obtenue auprès dudit registre.)
(§ 3.) Sans préjudice du § 1er, dernière phrase, les allocations familiales visées à cet article ne sont accordées que pour autant qu'il n'y ait pas un autre droit aux allocations familiales pour le même enfant en vertu de [3 la présente loi]3.
(§ 4.) Pour l'application du présent article, (le [3 ministre compétent ou le fonctionnaire du Service public fédéral Sécurité sociale]3 qu'il désigne) peut, dans des cas particuliers, accorder des dérogations à la condition imposée dans le § 1er en ce qui concerne la résidence en Belgique ainsi qu'augmenter de deux ans au plus les limites d'âge fixées à l'(article 62, §§ 2, 3, 4 et 5).
(Le [3 ministre compétent]3 à la même compétence en ce qui concerne des catégories de cas dignes d'intérêt. Il demande dans ce cas l'avis préalable du Comité de gestion de [3 FAMIFED"]3.)
(ancien § 5. abrogé)
Art. 56sexies/1. [1 Het verdwenen kind in de zin van artikel 62, § 9, heeft zijn hoedanigheid van rechthebbende binnen de in dat artikel bepaalde grenzen voor zover aan de aldaar gestelde voorwaarden is voldaan.]1
Art. 56sexies/1. [1 L'enfant disparu au sens de l'article 62, § 9, la qualité d'attributaire dans les limites définies à cet article, pour autant que les conditions fixées audit article soient remplies.]1
Art. 56septies. § 1. Het kind dat geboren is uiterlijk op (31 december 1992) en getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct. is rechthebbende op kinderbijslag voor zichzelf, voor zover er geen ander recht op kinderbijslag bestaat voor dit kind krachtens [1 deze wet]1 (en dit bij wijze van overgangsmaatregel).
De Koning bepaalt door wie, volgens welke criteria en op welke wijze de lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid van het kind wordt vastgesteld, alsmede de toekenningsvoorwaarden, de leeftijdsgrens en de bedragen van de kinderbijslag.
De vaststelling van de lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid kan worden herzien onder de voorwaarden bepaald door de Koning.
§ 2. Het kind dat (...) een aandoening heeft die gevolgen heeft voor hemzelf, op het vlak van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of op het vlak van de activiteit en de participatie, of voor zijn familiale omgeving is rechthebbende op kinderbijslag voor zichzelf, voor zover er geen ander recht op kinderbijslag bestaat voor dit kind krachtens [1 deze wet]1.
De Koning bepaalt door wie, volgens welke criteria en op welke wijze de gevolgen van de aandoening bedoeld in het eerste lid, worden vastgesteld, alsmede de toekenningsvoorwaarden, de leeftijdsgrens en de bedragen van de kinderbijslag.
De vaststelling van de gevolgen van de aandoening kan worden herzien onder de voorwaarden bepaald door de Koning.
§ 3. (De Koning kan), bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen onder welke voorwaarden en voor welke periode het kind, dat geboren is na 1 januari 1996, de kinderbijslag geniet met toepassing van § 1.
§ 4. (De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen onder welke voorwaarden en voor welke periode het kind, dat geboren is na 31 december 1992 en uiterlijk op 1 januari 1996, de kinderbijslag geniet met toepassing van § 1.)
Art. 56septies. § 1er. L'enfant qui est né au plus tard le (31 décembre 1992) et qui est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 p.c. au moins est attributaire des allocations familiales pour lui-même, pour autant qu'il n'y ait pas un autre droit aux allocations familiales pour cet enfant en vertu [1 de la présente loi]1 (et ce à titre de mesure transitoire).
Le Roi détermine par qui, selon quels critères et de quelle manière est constatée l'incapacité physique et mentale de l'enfant, ainsi que les conditions d'octroi, la limite d'âge et les montants des allocations familiales.
La constatation de l'incapacité physique et mentale peut faire l'objet d'une révision dans les conditions déterminées par le Roi.
§ 2. L'enfant (...) qui est atteint d'une affection qui a des conséquences pour lui sur le plan de l'incapacité physique ou mentale ou sur le plan de l'activité et de la participation, ou pour son entourage familial, est attributaire des allocations familiales pour lui-même, pour autant qu'il n'y ait pas un autre droit aux allocations familiales pour cet enfant en vertu des présentes lois ou de l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants.
Le Roi détermine par qui, selon quels critères et de quelle manière les conséquences de l'affection visées à l'alinéa 1er sont constatées ainsi que les conditions d'octroi, la limite d'âge et les montants des allocations familiales.
La constatation des conséquences de l'affection peut faire l'objet d'une révision dans les conditions déterminées par le Roi.
§ 3. (Le Roi) peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, déterminer sous quelles conditions et pour quelle période l'enfant, qui est né après le 1er janvier 1996, bénéficie des allocations familiales par application du § 1er.
§ 4. (Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, déterminer sous quelles conditions et pour quelle période l'enfant, qui est né après le 31 décembre 1992 et au plus tard le 1er janvier 1996, bénéficie des allocations familiales par application du § 1er.)
Art. 56octies. Kinderbijslag tegen de bij (artikel 40), bepaalde bedragen wordt verworven door de werknemer die een onderbrekingsuitkering geniet, bedoeld in afdeling 5 _ onderbreking van de beroepsloopbaan _ van hoofdstuk IV van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen.
(Kinderbijslag tegen de bij artikel 40 bepaalde bedragen wordt eveneens verworven door de militair die een onderbrekingstoelage geniet, bedoeld in artikel 3, § 3bis, van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen.)
(lid opgeheven)
[1 Dit artikel is niet van toepassing op de werknemer die krachtens deze wet recht heeft op kinderbijslag als zelfstandige.]1
Art. 56octies. Est attributaire des allocations familiales (aux taux fixés à l'article 40), le [1 travailleur salarié]1 qui bénéficie d'une allocation d'interruption visée à la section 5 _ interruption de la carrière professionnelle _ du chapitre IV de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales.
(Est également attributaire des allocations familiales aux taux fixés à l'article 40, le militaire qui bénéficie d'une allocation d'interruption visée à l'article 3, § 3bis, de la loi du 20 mai 1994 relative aux droits pécuniaires des militaires.)
(alinéa 3 abrogé)
[1 Le présent article n'est pas applicable au travailleur salarié qui a droit aux allocations familiales en tant que travailleur indépendant en vertu de la présente loi.]1
Art. 56nonies. Zijn (tegen de bij artikel 40 bepaalde bedragen, eventueel verhoogd met de bijslagen , bepaald in artikel 42bis) op kinderbijslag gerechtigd en onder de door de Koning te bepalen voorwaarden:
1° de volledige of gedeeltelijke uitkeringsgerechtigde werklozen;
2° de volledige of gedeeltelijke niet uitkeringsgerechtigde werklozen.
Art. 56nonies. Sont attributaires d'allocations familiales (aux taux prévus à l'article 40, éventuellement majorés des suppléments prévus à l'article 42bis) et dans les conditions à fixer par le Roi:
1° les chômeurs complets ou partiels indemnisés;
2° les chômeurs complets ou partiels non indemnisés.
Art. 56decies. § 1. Is rechthebbende op kinderbijslag tegen de bedragen, bepaald bij artikel 40, de [1 werknemer of de zelfstandige]1 die van zijn vrijheid is beroofd krachtens een veroordeling, een maatregel van voorlopige hechtenis of een beslissing genomen bij toepassing van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en de gewoontemisdadigers (...), indien hij in de loop van de twaalf maanden die zijn vrijheidsberoving onmiddellijk voorafgaan de voorwaarden heeft vervuld om aanspraak te maken op ten minste zes maandelijkse forfaitaire bijslagen krachtens [1 deze wet]1.
§ 2. Indien het recht op kinderbijslag afhankelijk is van de voorwaarde dat het kind deel uitmaakt van het gezin van de[1 werknemer of de zelfstandige]1, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn wanneer het kind deel uitmaakt van dit gezin op de dag waarop de werknemer van zijn vrijheid wordt beroofd.
Nochtans kan (de [1 bevoegde minister of de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid]1 die hij aanduidt), in behartenswaardige gevallen beslissen dat het kind, opgenomen in het gezin van de [1 werknemer of de zelfstandige]1 in de loop van de detinering, de voorwaarde vervult, bepaald in het vorige lid.
([1 de bevoegde minister]1 heeft dezelfde bevoegdheid inzake categorieën van behartigenswaardige gevallen. Hij dient dan wel vooraf het advies van het Beheerscomité van [1 FAMIFED]1 in te winnen.)
§ 3. De detinering moet plaats hebben in België.
(De -1 bevoegde minister of de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid]1 die hij aanduidt) kan echter in behartenswaardige gevallen deze voorwaarde opheffen.
(De [1 bevoegde minister]1 heeft dezelfde bevoegdheid inzake categorieën van behartigenswaardige gevallen. Hij dient dan wel vooraf het advies van het Beheerscomité van [1 FAMIFED]1 in te winnen.)
Art. 56decies. § 1. Est attributaire des allocations familiales aux taux prévus à l'article 40, le [1 travailleur salarié ou indépendant]1 privé de sa liberté en vertu d'une condamnation, d'une mesure de détention préventive ou d'une décision prise en vertu de la loi du 1er juillet 1964 de défense sociale à l'égard des anormaux et des délinquants d'habitude (...), s'il a satisfait aux conditions pour prétendre à au moins six allocations forfaitaires mensuelles en vertu [1 de la présente loi]1, au cours des douze mois précédant immédiatement sa privation de liberté.
§ 2. Si le droit aux allocations familiales est subordonné à la condition que l'enfant fasse partie du ménage du travailleur salarié, cette condition est censée remplie lorsque l'enfant fait partie de ce ménage le jour où le [1 travailleur salarié ou indépendant]1 est privé de sa liberté.
Toutefois, dans des cas dignes d'intérêt, le [1 ministre compétent ou le fonctionnaire du Service public fédéral Sécurité sociale qu'il désigne, peut décider]1 que l'enfant recueilli dans le ménage du [1 travailleur salarié ou indépendant]1 au cours de sa détention répond à la condition prévue à l'alinéa précédent.
(Le [1 ministre compétent]1 à la même compétence en ce qui concerne des catégories de cas dignes d'intérêt. Il demande dans ce cas l'avis préalable du Comité de gestion de [1 FAMIFED]1.)
§ 3. La détention doit avoir lieu en Belgique.
Toutefois, (Le [1 ministre compétent ou le fonctionnaire du Service public fédéral Sécurité sociale]1 qu'il désigne) peut lever cette condition dans des cas dignes d'intérêt.
(Le [1 ministre compétent]1 à la même compétence en ce qui concerne des catégories de cas dignes d'intérêt. Il demande dans ce cas l'avis préalable du Comité de gestion de [1 FAMIFED]1.)
Art. 56undecies. Is rechthebbende op kinderbijslag tegen de bedragen bepaald in artikel 40, de werknemer die geniet van :
a) een vervroegd pensioen ten laste van de "Radio-Télévision belge" van de Franse Gemeenschap;
b) een toelage betreffende een verlof ter voorbereiding van de opruststelling ten laste van [1 HR Rail]1.
De werknemer bedoeld in het eerste lid moet bovendien in de loop van de twaalf maanden die de gebeurtenis bedoeld in het eerste lid onmiddellijk voorafgaan, de voorwaarden hebben vervuld om aanspraak te maken op minstens zes maandelijkse forfaitaire bijslagen krachtens deze [2 wet]2.
(Lid opgeheven)
De Koning kan, in het eerste lid, de hierin bedoelde opsomming aanvullen.
Art. 56undecies. Est attributaire des allocations familiales aux taux prévus à l'article 40, le [2 travailleur salarié]2 qui bénéficie :
a) d'une pension anticipée à la charge de la Radiotélévision belge [2 francophone]2;
b) d'une allocation relative à un congé préparatoire à la pension à la charge de la [1 HR Rail]1.
Le [2 travailleur salarié]2 visé à l'alinéa 1er doit, en outre, avoir satisfait aux conditions pour prétendre à au moins six allocations forfaitaires mensuelles en vertu [2 de la présente loi]2, au cours des douze mois précédant immédiatement l'événement visé à l'alinéa 1er.
(Alinéa abrogé)
Le Roi peut compléter, dans l'alinéa 1er, l'énumération qui y est visée.
Art. 56duodecies. Is rechthebbende op kinderbijslag de persoon die verbonden is door een overeenkomst voor beroepsopleiding in een onderneming, zoals gereglementeerd door de gemeenschappen en de gewesten, in zoverre er voor het rechtgevende kind geen ander recht bestaat op kinderbijslag, krachtens [1 deze wet]1.
Art. 56duodecies. Est attributaire des allocations familiales, la personne qui est liée par une convention de formation professionnelle en entreprise, telle que réglementée par les communautés et les régions, pour autant qu'il n'y ait pas un autre droit aux allocations familiales en faveur de l'enfant bénéficiaire, en vertu [1 de la présente loi]1.
Art. 56terdecies. [1 Is rechthebbende op kinderbijslag tegen de bedragen bepaald in artikel 40 :
1° de zelfstandige die zijn beroepsactiviteit heeft stopgezet, mits hij de hoedanigheid van rechthebbende heeft gehad gedurende ten minste zes van de twaalf maanden die voorafgaan aan de maand in de loop waarvan hij zijn activiteit heeft stopgezet. Hij verliest deze hoedanigheid van rechthebbende uiterlijk de laatste dag van het tweede kalenderkwartaal volgend op het kwartaal in de loop waarvan hij zijn activiteit heeft stopgezet;
2° de zelfstandige aan wie het toegelaten is zijn bijdragen verder te betalen in het raam van de regeling betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, alhoewel hij zijn zelfstandige bezigheid heeft stopgezet;
3° de zelfstandige die geniet van de sociale verzekering krachtens het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen in geval van faillissement, daarmee gelijkgestelde situaties of gedwongen stopzetting. Hij verliest deze hoedanigheid van rechthebbende uiterlijk de laatste dag van het vierde kalenderkwartaal volgend op het eerste trimester waarvoor de sociale verzekering werd toegekend.]1

Art. 56terdecies. [1 Est attributaire des allocations familiales aux taux prévus à l'article 40 :
1° le travailleur indépendant qui a cessé son activité professionnelle, pour autant qu'il ait eu la qualité d'attributaire pendant six mois au moins sur les douze mois civils précédant celui au cours duquel il a cessé son activité. Il perd cette qualité d'attributaire au plus tard le dernier jour du deuxième trimestre civil qui suit le trimestre au cours duquel il a cessé son activité;
2° le travailleur indépendant qui, tout en ayant cessé son activité indépendante, est autorisé à continuer de payer ses cotisations dans le cadre du régime de pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants;
3° le travailleur indépendant qui bénéficie de l'assurance sociale en vertu de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 instaurant une assurance sociale en faveur des travailleurs indépendants en cas de faillite, de situations y assimilées ou de cessation forcée. Il perd cette qualité d'attributaire au plus tard le dernier jour du quatrième trimestre civil qui suit le premier trimestre pour lequel l'assurance sociale est accordée.]1

Art. 57. (Onverminderd artikel 56, § 2, zijn rechthebbende op kinderbijslag tegen de bedragen, bepaald in artikel 40, eventueel verhoogd met de bijslagen, bedoeld in artikel 42bis :)
1° De [2 werknemer]2 die, krachtens de wetten betreffende de verplichte verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, een ouderdomspensioen geniet of die, na de leeftijd van 60 jaar te hebben bereikt, een ouderdomsrente geniet krachtens een regel die toepasselijk is op alle [2 werknemers]2 of op zekere categorieën [2 werknemers]2 behorend tot éénzelfde onderneming;
2° De [2 werknemer]2 die een pensioen (, met uitzondering van een voortijdig pensioen wegens gezondheidsredenen,) geniet ten laste van de Staat, een provincie, een gemeente [1 ...]1.
[2 3° de zelfstandige, die een rustpensioen of een onvoorwaardelijk rustpensioen geniet met toepassing van de wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen voor zelfstandigen;
4° de zelfstandige, die geen onvoorwaardelijk rustpensioen geniet omdat hij in het raam van de wetgeving betreffende het pensioen voor zelfstandigen een onroerend goed heeft aangewend tot vestiging van zijn pensioenfonds, vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand in de loop waarvan hij de pensioenleeftijd bereikt.]2

(Bovendien moet de pensioengerechtigde in de loop van de twaalf maanden die zijn pensionering onmiddellijk voorafgaan de voorwaarden vervuld hebben om aanspraak te maken op tenminste zes maandelijkse forfaitaire bijslagen krachtens deze [2 wet]2, (...) (...).)
(leden 3 en 4 opgeheven)
Art. 57. (Sans préjudice de l'article 56, § 2, sont attributaires des allocations familiales aux taux prévus à l'article 40, éventuellement majorés des suppléments visés à l'article 42bis :)
1° le [2 travailleur salarié]2 qui bénéficie d'une pension de vieillesse en vertu des lois relatives à l'assurance obligatoire en vue de la vieillesse et du décès prématuré ou qui, après avoir atteint l'âge de 60 ans, jouit d'une rente de vieillesse accordée en vertu d'une règle applicable à tous les [2 travailleurs salariés]2 ou à certaines catégories de [2 travailleurs salariés]2 appartenant à une même entreprise;
2° le [2 travailleur salarié]2 qui bénéficie d'une pension de retraite (, à l'exception d'une pension prématurée pour motif de santé,) à charge de l'Etat, d'une province, d'une commune [1 ...]1.
[2 le travailleur indépendant qui bénéficie d'une pension de retraite ou d'une pension inconditionnelle de retraite en application de la législation relative à la pension de retraite et de survie de travailleurs indépendants;
4° le travailleur indépendant qui ne bénéficie pas d'une pension inconditionnelle de retraité parce qu'il a affecté un immeuble à la constitution de son fonds de pension dans le cadre de la législation relative à la pension des travailleurs indépendants, à partir du 1er jour du mois qui suit le mois au cours duquel il atteint l'âge de la pension.]2

(Le bénéficiaire de pension doit, en outre, avoir satisfait aux conditions pour prétendre à au moins six allocations forfaitaires mensuelles en vertu [2 de la présente loi]2, (...) (...), au cours des douze mois précédant immédiatement sa mise à la pension.)
(alinéas 3 et 4 abrogés)
Art. 57bis. De Koning bepaalt de periodes welke voor de toepassing van de artikelen 55, vierde lid, 56, § 1, eerste lid, 3°, en § 2, eerste lid, 4°, 56bis, § 1, 56quater, eerste lid, 2°, 56decies, § 1, 56undecies, tweede lid, [1 56terdecies]1 of 57, tweede lid, worden gelijkgesteld met de periodes waarover de [1 werknemer of de zelfstandige]1 de voorwaarden heeft vervuld om aanspraak te maken op de forfaitaire maandelijkse bijslag.
(De [1 bevoegde minister of de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid]1 die hij aanduidt, kan in behartigenswaardige gevallen vrijstelling verlenen van de voorwaarde van rechthebbende te zijn op ten minste zes maandelijkse forfaitaire bijslagen, bepaald in de artikelen 55, vierde lid, 56, § 1, eerste lid, 3°, 56bis , § 1, 56quater , eerste lid, 2°, 56decies, § 1, 56undecies , tweede lid, of 57, tweede lid, indien de [1 werknemer of de zelfstandige]1 de voorwaarde heeft vervuld om aanspraak te maken op ten minste één forfaitaire maandelijkse bijslag krachtens [1 deze wet]1 in de loop van vijf jaar die de gebeurtenis bedoeld in deze artikelen onmiddellijk voorafgaan.)
(De [1 bevoegde minister]1 heeft dezelfde bevoegdheid inzake categorieën van behartigenswaardige gevallen. Hij dient dan wel vooraf het advies van het Beheerscomité van [1 FAMIFED]1 in te winnen.)
Art. 57bis. Le Roi détermine les périodes qui, pour l'application des articles 55, alinéa 4, 56, § 1er, alinéa 1er, 3°, et § 2, alinéa 1er, 4°, 56bis, § 1er, 56quater, alinéa 1er, 2°, 56decies, § 1er, 56undecies, alinéa 2, [1 56terdecies]1 ou 57, alinéa 2, sont assimilées à des périodes pour lesquelles le [1 travailleur salarié ou indépendant]1 a satisfait aux conditions pour prétendre aux allocations forfaitaires mensuelles.
(Le [1 Le ministre compétent ou le fonctionnaire du Service public fédéral Sécurité sociale]1 qu'il désigne peut, dans des cas dignes d'intérêt, accorder dispense de la condition d'être attributaire d'au moins six allocations forfaitaires mensuelles, prévue aux articles 55, alinéa 4, 56, § 1er, alinéa 1er, 3°, 56bis , § 1er, 56quater , alinéa 1er, 2°, 56decies , § 1er, 56undecies , alinéa 2, ou 57, alinéa 2, si le [1 travailleur salarié ou indépendant]1 a satisfait aux conditions pour prétendre à au moins une allocation forfaitaire mensuelle en vertu [1 de la présente loi]1 au cours des cinq ans qui précèdent immédiatement l'événement visé dans ces articles.)
(Le [1 ministre compétent]1 à la même compétence en ce qui concerne des catégories de cas dignes d'intérêt. Il demande dans ce cas l'avis préalable du Comité de gestion de [1 FAMIFED]1.)
Art. 58. Voor de toepassing van de artikelen 56bis, 56quater, 56quinquies, §§ 2 en 3 en (56sexies, § 2), wordt de afwezigverklaring overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, gelijkgesteld met het overlijden.
(Voor de toepassing van de artikelen 56bis en 56quater moet de afwezigverklaarde ouder of echtgenoot in de loop van de twaalf maanden die onmiddellijk voorafgaan aan de feitelijke afwezigheid vastgesteld in het getuigenverhoor bevolen bij toepassing van artikel 116 van het Burgerlijk Wetboek, de voorwaarden hebben vervuld om aanspraak te maken op minstens zes maandelijkse forfaitaire bijslagen krachtens [1 deze wet]1.)
Art. 58. Pour l'application des articles 56bis, 56quater, 56quinquies, §§ 2 et 3 et (56sexies, § 2,) la déclaration d'absence conforme aux dispositions du Code civil, est assimilée au décès.
(Pour l'application des articles 56bis et 56quater, le parent ou le conjoint déclaré absent doit avoir satisfait aux conditions pour prétendre à au moins six allocations forfaitaires mensuelles en vertu [1 de la présente loi]1, au cours des douze mois précédant immédiatement l'absence de fait constatée dans l'enquête ordonnée en application de l'article 116 du Code civil.)
Art. 59. [1 Het voordeel van de bepalingen betreffende de werknemers bepaald bij deze wet kan niet worden ingeroepen door de personen die in hoofdzaak een ander beroep uitoefenen dan dat van werknemer, verbonden door een arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in deze wet.
Voor de toepassing van deze wet wordt een deeltijdse werknemer geacht hoofdzakelijk de hoedanigheid van werknemer te hebben wanneer de contractueel bepaalde gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de betrokken werknemer ten minste de helft bedraagt van de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de referentiepersoon.
Voor de bepaling van het hoofdzakelijk uitgeoefend beroep wordt rekening gehouden met de periodes die worden gelijkgesteld krachtens artikel 53.
De Koning kan voor bepaalde categorieën werknemers bijzondere regels bepalen.]1

Art. 59. [1 Le bénéfice des dispositions relatives aux travailleurs salariés prévues par la présente loi ne peut pas être invoqué par les personnes qui exercent à titre principal une profession autre que celle de travailleur lié par un contrat de travail visé par ladite loi.
Pour l'application de la présente loi, un travailleur salarié à temps partiel est considéré comme ayant à titre principal la qualité de travailleur salarié lorsque la durée hebdomadaire de travail moyenne contractuelle du travailleur équivaut à la moitié au moins de la durée hebdomadaire de travail moyenne de la personne de référence.
Pour la détermination de la profession exercée à titre principal, il est tenu compte des périodes assimilées en vertu de l'article 53.
Le Roi peut fixer des règles spéciales pour certaines catégories de travailleurs salariés.]1

Art. 60. § 1. Onverminderd de in Belgïe geldende bepalingen van internationale overeenkomsten inzake sociale zekerheid, wordt het bedrag van de gezinsbijslag verminderd met het bedrag van de uitkeringen van dezelfde aard waarop ten behoeve van een rechtgevend kind aanspraak kan worden gemaakt bij toepassing van andere buitenlandse wets - of reglementsbepalingen of krachtens regelen van toepassing op het personeel van een volkenrechtelijke instelling, zelfs indien de toekenning van deze uitkeringen op grond van voormelde bepalingen of regelen als aanvullend wordt aangemerkt met betrekking tot de gezinsbijslag verleend bij toepassing van [1 deze wet]1.
(Die vermindering wordt niet toegepast indien ten behoeve van een rechtgevend kind aanspraak kan worden gemaakt op uitkeringen van dezelfde aard krachtens statutaire regelen die van toepassing zijn op de ambtenaren en andere agenten van de Europese Gemeenschappen.
De Koning bepaalt de volkenrechtelijke instellingen wier statutaire regelen die op hun personeel van toepassing zijn, kunnen worden gelijkgesteld met de statutaire regelen bedoeld in het vorige lid.)
§ 2. [1 ...]1.
§ 3. [1 ...]1.
Art. 60. § 1. Sans préjudice des dispositions des conventions internationales de sécurité sociale en vigueur en Belgique, le montant des prestations familiales est réduit à concurrence du montant des prestations de même nature auxquelles il peut être prétendu en faveur d'un enfant bénéficiaire en application d'autres dispositions légales ou réglementaires étrangères ou en vertu des règles applicables au personnel d'une institution de droit international public, même si, l'octroi de ces prestations est qualifié de complémentaire en vertu des dispositions et des règles précitées par rapport aux prestations familiales accordées en application [1 de la présente loi]1.
(Ladite réduction ne s'applique pas lorsqu'il peut être prétendu à des prestations de même nature en faveur d'un enfant bénéficiaire en vertu des règles statutaires applicables aux fonctionnaires et autres agents des Communautés européennes.
Le Roi détermine les institutions de droit international public dont les règles statutaires applicables à leur personnel peuvent être assimilées aux règles statutaires visées à l'alinéa précédent.)
§ 2. [1 ...]1.
§ 3. [1 ...]1.
Art.60_WAALS_GEWEST.
§ 1. Onverminderd de in Belgïe geldende bepalingen van internationale overeenkomsten inzake sociale zekerheid, wordt het bedrag van de gezinsbijslag verminderd met het bedrag van de uitkeringen van dezelfde aard waarop ten behoeve van een rechtgevend kind aanspraak kan worden gemaakt bij toepassing van andere buitenlandse wets - of reglementsbepalingen of krachtens regelen van toepassing op het personeel van een volkenrechtelijke instelling, zelfs indien de toekenning van deze uitkeringen op grond van voormelde bepalingen of regelen als aanvullend wordt aangemerkt met betrekking tot de gezinsbijslag verleend bij toepassing van [1 deze wet]1.
[2 ...]2
§ 2. [1 ...]1.
§ 3. [1 ...]1.
Art.60_REGION_WALLONNE.
§ 1. Sans préjudice des dispositions des conventions internationales de sécurité sociale en vigueur en Belgique, le montant des prestations familiales est réduit à concurrence du montant des prestations de même nature auxquelles il peut être prétendu en faveur d'un enfant bénéficiaire en application d'autres dispositions légales ou réglementaires étrangères ou en vertu des règles applicables au personnel d'une institution de droit international public, même si, l'octroi de ces prestations est qualifié de complémentaire en vertu des dispositions et des règles précitées par rapport aux prestations familiales accordées en application [1 de la présente loi]1.
[2 ...]2
§ 2. [1 ...]1.
§ 3. [1 ...]1.
Art. 61. (opgeheven)
Art. 61. (Abroge)
Art. 62. § 1. De kinderbijslag wordt ten behoeve van het kind toegekend tot 31 augustus van het kalenderjaar in de loop waarvan het de leeftijd van 18 jaar bereikt.
De Koning kan, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, de toekenning van de in het eerste lid bedoelde kinderbijslag afhankelijk maken van de inschrijving in een schoolinrichting.
§ 2. Onverminderd de bepalingen van § 1, wordt de kinderbijslag toegekend tot 25 jaar ten behoeve van de leerjongen of het leermeisje onder de door de Koning bepaalde voorwaarden.
De Koning kan eveneens bepalen tijdens welke periodes en onder welke voorwaarden het recht op kinderbijslag wordt toegekend ten behoeve van de leerling, wanneer de leerovereenkomst of verbintenis verbroken wordt of het voorwerp is van een weigering of van een intrekking van de erkenning.
§ 3. (Onverminderd de bepalingen van § 1, wordt de kinderbijslag onder de door de Koning bepaalde voorwaarden verleend tot 25 jaar ten behoeve van het kind dat onderwijs volgt of een stage vervult om in een ambt te kunnen worden benoemd.
Onverminderd de bepalingen van § 1, kan de Koning, onder de voorwaarden die Hij vaststelt, bepalen dat kinderbijslag wordt verleend tot 25 jaar ten behoeve van het kind dat een vorming doorloopt waarvoor in het " bachelor-master "-systeem studiepunten worden toegekend en geen lessen dienen te worden gevolgd. Hij bepaalt de vormingen die in aanmerking komen.)
De Koning bepaalt eveneens onder welke voorwaarden de uitoefening van een winstgevende bedrijvigheid geen beletsel is voor de toepassing van deze paragraaf.
§ 4. Onverminderd de bepalingen van § 1, wordt de kinderbijslag verleend ten behoeve van het kind van minder dan 25 jaar (...) en dat regelmatig een verhandeling bij het einde van hogere studiën, voorbereidt. De Koning bepaalt onder welke voorwaarden en gedurende welke periode die kinderbijslag wordt toegekend.
§ 5. Onverminderd de bepalingen van § 1, wordt de kinderbijslag toegekend tot de leeftijd van 25 jaar ten voordele van het niet meer leerplichtige kind dat ingeschreven is als werkzoekende en studies of een leertijd beëindigd heeft; de Koning bepaalt de periode en de toekenningsvoorwaarden van deze kinderbijslag.
(§ 6. Voor de toepassing van [2 deze wet]2 wordt vrijwilligerswerk in de zin van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers niet beschouwd als een winstgevende activiteit. De vergoedingen in de zin van artikel 10 van voormelde wet worden niet beschouwd als een inkomen, een winst, een brutoloon of een sociale uitkering, voorzover het vrijwilligerswerk zijn onbezoldigd karakter niet verliest overeenkomstig hetzelfde artikel van dezelfde wet.)
(§ 7. Voor de toepassing van [2 deze wet]2 wordt het verrichten van een vrijwillige dienst van collectief nut in de zin van de wet van 11 april 2003 tot instelling van een vrijwillige dienst van collectief nut niet beschouwd als een winstgevende activiteit. De soldij in de zin van artikel 5, § 3, van voormelde wet wordt niet beschouwd als een inkomen, een winst, een brutoloon of een sociale uitkering.)
[1 § 8. Voor de toepassing van [2 deze wet]2 wordt het verrichten van een vrijwillige militaire inzet in de zin van de wet van 10 januari 2010 tot instelling van de vrijwillige militaire inzet en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het militair personeel, tot de eerste dag [3 van de achtste kalenderweek die volgt op de week]3 tijdens dewelke de militair de in artikel 21, tweede lid, van voormelde wet bedoelde dienstneming aangaat, niet beschouwd als een winstgevende activiteit. De voordelen bedoeld in artikel 50, tweede lid, van voormelde wet worden niet beschouwd als een inkomen, een winst, een brutoloon of een sociale uitkering.]1
[2 § 9. Het recht op kinderbijslag wordt verlengd ten gunste van het verdwenen kind, overeenkomstig de volgende bepalingen :
1° onder verdwenen kind moet worden verstaan het kind dat onvrijwillig niet langer op zijn verblijfplaats is, waarvan men geen nieuws heeft, behalve wanneer blijkt dat dit kind, naar alle waarschijnlijkheid, overleden is in omstandigheden zoals ongevallen of rampen, zelfs indien het lichaam niet is teruggevonden. De verdwijning kan bewezen worden met alle rechtsmiddelen. Het kind dat door één van de ouders is meegenomen, wordt niet als verdwenen kind beschouwd;
2° op het moment van de verdwijning moet het kind rechtgevend zijn in de zin van artikel 62, §§ 1 tot en met 5, of artikel 63;
3° de kinderbijslag wordt hoogstens gedurende vijf jaar toegekend te rekenen vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand van de verdwijning van het kind, voor zover het niet de leeftijd van 25 jaar of van 21 jaar heeft bereikt, indien het rechtgevend was krachtens artikel 63;
4° het recht op kinderbijslag ten gunste van het verdwenen kind dooft uit op het einde van de maand waarin het kind is teruggevonden, tenzij wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 62, §§ 1 tot 5, of artikel 63.]2

Art. 62. § 1. Les allocations familiales sont accordées en faveur de l'enfant jusqu'au 31 août de l'année civile au cours de laquelle il atteint l'âge de 18 ans.
Le Roi peut, dans les conditions qu'il détermine, lier l'octroi des allocations familiales visées à l'alinéa 1er à l'inscription scolaire.
§ 2. Sans préjudice des dispositions du § 1 les allocations familiales sont accordées jusqu'à l'âge de 25 ans en faveur de l'apprenti dans les conditions fixées par le Roi.
Le Roi peut également déterminer les périodes et les conditions d'octroi du droit aux allocations familiales en faveur de l'apprenti lorsque le contrat ou l'engagement d'apprentissage est rompu ou fait l'objet d'un refus ou d'un retrait d'agréation.
§ 3. (Sans préjudice des dispositions du § 1er, les allocations familiales sont accordées jusqu'à l'âge de 25 ans, dans les conditions déterminées par le Roi, en faveur de l'enfant qui suit un enseignement ou qui effectue un stage pour pouvoir être nommé à une charge.
Sans préjudice des dispositions du § 1er, le Roi peut, dans les conditions qu'Il fixe, déterminer que les allocations familiales sont accordées jusqu'à l'âge de 25 ans en faveur de l'enfant qui est engagé dans une formation pour laquelle des crédits sont octroyés dans le système " bachelor-master " et pour laquelle aucun cours ne doit être suivi. Il détermine les formations à prendre en considération.)
Le Roi détermine également dans quelles conditions l'exercice d'une activité lucrative ne fait pas obstacle à l'application du présent paragraphe.
§ 4. Sans préjudice des dispositions du § 1, les allocations familiales sont accordées en faveur de l'enfant âgé de moins de 25 ans (...) qui prépare régulièrement un mémoire de fin d'études supérieures. Le Roi détermine les conditions et la période durant laquelle lesdites allocations familiales sont accordées.
§ 5. Sans préjudice des dispositions du § 1, les allocations familiales sont accordées jusqu'à l'âge de 25 ans en faveur de l'enfant n'étant plus soumis à l'obligation scolaire, inscrit comme demandeur d'emploi et qui a terminé des études ou un apprentissage; le Roi détermine la période et les conditions d'octroi desdites allocations familiales.
(§ 6. Pour l'application [2 de la présente loi]2, le volontariat au sens de la loi du 3 juillet 2005 relative aux droits des volontaires n'est pas considéré comme une activité lucrative. Les indemnités au sens de l'article 10 de la loi précitée ne sont pas considérées comme un revenu, un bénéfice, une rémunération brute ou une prestation sociale, pour autant que le volontariat ne perde pas son caractère non rémunéré conformément au même article de la même loi.)
(§ 7. Pour l'application [2 de la présente loi]2, l'exercice d'un service volontaire d'utilité collective au sens de la loi du 11 avril 2003 instituant un service volontaire d'utilité collective n'est pas considéré comme une activité lucrative. La solde au sens de l'article 5, § 3, de la loi précitée n'est pas considérée comme un revenu, un bénéfice, une rémunération brute ou une prestation sociale.)
[1 § 8. Pour l'application [2 de la présente loi]2, l'exercice d'un engagement volontaire militaire au sens de la loi du 10 janvier 2010 instituant l'engagement volontaire militaire et modifiant diverses lois applicables au personnel militaire, jusqu'au premier jour [3 de la huitième semaine calendrier qui suit la semaine au cours de laquelle]3 le militaire souscrit l'engagement visé à l'article 21, alinéa 2, de la loi précitée, n'est pas considéré comme une activité lucrative. Les avantages visés à l'article 50, alinéa 2, de la loi précitée ne sont pas considérés comme un revenu, un bénéfice, une rémunération brute ou une prestation sociale.]1
[2 § 9. Le droit aux allocations familiales est prolongé en faveur de l'enfant disparu, conformément aux dispositions suivantes :
1° par enfant disparu, il y a lieu d'entendre l'enfant qui a involontairement cessé d'être présent au lieu de sa résidence, dont on est sans nouvelles, sauf s'il apparaît que cet enfant est, selon toutes probabilités, décédé dans des circonstances telles que des accidents ou catastrophes, même si son corps n'a pas été retrouvé. La disparition peut être établie par toute voie de droit. N'est toutefois pas considéré comme disparu l'enfant enlevé par l'un de ses parents;
2° au moment de sa disparition, l'enfant doit avoir la qualité de bénéficiaire au sens de l'article 62, §§ 1er à 5, ou de l'article 63;
3° les allocations familiales sont accordées pendant cinq ans au maximum à partir du premier jour du mois qui suit le mois de la disparition de l'enfant aussi longtemps que celui-ci n'a pas atteint l'âge de 25 ans ou de 21 ans, s'il était bénéficiaire en vertu de l'article 63;
4° le droit aux allocations familiales de l'enfant disparu s'éteint à la fin du mois au cours duquel il est retrouvé, à moins qu'il soit satisfait aux conditions de l'article 62, §§ 1er à 5 ou de l'article 63.]2

Art. 63. § 1. De kinderbijslag wordt tot de leeftijd van 21 jaar toegekend ten behoeve van het kind dat geboren is uiterlijk op (31 december 1992) en getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct (en dit bij wijze van overgangsmaatregel).
De Koning bepaalt door wie, volgens welke criteria en op welke wijze de lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid van het kind wordt vastgesteld, alsmede de voorwaarden waaraan het kind moet voldoen.
De vaststelling van de lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid kan worden herzien onder de voorwaarden bepaald door de Koning.
§ 2. De kinderbijslag wordt tot de leeftijd van 21 jaar toegekend ten behoeve van het kind dat (...) een aandoening heeft die gevolgen heeft voor hemzelf, op het vlak van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of op het vlak van de activiteit en de participatie, of voor zijn familiale omgeving.
De Koning bepaalt door wie, volgens welke criteria en op welke wijze de gevolgen van de aandoening bedoeld in het eerste lid worden vastgesteld, alsmede de voorwaarden waaraan het kind moet voldoen.
De vaststelling van de gevolgen van de aandoening kan worden herzien onder de voorwaarden bepaald door de Koning.
§ 3. (De Koning kan), bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen onder welke voorwaarden en voor welke periode het kind, dat geboren is na 1 januari 1996, de kinderbijslag geniet met toepassing van § 1.
§ 4. (De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen onder welke voorwaarden en voor welke periode het kind, dat geboren is na 31 december 1992 en uiterlijk op 1 januari 1996, de kinderbijslag geniet met toepassing van § 1.)
Art. 63. § 1er. Les allocations familiales sont accordées jusqu'à l'âge de 21 ans en faveur de l'enfant qui est né au plus tard le (31 décembre 1992) et qui est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 p.c. au moins (et ce à titre de mesure transitoire).
Le Roi détermine par qui, selon quels critères et de quelle manière l'incapacité physique et mentale de l'enfant est constatée, ainsi que les conditions auxquelles l'enfant doit satisfaire.
La constatation de l'incapacité physique ou mentale peut faire l'objet d'une révision dans les conditions déterminées par le Roi.
§ 2. Les allocations familiales sont accordées jusqu'à l'âge de 21 ans en faveur de l'enfant (...) qui est atteint d'une affection qui a des conséquences pour lui sur le plan de l'incapacité physique ou mentale ou sur le plan de l'activité et de la participation, ou pour son entourage familial.
Le Roi détermine par qui, selon quels critères et de quelle manière les conséquences de l'affection visées à l'alinéa 1er sont constatées ainsi que les conditions auxquelles l'enfant doit satisfaire.
La constatation des conséquences de l'affection peut faire l'objet d'une révision dans les conditions déterminées par le Roi.
§ 3. (Le Roi) peut par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, déterminer sous quelles conditions et pour quelle période l'enfant, qui est né après le 1er janvier 1996, bénéficie des allocations familiales par application du § 1er.
§ 4. (Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, déterminer sous quelles conditions et pour quelle période l'enfant, qui est né après le 31 décembre 1992 et au plus tard le 1er janvier 1996, bénéficie des allocations familiales par application du § 1er.)
Art. 63bis. (opgeheven)
Art. 63bis. (abrogé)
SECTIE III. _ (GEVAL, WAARIN DE TEKSTEN DE TOEKENNING VOORZIEN VAN DEN KINDERBIJSLAG AAN MEER DAN EEN PERSOON WEGENS DEZELFDE KINDEREN)
SECTION 3_ (De l'éventualité où les textes prévoient l'attribution d'allocations familiales à plus d'une personne en faveur des mêmes enfants.)
Art. 64. § 1. (De wees bedoeld) in artikel 56bis (en 56quinquies, § 2) oefent zijn recht uit bij voorrang.
§ 1bis. (opgeheven)
§ 2. Wanneer verscheidene rechthebbenden anderen dan deze (bedoeld in §§ 1) krachtens [2 deze wet]2 aanspraak kunnen maken op kinderbijslag ten behoeve van eenzelfde kind, wordt het recht op die bijslag bij voorrang vastgesteld :
A. 1° in hoofde van de rechthebbende die het kind bij zich opvoedt of het uitsluitend of hoofdzakelijk op zijn kosten laat opvoeden in een inrichting voor onderwijs, opvoeding of verpleging of bij een particulier (die geen rechthebbende is volgens [2 deze wet]2) of aan de rechthebbende bedoeld in (artikel 51, § 3, 3°, tweede zin; (, indien deze laatste de voorrangsgerechtigde rechthebbende was op het ogenblik van de plaatsing.))
het recht blijft vastgesteld in hoofde van de rechthebbende bedoeld in A, 1°, eerste lid, indien deze rechthebbende in een verplegingsinrichting verblijft of aanspraak maakt op gezinsbijslag bij toepassing van (artikel 53, § 1, 4° en § 2.)
De rechthebbende die het kind laat opvoeden in een inrichting of bij een particulier zoals bedoeld in A, 1°, eerste lid, wordt geacht tot bewijs van het tegendeel uitsluitend of hoofdzakelijk de verblijfkosten van dit kind in die inrichting of bij die particulier te dragen.
2° wanneer meer dan één rechthebbende het kind bij zich opvoeden, in hoofde van deze rechthebbenden en in de volgende orde :
a) [1 in hoofde van de vader, de moeder, stiefvader, stiefmoeder. In geval van volle adoptie van het kind door personen van hetzelfde geslacht of in geval van volle adoptie door één persoon van het kind of het adoptiefkind van zijn echtgenoot of samenwonende van hetzelfde geslacht [3 of in geval van toepassing van de wet van 5 mei 2014 houdende de vaststelling van de afstamming van de meemoeder]3, wordt het recht op kinderbijslag bij voorrang vastgesteld uit hoofde van de oudste van de verwanten in de eerste graad.]1
b) in hoofde van de oudste van de andere rechthebbenden bij ontstentenis van dezen bedoeld onder a van deze.
Zijn verscheidene rechthebbenden even oud, dan wijzen zij de voorrangsgerechtigde aan, zoniet wordt de voorrang gegeven aan de eerste aanvrager.
(Wanneer de twee ouders, die niet samenwonen, het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen in de zin van artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek, over een kind dat bij één van hen wordt opgevoed, worden zij beiden geacht het kind bij zich op te voeden. Dit vermoeden blijft van toepassing wanneer het kind het gezin van één van de ouders verlaat, ten gevolge van een plaatsing in een instelling overeenkomstig artikel 70. Het blijft eveneens van toepassing indien de scheiding na een dergelijke plaatsing gebeurt, op voorwaarde dat het ouderlijk gezag gezamenlijk blijft.)
B. (Wanneer geen rechthebbende de voorwaarde vervult bepaald in A, 1°:
1° in hoofde van de rechthebbende eveneens bijslagtrekkende voor het derde van de kinderbijslag of van de rechthebbende waarmee de bijslagtrekkende voor het derde van de kinderbijslag (een feitelijk gezin vormt volgens de vereisten van artikel 51, § 3, tweede lid, wanneer het rechtgevende kind in een instelling geplaatst is overeenkomstig het artikel 70 en op voorwaarde dat die rechthebbende niet van hetzelfde gezin deel uitmaakt als de rechthebbende aangewezen volgens de orde bepaald in A, 2°, a en b;
2° in hoofde van diegene van deze rechthebbenden aangewezen volgens de orde bepaald in A, 2°, a en b;)
(§ 2bis. Wanneer er verscheidene rechthebbenden met een residuair recht zijn ten behoeve van eenzelfde kind krachtens [2 deze wet]2, wordt het recht op kinderbijslag bij voorrang vastgesteld in hoofde van de rechthebbende aangewezen volgens de orde bepaald in § 2, A, 2°, a) en b), tenzij op grond van andere bepalingen van [2 deze wet]2 een voorrang kan worden vastgesteld.)
(§ 3. Onverminderd artikel 66, heeft elke verandering van voorrangsgerechtigde rechthebbende in de loop van een trimester uitwerking op de eerste dag van het volgende trimester.)
(Na een verandering van voorrangsgerechtigde rechthebbende worden de toekenning of het verlies van het bedrag bedoeld in artikel 50bis en de toekenning van de bijslagen bedoeld in de artikelen 42bis en 50ter evenwel van kracht overeenkomstig (artikel 48, vierde lid).)
Art. 64. § 1er. (L'orphelin visé) à l'article 56bis (et 56quinquies, § 2) exerce son droit par priorité.
§ 1bis. (abrogé)
§ 2. Lorsqu'en vertu [2 de la présente loi]2, plusieurs attributaires autres que ceux (visés au § 1er) peuvent prétendre aux allocations familiales en faveur d'un même enfant, le droit à cette allocation est fixé par priorité :
A. 1° dans le chef de l'attributaire qui élève l'enfant chez lui ou qui le fait élever exclusivement ou principalement à ses frais dans une institution d'enseignement, d'éducation ou d'hospitalisation ou chez un particulier (non-attributaire conformément à [2 la présente loi]2) ou à l'attributaire visé à (l'article 51, § 3, 3°, deuxième phrase) (, si ce dernier était l'attributaire prioritaire au moment du placement.);
le droit reste fixé dans le chef de l'attributaire visé sous A, 1°, alinéa 1er, si cet attributaire est hospitalisé ou prétend aux prestations familiales en application de (l'article 53, § 1er, 4° et § 2).
L'attributaire qui fait élever l'enfant dans une institution ou chez un particulier comme prévu sous A, 1°, alinéa 1er, est présumé, jusqu'à preuve du contraire, supporter exclusivement ou principalement les frais de séjour de cet enfant dans ladite institution ou chez ce particulier.
2° lorsque plus d'un attributaire élèvent l'enfant chez eux, dans le chef de ces attributaires et dans l'ordre suivant :
a) [1 dans le chef des père, mère, beau-père, belle-mère. En cas d'adoption plénière de l'enfant par des personnes de même sexe ou en cas d'adoption plénière par une personne de l'enfant ou de l'enfant adoptif de son conjoint ou cohabitant de même sexe [3 ou en cas d'application de la loi du 5 mai 2014 portant établissement de la filiation de la coparente]3, le droit aux allocations familiales est fixé par priorité dans le chef du plus âgé des parents au premier degré.]1
b) dans le chef du plus âgé des autres attributaires, ceux mentionnés sous à faisant défaut.
Lorsqu'il y a plusieurs attributaires du même âge, ils désignent eux-mêmes le titulaire de la priorité, sinon la priorité est donnée au premier demandeur.
(Lorsque les deux parents, qui ne cohabitent pas, exercent conjointement l'autorité parentale au sens de l'article 374 du Code civil, à l'égard d'un enfant élevé chez l'un d'entre eux, ils sont considérés l'un et l'autre comme élevant l'enfant chez eux. Cette présomption continue à s'appliquer lorsque l'enfant quitte le ménage de l'un des parents, suite à un placement en institution conformément à l'article 70. Elle s'applique également si la séparation intervient après un tel placement, à condition que l'autorité parentale demeure conjointe.)
B. (Lorsque aucun des attributaires ne remplit la condition prévue sous A, 1°:
1° dans le chef de l'attributaire également allocataire pour le tiers des allocations familiales, ou dans le chef de l'attributaire avec qui l'allocataire pour le tiers des allocations familiales (forme un ménage de fait, aux conditions fixées par l'article 51, § 3, alinéa 2), lorsque l'enfant bénéficiaire est place dans une institution conformément à l'article 70 et à condition que cet attributaire ne fasse pas partie du même ménage que l'attributaire désigné selon l'ordre prévu sous A, 2°, a et b;
2° dans le chef de celui de ces attributaires désigné selon l'ordre prévu sous A, 2°, a et b;)
(§ 2bis. Lorsqu'il y a plusieurs attributaires avec un droit résiduaire en faveur du même enfant en vertu [2 de la présente loi]2, le droit aux allocations familiales est fixé par priorité dans le chef de l'attributaire désigne selon l'ordre prévu sous le § 2, A, 2°, a) et b), à moins qu'une priorité puisse être fixée sur base d'autres dispositions de [2 la présente loi]2.)
(§ 3. Sans préjudice de l'article 66, tout changement d'attributaire prioritaire dans le courant d'un trimestre produit ses effets le premier jour du trimestre qui suit.)
(Toutefois, à la suite du changement de l'attributaire prioritaire, l'octroi ou la perte du taux visé à l'article 50bis et l'octroi des suppléments visés aux articles 42bis et 50ter produisent leurs effets conformément à (l'article 48, alinéa 4).)
Art. 65. (Opgeheven)
Art. 65. (abrogé)
Art. 66. (De voorrangsgerechtigde rechthebbende bij toepassing van artikel 64 kan, indien hij van oordeel is dat het in het belang van het kind is, ermee instemmen dat een rechthebbende die overeenkomstig voormeld artikel de voorrang niet heeft, de voorrang verkrijgt voor een bepaalde of een onbepaalde duur. De voorrang kan afgestaan worden aan een rechthebbende die deel uitmaakt van het gezin van het kind, op voorwaarde dat het gaat om [2 een ouder, een stiefouder]2 of een persoon waarmee [2 een ouder]2 een feitelijk gezin vormt in de zin van artikel 56bis, § 2. Indien deze rechthebbenden, waaronder zich eventueel de voorrangsgerechtigde rechthebbende bij toepassing van artikel 64 bevindt, geen deel uitmaken van het gezin van het kind, kan de voorrang worden afgestaan aan een andere rechthebbende die deel uitmaakt van dit gezin. Herroeping is alleen mogelijk in het belang van het kind.)
(De in het eerste lid bedoelde wijziging van voorrang heeft uitwerking overeenkomstig artikel 64, § 3. De wijziging van voorrang heeft evenwel op het verzoek van de voorrangsgerechtigde rechthebbende bij toepassing van artikel 64 uitwerking op een vroegere datum dan de datum bepaald overeenkomstig artikel 64, § 3, op voorwaarde dat de wijziging van voorrang een hoger bedrag aan kinderbijslag tot gevolg heeft.)
(In afwijking van de vorige leden kan de[1 bevoegde minister of de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid]1 die hij aanduidt), in het belang van het kind, (in individuele gevallen) de voorrangsgerechtigde aanwijzen en de aanvangsdatum van het voorrangsrecht bepalen.)
([1 bevoegde minister]1 heeft dezelfde bevoegdheid inzake categorieën van gevallen. Hij dient dan wel vooraf het advies van het Beheerscomité van de [1 FAMIFED]1 in te winnen.)
Alle vóór 1 januari 1983 voor een bepaalbare termijn gedane afstanden van voorrang worden geacht gedaan te zijn voor onbepaalde tijd.
[1 Alle afwijkingen van de rangorde van rechthebbenden waartoe de minister van Middenstand in individuele gevallen heeft beslist krachtens artikel 13, § 3, van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen, blijven van kracht voor zover de rechthebbende die werd aangewezen door artikel 13, §§ 1 en 2, van voormeld koninklijk besluit, de voorrangsgerechtigde rechthebbende blijft overeenkomstig deze wet.]1
Art. 66. <30-12-1982, art. 13> (L'attributaire prioritaire en application de l'article 64, peut donner son accord pour que l'attributaire qui n'est pas prioritaire en application dudit article obtienne la priorité pour une durée déterminée ou indéterminée, s'il estime que c'est dans l'intérêt de l'enfant. La priorité peut être cédée à un attributaire qui fait partie du ménage de l'enfant à la condition qu'il s'agisse [2 d'un parent, un beau-parent]2 ou d'une personne avec laquelle [2 un parent]2 forme un ménage de fait au sens de l'article 56bis, § 2. Si ces attributaires, parmi lesquels éventuellement l'attributaire prioritaire en application de l'article 64, ne font pas partie du ménage de l'enfant, la priorité peut être cédée à un autre attributaire qui fait partie de ce ménage. Cet accord ne peut être dénoncé que dans l'intérêt de l'enfant.)
(Le changement de priorité visé à l'alinéa 1er produit ses effets conformément à l'article 64, § 3. Toutefois, à la demande de l'attributaire prioritaire en application de l'article 64, le changement de priorité produit ses effets à une date antérieure à celle déterminée conformément à l'article 64, § 3, à condition que le changement de priorité implique un montant d'allocations familiales plus élevé.)
(Par dérogation aux alinéas précédents, le [1 ministre compétent ou le fonctionnaire du Service public fédéral Sécurité sociale]1 qu'il désigne) peut, dans l'intérêt de l'enfant, (dans des cas individuels,) désigner le titulaire prioritaire et déterminer la prise de cours du droit prioritaire.) L 1999-01-25/32, art. 18, 042; En vigueur : 06-02-1999> L 1999-12-24/36, art. 136, 045; En vigueur : 10-01-2000>
(Le [1 ministre compétent]1 à la même compétence en ce qui concerne des catégories de cas. Il demande dans ce cas l'avis préalable du Comité de gestion de [1 FAMIFED]1.)
Toutes les cessions de priorité accordées avant le 1er janvier 1983 pour un terme déterminable sont censées être faites pour une durée indéterminée.
[1 Toutes les dérogations à l'ordre des attributaires décidées par le ministre des Classes moyennes dans des cas individuels en vertu de l'article 13, § 3, de l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants, restent valables pour autant que l'attributaire désigné conformément à l'article 13, §§ 1er et 2, de l'arrêté précité reste l'attributaire prioritaire dans le cadre de la présente loi.]1
Art. 67. (opgeheven)
Art. 67. (Abrogé)
SECTIE IV. _ PERSONEN AAN WIE VERGOEDINGEN WERKELIJK UITBETAALD WORDEN EN VOORWAARDEN WAARONDER DE UITKERING GESCHIEDT.
SECTION 4_ Des personnes auxquelles les allocations sont effectivement payées et des conditions dans lesquelles a lieu le paiement.
Art. 68. [1 Onverminderd de bepalingen van artikel 69, § 1/1, worden de kinderbijslag, het kraamgeld en de adoptiepremie rechtstreeks aan de in artikel 69 beoogde personen betaald.]1
(Wanneer het de persoon bedoeld in artikel 69 materieel onmogelijk is om de verschuldigde gezinsbijslag te ontvangen omdat hij zijn identiteit niet kan aantonen, dan wordt die in afwijking van de bepalingen van het eerste lid voor zijn rekening betaald aan de rechthebbende. De betaling verricht door de kinderbijslaginstelling is liberatoir voor zover de bijslagtrekkende, die in staat is gesteld om zijn identiteit aan te tonen, haar niet zijn wil om voortaan deze bijslag rechtstreeks te ontvangen schriftelijk betekende.
De gezinsbijslag wordt betaald per overschrijving op een rekening bij een kredietinstelling zoals gedefinieerd in artikel 1 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen. De gezinsbijslag wordt betaald per circulaire cheque als hij om technische of sociale redenen niet per overschrijving kan betaald worden.)
(leden opgeheven)
(al 6 opgeheven)
(al 7 opgeheven)
Art. 68. [1 Sans préjudice des dispositions de l'article 69, § 1/1, les allocations familiales, les allocations de naissance et les primes d'adoption sont payées directement aux personnes visées à l'article 69.]1
(Par dérogation aux dispositions de l'alinéa 1er, lorsque la personne visée à l'article 69 est dans l'impossibilité matérielle de percevoir les prestations familiales qui sont dues, en raison de ce qu'elle ne peut prouver son identité, celles-ci sont payées, pour son compte, entre les mains de l'attributaire. Le paiement réalisé par l'organisme d'allocations familiales est libératoire tant que l'allocataire, qui est en mesure de prouver son identité, ne lui a pas notifié par écrit sa volonté de percevoir dorénavant directement ces prestations.
Les prestations familiales sont payées par virement sur un compte auprès d'un établissement de crédit comme défini à l'article 1er de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit. Les prestations familiales sont payées par chèque circulaire si elles ne peuvent pas être payées par virement en raison de circonstances techniques ou sociales.)
(Al. abrogés)
(Al. abrogé)
(Al. abrogé)
Art. 69. § 1. [1 De kinderbijslag en het kraamgeld worden betaald aan de moeder. In geval van volle adoptie van het kind door twee personen van hetzelfde geslacht of in geval van volle adoptie door één persoon van het kind of het adoptiefkind van zijn echtgenoot of samenwonende van hetzelfde geslacht [4 of in geval van toepassing van de wet van 5 mei 2014 houdende de vaststelling van de afstamming van de meemoeder]4, wordt de kinderbijslag betaald aan de oudste van de verwanten in de eerste graad.]1
[1 Indien de persoon aan wie de kinderbijslag wordt betaald krachtens het eerste lid het kind niet daadwerkelijk opvoedt, wordt de kinderbijslag betaald aan de natuurlijke of rechtspersoon die deze rol vervult.]1
(Wanneer de twee ouders [1 van verschillend geslacht]1 die niet samenwonen het ouderlijke gezag gezamenlijk uitoefenen in de zin van artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek en het kind niet uitsluitend of hoofdzakelijk door een andere bijslagtrekkende wordt opgevoed, wordt de kinderbijslag volledig aan de moeder betaald. De kinderbijslag wordt echter volledig aan de vader betaald vanaf diens aanvraag, als het kind en hijzelf op die datum dezelfde hoofdverblijfplaats hebben in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
[1 Wanneer de twee ouders van hetzelfde geslacht die niet samenwonen het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen in de zin van artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek en het kind niet uitsluitend of hoofdzakelijk door een andere bijslagtrekkende wordt opgevoed, wordt de kinderbijslag volledig betaald aan de oudste onder de verwanten in de eerste graad. De kinderbijslag wordt echter volledig aan de andere verwante betaald vanaf zijn aanvraag, als het kind en hijzelf op die datum dezelfde hoofdverblijfplaats hebben in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.]1
Als een van de ouders de opportuniteit betwist van de betaling van de kinderbijslag op grond van de bepalingen [1 van het derde en het vierde lid]1, kan hij de [3 familierechtbank]3 vragen hemzelf als bijslagtrekkende aan te wijzen, in het belang van het kind. Die aanwijzing heeft uitwerking de eerste dag van de maand na de maand waarin de beslissing van de rechtbank betekend is aan de bevoegde kinderbijslaginstelling.
In de situaties bedoeld [1 in het derde en het vierde lid]1 kan de kinderbijslag op vraag van beide ouders gestort worden op een rekening waartoe ze beiden toegang hebben.)
De adoptiepremie wordt betaald aan de adoptant.
(Als echtgenoten of samenwonenden in de zin van artikel 343 van het Burgerlijk Wetboek het kind samen geadopteerd hebben, bepalen zij aan wie van beiden de adoptiepremie betaald wordt. In geval van betwisting of van niet-aanwijzing, wordt de premie uitbetaald aan de vrouwelijke adoptant indien de echtgenoten of samenwonenden van verschillend geslacht zijn of aan de oudste van de echtgenoten of de samenwonenden indien deze van hetzelfde geslacht zijn.)
[2 § 1/1. De vader die door artikel 31, § 1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen als bijslagtrekkende was aangeduid, verliest de hoedanigheid van bijslagtrekkende ten voordele van de moeder.
Om de continuïteit van de betaling te garanderen wordt de gezinsbijslag verder aan de vader betaald. De moeder kan echter verzoeken dat de gezinsbijslag rechtstreeks aan haar wordt betaald. Het verzoek vindt uitwerking vanaf de maand die volgt op de ontvangst ervan door de kinderbijslaginstelling.
De betalingen die het kinderbijslagfonds voorafgaand aan de uitwerking van dit verzoek aan de vader heeft gedaan, zijn bevrijdend.]2

§ 2. De kinderbijslag wordt aan het rechtgevend kind zelf uitbetaald :
a) als het gehuwd is;
b) (als het ontvoogd is of de leeftijd van 16 jaar bereikt heeft en niet bij de in § 1 bedoelde persoon woont. Aan deze laatste voorwaarde is voldaan door afzonderlijke hoofdverblijfplaatsen als bedoeld in artikel 3, 1e lid, 5° van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, of als met daartoe voorgelegde officiële documenten aangetoond wordt dat de gegevens in het Rijksregister niet of niet meer overeenstemmen met de realiteit;)
c) als het zelf bijslagtrekkende is voor één of meer van zijn kinderen.
Het kind bedoeld in deze paragraaf kan evenwel in zijn eigen belang een andere persoon als bijslagtrekkende aanwijzen, op voorwaarde dat die persoon met het kind verbonden is door verwantschap of aanverwantschap in de eerste graad. De verwantschap verworven door adoptie wordt in aanmerking genomen.
Het kind bedoeld in deze paragraaf is rechtsbekwaam om zelf als eiser of verweerder in rechte op te treden in de geschillen betreffende de rechten op kinderbijslag.
(§ 2bis. In afwijking van de §§ 1 en 2, bepaalt de Koning de persoon die kan aangeduid worden als bijslagtrekkende in het geval van een ontvoering van het kind. Hij bepaalt eveneens wat er moet verstaan worden onder ontvoering alsook de periode tijdens welke deze persoon bijslagtrekkende kan zijn.)
§ 3. [3 Zo het belang van het kind dit vereist, kan [4 een ouder]4, de adoptant, de pleegvoogd, de toeziende voogd, de curator, de bewindvoerder of de rechthebbende, naargelang het geval, overeenkomstig artikel 572bis, 14°, van het Gerechtelijk Wetboek of overeenkomstig artikel 594, 8° [5 en 9°]5, van hetzelfde Wetboek, verzet aantekenen tegen de betaling aan de persoon bedoeld in de §§ 1, 2 of 2bis. Het meerderjarig kind kan zich ook, overeenkomstig artikel 572bis, 14°, van hetzelfde Wetboek, verzetten tegen de betaling aan de persoon bedoeld in § 1 door zijn belang in te roepen.]3
[5 De veranderingen van bijslagtrekkende die het gevolg zijn van het verzet vermeld in artikel 31, § 3, van het koninklijk besluit houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen van 8 april 1976, blijven van kracht voor de toepassing van deze wet."]5
Art. 69. § 1er. [1 Les allocations familiales et de naissance sont payées à la mère. En cas d'adoption plénière de l'enfant par deux personnes de même sexe ou en cas d'adoption plénière par une personne de l'enfant ou de l'enfant adoptif de son conjoint ou cohabitant de même sexe [4 ou en cas d'application de la loi du 5 mai 2014 portant établissement de la filiation de la coparente]4, les allocations familiales sont payées au plus âgé des parents au premier degré.]1
[1 Si la personne à laquelle les allocations familiales sont payées en vertu de l'alinéa 1er n'élève pas effectivement l'enfant, les allocations familiales sont payées à la personne physique ou morale qui remplit ce rôle.]1
(Lorsque les deux parents [1 de sexe différent]1 qui ne cohabitent pas exercent conjointement l'autorité parentale au sens de l'article 374 du Code civil et que l'enfant n'est pas élevé exclusivement ou principalement par un autre allocataire, les allocations sont payées intégralement à la mère. Toutefois, les allocations familiales sont payées intégralement au père, à dater de sa demande, si l'enfant et lui-même ont, à cette date, la même résidence principale au sens de l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques.
[1 Lorsque les deux parents de même sexe qui ne cohabitent pas exercent conjointement l'autorité parentale au sens de l'article 374 du Code civil et que l'enfant n'est pas élevé exclusivement ou principalement par un autre allocataire, les allocations familiales sont payées intégralement au plus âgé des parents au premier degré. Toutefois, les allocations familiales sont payées intégralement à l'autre parent, à dater de sa demande, si l'enfant et lui-même ont, à cette date, la même résidence principale au sens de l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques.]1
Lorsque l'un des parents conteste l'opportunité du paiement des allocations familiales réalisé en vertu des dispositions [1 des alinéas 3 et 4,]1, il peut demander au [3 tribunal de la famille]3 de le désigner comme allocataire, dans l'intérêt de l'enfant. Cette désignation produit ses effets le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel la décision du tribunal est notifiée à l'organisme d'allocations familiales compétent.
Dans les situations visées [1 aux alinéas 3 et 4,]1, le versement des allocations familiales peut, à la demande des deux parents, être effectué sur un compte auquel ils ont l'un et l'autre accès.)
La prime d'adoption est payée à l'adoptant.
(Si les époux ou les cohabitants, au sens de l'article 343 du Code civil, ont adopté ensemble l'enfant, ils désignent celui d'entre eux à qui la prime d'adoption est payée. En cas de contestation ou de non-désignation, la prime est payée à l'adoptante si les époux ou les cohabitants sont de sexe différent, ou au plus âgé des époux ou des cohabitants lorsque ceux-ci sont de même sexe.)
[2 § 1/1. Le père désigné allocataire conformément à l'article 31, § 1er, alinéa 1er, 1°, de l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants perd la qualité d'allocataire au profit de la mère.
Afin de garantir la continuité des paiements les prestations familiales continuent à être payées au père. La mère peut néanmoins demander à ce que les allocations familiales lui soient directement payées. La demande prend effet le mois suivant sa réception par l'organisme d'allocations familiales.
Les paiements faits par la caisse d'allocations familiales au père avant prise d'effet de cette demande sont libératoires.]2

§ 2. Les allocations familiales sont payées à l'enfant bénéficiaire lui-même :
a) s'il est marié;
b) (s'il est émancipé ou a atteint l'âge de 16 ans et ne réside pas avec la personne visée au § 1er. Cette dernière condition est établie par des résidences principales séparées, au sens de l'article 3, alinéa 1er, 5° de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques ou par d'autres documents officiels produits à cet effet, attestant que l'information portée par le Registre ne correspond pas ou plus à la réalité;)
c) s'il est lui-même allocataire pour un ou plusieurs de ses enfants.
Toutefois, l'enfant visé dans le présent paragraphe peut désigner, dans son propre intérêt, une autre personne comme allocataire, à condition que celle-ci soit avec l'enfant dans un lien de parenté ou d'alliance au premier degré. La parenté acquise par adoption est prise en considération.
L'enfant visé dans le présent paragraphe est capable d'ester lui-même en justice comme demandeur ou défendeur dans les litiges relatifs aux droits aux allocations familiales.
(§ 2bis. Par dérogation aux §§ 1er et 2, le Roi détermine la personne qui peut être désignée comme allocataire en cas d'enlèvement de l'enfant. Il détermine également ce qu'il faut entendre par enlèvement de l'enfant ainsi que la période durant laquelle cette personne peut être allocataire.)
§ 3. [3 Si l'intérêt de l'enfant l'exige, [4 un parent]4, l'adoptant, le tuteur officieux, le tuteur, le curateur, l'administrateur ou l'attributaire, selon le cas, peut faire opposition au paiement à la personne visée aux §§ 1er, 2, ou 2bis, conformément à l'article 572bis, 14°, du Code judiciaire ou conformément à l'article 594, 8° [5 et 9°]5, du même Code. L'enfant majeur peut également faire opposition au paiement à la personne visée au § 1er, conformément à l'article 572bis, 14°, du même Code, en invoquant son intérêt.]3
[5 Les changements d'allocataire consécutifs à une opposition réalisée conformément à l'article 31, § 3, de l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants continuent à produire leurs effets pour l'application de la présente loi.]5
Art. 70. De kinderbijslag verschuldigd ten behoeve van een kind dat door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid geplaatst is in een instelling (...), wordt betaald ten belope van :
1° twee derden aan die instelling of de particulier, zonder dat dit gedeelte hoger mag zijn dan het bedrag dat de Koning kan vaststellen voor bepaalde categorieën van kinderen;
2° het saldo aan de natuurlijke persoon bedoeld bij artikel 69.
Indien de in het eerste lid, 2°, bedoelde persoon echter geldelijk dient bij te dragen in de onderhoudskosten van het kind, wordt zijn bijdrage verminderd met het bedrag van de overeenkomstig het eerste lid, 1°, gestorte kinderbijslag.
(In afwijking van het eerste lid wordt de kinderbijslag, verschuldigd ten behoeve van een kind dat met toepassing van de reglementering betreffende de jeugdbescherming in een instelling geplaatst is ten laste van de bevoegde overheid, ten belope van twee derden uitbetaald aan die overheid zonder dat dit gedeelte hoger mag zijn dan het bedrag dat de Koning kan vaststellen voor bepaalde catogorieën van kinderen.
Over de aanwending van het saldo ten behoeve van het kind wordt ambtshalve beslist, naar gelang van het geval :
1° door de jeugdrechthank die de plaatsing in een instelling heeft bevolen;
2° door de overheid, aangeduid door een Gemeenschap of door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, die tot die plaatsing heeft beslist, onverminderd het recht van de betrokkenen om zich bij verzoekschrift te wenden tot de jeugdrechthank van de hoofdverblijfplaats van de ouders, de voogden, de kinderen of diegenen die het kind onder hun bewaring hebben, in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.)
(al opgeheven)
Indien het belang van het geplaatste kind dit vordert, kan de jeugdrechter van de (hoofdverblijfplaats in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen) van de ouders, voogden of degenen die het kind onder hun bescherming hebben, hetzij van ambtswege, hetzij op eenvoudige vordering van een lid der familie en na de in het eerste lid bedoelde personen te hebben gehoord of opgeroepen, ofwel beslissen over de aanwending, ten bate van het kind, van het bedrag bepaald in het eerste lid, 2°, (...) ofwel voor dit kind een te allen tijde afzetbare bijzondere voogd aanstellen, gelast over dit bedrag te beschikken voor de behoeften van het kind.
Art. 70. Les allocations familiales dues en faveur d'un enfant placé par l'intermédiaire ou à charge d'une autorité publique dans une institution (...), sont payées à concurrence :
1° de deux tiers à l'institution ou au particulier, sans que cette part dépasse un montant que le Roi peut fixer pour certaines catégories d'enfants;
2° du solde à la personne physique visée à l'article 69.
Toutefois, si la personne visée à l'alinéa 1er, 2°, est tenue d'intervenir pécuniairement dans les frais d'entretien de l'enfant, le montant des allocations familiales versées conformément à l'alinéa 1er, 1°, est porté en déduction de son intervention.
(Par dérogation a l'alinéa 1er les allocations familiales dues en faveur d'un enfant placé, en application de la réglementation relative à la protection de la jeunesse, dans une institution à charge de l'autorité compétente, sont payées à concurrence de deux tiers à cette autorité, sans que cette part dépasse un montant que le Roi peut fixer pour certaines catégories d'enfants.
L'affectation du solde en faveur de l'enfant est décidée d'office, suivant le cas :
1° par le tribunal de la jeunesse qui a ordonné le placement dans une institution;
2° par 1' autorité, désignée par une Communauté ou par la Commission communautaire commune de Bruxelles-Capitale, qui a décidé ce placement, sans préjudice du droit des intéressés d'introduire une requête au tribunal de la jeunesse de la résidence principale des parents, tuteurs, enfants ou personnes qui ont la garde de l'enfant, au sens de l'article 3, alinéa 1", 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques.)
(Al. abrogé)
Si l'intérêt de l'enfant placé l'exige, le tribunal de la (résidence principale au sens de l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques) des parents, tuteurs ou personnes qui ont la garde de l'enfant peut, soit d'office soit sur simple réquisition d'un membre de la famille et après avoir entendu ou appelé les personnes visées à l'alinéa 1er, ou bien décider, en faveur de l'enfant, de l'emploi du montant visé à l'alinéa 1er, 2°, (...), ou bien désigner à l'enfant un tuteur ad hoc toujours révocable, chargé de disposer de cette somme pour les besoins de l'enfant.
Art. 70bis. Iedere in de loop van een maand intredende verandering van bijslagtrekkende in de zin van de artikelen 69 en 70 heeft uitwerking de eerste dag van de maand volgend op die waarin deze verandering heeft plaats gehad. (Als de verandering plaatsheeft op de eerste dag van een maand, heeft ze echter uitwerking vanaf die dag.)
(Indien kinderbijslag verschuldigd is aan een bijslagtrekkende in de zin van artikel 69 voor verschillende kinderen, waarvan sommigen geplaatst zijn overeenkomstig artikel 70 en anderen niet, worden de uitkeringen bedoeld in de artikelen 40 en de (bijslagen bedoeld in de artikelen 41, 42bis en 50ter) verdeeld onder deze bijslagtrekkende en de instelling of overheid bedoeld in artikel 70, naar verhouding tot het aantal kinderen opgevoed door ieder van hen.
De bijslagen bedoeld in de artikelen 44, (44bis, 44ter en 47) worden toegekend aan de bijslagtrekkende in de zin van de artikelen 69 en 70 die het kind opvoedt voor wie de bijslagen worden verleend.
[1 Wanneer het derde van de kinderbijslag verschuldigd aan het kind, geplaatst in de zin van artikel 70, gestort moet worden op een spaarrekening op zijn naam, wordt het bedrag van de kinderbijslag die voor dat kind is verschuldigd, vastgesteld alsof het deel uitmaakte van het gezin van de rechthebbende, in functie van zijn rang volgens de chronologische volgorde van de geboorten van de kinderen in dat gezin. De in artikel 40 bedoelde uitkeringen en de in de artikelen 41, 42bis en 50ter bedoelde bijslagen, worden onder de verschillende bijslagtrekkenden in de zin van de artikelen 69 en 70 verdeeld, naar verhouding van het aantal kinderen dat door ieder van hen wordt opgevoed terwijl de in de artikelen 44, 44bis, 44ter en 47 bedoelde bijslagen worden uitbetaald aan de bijslagtrekkende in de zin van de artikelen 69 en 70, die het kind opvoedt voor wie de uitkeringen worden verleend.]1
Art. 70bis. Tout changement d'allocataire, au sens des articles 69 et 70 intervenant dans le courant d'un mois, produit ses effets le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel ce changement a eu lieu. (Toutefois, lorsque le changement survient le premier jour d'un mois, ses effets prennent cours dès ce jour.)
(Lorsque les allocations familiales sont dues à un allocataire au sens de l'article 69 pour différents enfants, dont certains sont placés conformément à l'article 70 et d'autres pas, les allocations visées à l'article 40 et les (suppléments visés aux articles 41, 42bis et 50ter) sont répartis entre cet allocataire et l'institution ou autorité visée à l'article 70, proportionnellement au nombre d'enfants élevés par chacun d'eux.
Les suppléments visés aux articles 44, (44bis, 44ter et 47) sont payés à l'allocataire au sens des articles 69 et 70 qui élève l'enfant bénéficiaire de ces suppléments.
[1 Lorsque le tiers des allocations familiales dû en faveur de l'enfant placé au sens de l'article 70 doit être versé sur un compte d'épargne ouvert à son nom, le montant de l'allocation familiale dû en faveur de cet enfant est fixé, comme s'il faisait partie du ménage de l'attributaire, en fonction de son rang dans la chronologie des naissances des enfants de ce ménage. Les allocations visées à l'article 40 et les suppléments visés aux articles 41, 42bis et 50ter, sont répartis entre les différents allocataires, au sens des articles 69 et 70, proportionnellement au nombre d'enfants élevés par chacun d'entre eux tandis que les suppléments visés aux articles 44, 44bis, 44ter et 47 sont payées à l'allocataire, au sens des articles 69 et 70, qui élève l'enfant bénéficiaire de ces prestations.]1
Art.70bis_WAALS_GEWEST.
Iedere in de loop van een maand intredende verandering van bijslagtrekkende in de zin van de artikelen 69 en 70 heeft uitwerking de eerste dag van de maand volgend op die waarin deze verandering heeft plaats gehad. [2 ...]2
(Indien kinderbijslag verschuldigd is aan een bijslagtrekkende in de zin van artikel 69 voor verschillende kinderen, waarvan sommigen geplaatst zijn overeenkomstig artikel 70 en anderen niet, worden de uitkeringen bedoeld in de artikelen 40 en de (bijslagen bedoeld in de artikelen 41, 42bis en 50ter) verdeeld onder deze bijslagtrekkende en de instelling of overheid bedoeld in artikel 70, naar verhouding tot het aantal kinderen opgevoed door ieder van hen.
De bijslagen bedoeld in de artikelen 44, (44bis, 44ter en 47) worden toegekend aan de bijslagtrekkende in de zin van de artikelen 69 en 70 die het kind opvoedt voor wie de bijslagen worden verleend.
[1 Wanneer het derde van de kinderbijslag verschuldigd aan het kind, geplaatst in de zin van artikel 70, gestort moet worden op een spaarrekening op zijn naam, wordt het bedrag van de kinderbijslag die voor dat kind is verschuldigd, vastgesteld alsof het deel uitmaakte van het gezin van de rechthebbende, in functie van zijn rang volgens de chronologische volgorde van de geboorten van de kinderen in dat gezin. De in artikel 40 bedoelde uitkeringen en de in de artikelen 41, 42bis en 50ter bedoelde bijslagen, worden onder de verschillende bijslagtrekkenden in de zin van de artikelen 69 en 70 verdeeld, naar verhouding van het aantal kinderen dat door ieder van hen wordt opgevoed terwijl de in de artikelen 44, 44bis, 44ter en 47 bedoelde bijslagen worden uitbetaald aan de bijslagtrekkende in de zin van de artikelen 69 en 70, die het kind opvoedt voor wie de uitkeringen worden verleend.]1
Art.70bis_REGION_WALLONNE.
Tout changement d'allocataire, au sens des articles 69 et 70 intervenant dans le courant d'un mois, produit ses effets le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel ce changement a eu lieu.[2 ...]2
(Lorsque les allocations familiales sont dues à un allocataire au sens de l'article 69 pour différents enfants, dont certains sont placés conformément à l'article 70 et d'autres pas, les allocations visées à l'article 40 et les (suppléments visés aux articles 41, 42bis et 50ter) sont répartis entre cet allocataire et l'institution ou autorité visée à l'article 70, proportionnellement au nombre d'enfants élevés par chacun d'eux.
Les suppléments visés aux articles 44, (44bis, 44ter et 47) sont payés à l'allocataire au sens des articles 69 et 70 qui élève l'enfant bénéficiaire de ces suppléments.
[1 Lorsque le tiers des allocations familiales dû en faveur de l'enfant placé au sens de l'article 70 doit être versé sur un compte d'épargne ouvert à son nom, le montant de l'allocation familiale dû en faveur de cet enfant est fixé, comme s'il faisait partie du ménage de l'attributaire, en fonction de son rang dans la chronologie des naissances des enfants de ce ménage. Les allocations visées à l'article 40 et les suppléments visés aux articles 41, 42bis et 50ter, sont répartis entre les différents allocataires, au sens des articles 69 et 70, proportionnellement au nombre d'enfants élevés par chacun d'entre eux tandis que les suppléments visés aux articles 44, 44bis, 44ter et 47 sont payées à l'allocataire, au sens des articles 69 et 70, qui élève l'enfant bénéficiaire de ces prestations.]1
Art. 70ter. [1 Een forfaitaire bijslag waarvan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag en de toekenningsvoorwaarden bepaalt, is verschuldigd als een kind bij een particulier geplaatst is door bemiddeling van of ten laste van een overheidsinstantie.
Die forfaitaire bijslag is verschuldigd aan de bijslagtrekkende die de kinderbijslag voor het kind ontving onmiddellijk voor de plaatsing(en), zolang die regelmatig contact onderhoudt met het kind of belangstelling toont voor het kind.
Als die bijslagtrekkende niet langer de in het tweede lid bedoelde voorwaarden vervult, wordt de forfaitaire bijslag betaald aan de persoon die in zijn plaats voor een deel het kind opvoedt, zoals bedoeld in artikel 69, door regelmatig contact te onderhouden met of belangstelling te tonen voor het kind.
Het recht van een bijslagtrekkende op de forfaitaire bijslag ontstaat de eerste dag van de maand na die waarin de beslissing van de plaatsende administratieve of gerechtelijke overheid die vaststelt dat hij aan de voorwaarden voldoet, meegedeeld is aan de bevoegde kinderbijslaginstelling.]1

Art. 70ter. [1 Une allocation forfaitaire dont le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, fixe le montant et les conditions d'octroi, est due lorsque l'enfant est placé chez un particulier par l'intermédiaire ou à charge d'une autorité publique.
Cette allocation forfaitaire est due à l'allocataire qui percevait des allocations familiales pour l'enfant immédiatement avant la mesure de placement ou les mesures de placement dont il a fait l'objet, aussi longtemps qu'il maintient régulièrement des contacts avec l'enfant ou démontre lui porter de l'intérêt.
Lorsque cet allocataire ne remplit plus les conditions visées à l'alinéa 2, l'allocation forfaitaire est payée à la personne qui, en ses lieu et place, élève partiellement l'enfant au sens de l'article 69 en ayant régulièrement des contacts avec lui ou en lui démontrant de l'intérêt.
Le droit à l'allocation forfaitaire naît dans le chef d'un allocataire le premier jour du mois qui suit celui de la notification à l'organisme d'allocations familiales compétent, de la décision prise par l'autorité administrative ou judiciaire qui est intervenue dans la procédure de placement, constatant que les conditions d'octroi sont réunies par lui.]1

Art.70ter_WAALS_GEWEST.
[1 ...]1
Art.70ter_REGION_WALLONNE.
[1 ...]1
Art. 71. § 1. De kinderbijslag is maandelijks betaalbaar in de loop van de maand die volgt op deze waarop hij betrekking heeft.
[1 De betaling kan worden opgeschort bij ernstige en eensluidende aanwijzingen dat de door de sociaal verzekerde meegedeelde informatie om sociale uitkeringen te krijgen frauduleus is. De betaling kan opgeschort worden tot de verdenking niet meer bestaat en dit maximum zes maand, éénmaal hernieuwbaar.]1
(§ 1bis. De kinderbijslag wordt voor een kalendertrimester betaald door de kinderbijslaginstelling, door de overheid of door de openbare instelling die bevoegd verklaard is op de wijze zoals bepaald door de Koning.)
(Indien echter een kinderbijslaginstelling, bedoeld in de artikelen 18bis, 19, 31 en 33, te goeder trouw gezinsbijslag heeft betaald in plaats van een andere instelling bedoeld in die artikelen en die overeenkomstig het eerste lid bevoegd is, dient geen regularisatie van de rekeningen te worden doorgevoerd.)
[3 Het in het tweede lid bedoelde principe van niet regularisatie van de rekeningen, wordt voor de periodes vanaf 1 juli 2014 toegepast voor het geheel van de kinderbijslagstelsels]3
§ 2. Ten einde de betaling van de kinderbijslag niet te onderbreken of te vertragen, kan de Koning de provisionele betaling (en de regularisatie van de rekeningen) voorzien van de kinderbijslag.
§ 3. De [2 minister bevoegd voor Sociale Zaken]2 kan, met het oog op de overdracht van gegevens nodig voor de vaststelling van de rechten op kinderbijslag, aan de kinderbijslaginstellingen, de overheid of de openbare instellingen het gebruik opleggen van documenten, certificaten of brevetten. (Hij bepaalt welke gegevens die stukken moeten bevatten) en bepaalt wanneer en binnen welke termijnen die bescheiden moeten worden aangevraagd en afgeleverd door de betrokken kinderbijslaginstellingen, de overheid of de openbare instellingen.
Art. 71. § 1er. Les allocations familiales sont payables mensuellement dans le courant du mois suivant celui auquel elles se rapportent.
[1 Le paiement peut être suspendu en cas d'indices sérieux et concordants laissant croire au caractère frauduleux des informations données par l'assuré social en vue d'obtenir des prestations sociales. La suspension pourra opérer aussi longtemps que la suspicion n'aura pu être écartée avec un maximum de six mois, renouvelable une fois.]1
(§ 1erbis. Les allocations familiales sont payées par l'organisme d'allocations familiales, par l'autorité ou par l'établissement public déclaré compétent pour un trimestre civil de la manière déterminée par le Roi.)
(Toutefois, les prestations familiales payées de bonne foi par un organisme d'allocations familiales visé aux articles 18bis, 19, 31 et 33, en lieu et place d'un autre organisme visé à ces articles et qui est compétent conformément à l'alinéa 1er, ne donnent lieu à aucune régularisation des comptes.)
[3 Le principe de non-régularisation des comptes visé à l'alinéa 2 s'applique, pour les périodes à dater du 1er juillet 2014, pour l'ensemble des régimes d'allocations familiales.]3
§ 2. Afin de ne pas interrompre ou retarder le paiement des allocations familiales, le Roi peut prévoir le paiement provisionnel des allocations familiales (et la régularisation des comptes.)
§ 3. Le [2 ministre qui a les Affaires sociales dans ses compétences]2 peut, dans le but d'assurer la transmission des données, nécessaires pour la fixation des droits aux allocations familiales, aux organismes d'allocations familiales, à l'autorité ou aux établissements publics imposer l'utilisation de documents, de certificats ou de brevets. (Il détermine les mentions devant obligatoirement figurer sur ces pièces) et détermine quand et dans quels délais ces pièces doivent être demandées et délivrées par les organismes d'allocations familiales, l'autorité ou les établissements publics.
Art. 72. In geen geval, mag de betaling der gezinsvergoedingen toekomende aan een persoon te werk gesteld door een aangesloten werkgever, door de [1 kinderbijslagfondsen]1 (en de [1 FAMIFED]1) afhankelijk gemaakt worden van het vervullen, door laatstgenoemde, van de verplichtingen welke hem bij deze wet worden opgelegd.
Art. 72. En aucun cas, les [1 caisses d'allocations familiales]1 (et [1 FAMIFED]1) ne peuvent subordonner le paiement des allocations familiales revenant à une personne occupée au travail par un employeur affilié, à l'accomplissement par ce dernier des obligations qui lui incombent en vertu de la présente loi.
Art. 73. [1 De [2 kinderbijslagfondsen]2, de [2 FAMIFED]2 en, in de gevallen bedoeld in de artikelen 18 en 18bis, de werkgevers die de kinderbijslag, het kraamgeld en de adoptiepremie verlenen, mogen geen inhoudingen op die prestaties verrichten behalve :
1° om redenen aangegeven in artikel 6, § 2, eventueel gewijzigd krachtens artikel 6, § 4, en onder de voorwaarden vastgesteld bij artikel 6, § 3, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers;
2° met toepassing van artikel 24, vierde lid.
De [2 kinderbijslagfondsen]2, [2 FAMIFED]2 en de werkgevers die inhoudingen verrichten buiten de bij wet voorziene gevallen, dienen de inhoudingen vermeerderd met 10 % terug te betalen aan de [2 begunstigden]2.]1

Art. 73. [1 Les caisses d'allocations familiales, [2 FAMIFED]2 et, dans les cas prévus aux articles 18 et 18bis, les employeurs accordant les allocations familiales, l'allocation de naissance et la prime d'adoption, ne peuvent effectuer de retenues sur ces prestations autres que :
1° pour les motifs indiqués à l'article 6, § 2, éventuellement modifiés en vertu de l'article 6, § 4, et dans les conditions fixées par l'article 6, § 3, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs;
2° par application de l'article 24, alinéa 4.
Les caisses d'allocations familiales, [2 FAMIFED]2 et les employeurs qui effectuent des retenues en dehors des cas prévus par la loi sont tenus de rembourser les retenues majorées de 10 % aux bénéficiaires.]1

SECTIE IVbis_ (HET KRAAMGELD)
Section 4bis- Des allocations de naissance
Art. 73bis. § 1. (De kinderbijslagfondsen alsook de in artikel 18 bedoelde overheden en openbare instellingen kennen een kraamgeld toe bij de geboorte van elk kind dat recht geeft op kinderbijslag krachtens [1 deze wet]1.
(Het kraamgeld wordt ook verleend indien geen recht op kinderbijslag krachtens [1 deze wet]1 bestaat, op voorwaarde dat het een kind betreft waarvoor een akte van aangifte van een levenloos kind werd opgesteld door de ambtenaar van de burgerlijke stand.)
(Leden 3 tot 6 opgeheven)
Het kraamgeld bedraagt .
1° (926,95 EUR) voor het eerste geboren kind [2 van één van de ouders]2;
2° (697,42 EUR) voor het tweede geboren kind van de vader of van de moeder, voor zover dat kind niet onder 1° wordt bedoeld;
3° 6 801 F voor elk geboren kind dat niet onder 1° of 2° word bedoeld.
Uitsluitend ter bepaling van het bedrag van het voor hen verschuldigde kraamgeld, worden evenwel alle kinderen die bij een meervoudige geboorte ter wereld komen, (geacht de eerste geboorterang te hebben).)

(Om de geboorterang te bepalen, wordt het geadopteerd kind, voor wie een adoptiepremie bedoeld in artikel 73quater werd uitbetaald, niet in aanmerking genomen.)
§ 2. De bijslagtrekkende kan, met ingang van de zesde maand van de zwangerschap, het kraamgeld aanvragen en de uitbetaling ervan bekomen twee maand vóór de vermoedelijke geboortedatum welke vermeld staat in het bij de aanvraag te voegen geneeskundige getuigschrift.
Het kraamgeld aangevraagd overeenkomstig het eerste lid is verschuldigd door het kinderbijslagfonds, de overheid of de openbare instelling welke, volgens het geval, bevoegd zou zijn om kinderbijslag uit te betalen op de datum waarop de aanvraag om voorafbetaling wordt ingediend.
Art. 73bis. [1 Les caisses d'allocations familiales]1 ainsi que les autorités et établissements publics visés à l'article 18 accordent une allocation de naissance à l'occasion de la naissance de tout enfant bénéficiaire d'allocations familiales en vertu [1 de la présente loi]1.
(L'allocation de naissance est également accordée s'il n'existe aucun droit aux allocations familiales en vertu [1 de la présente loi]1, à condition qu'il s'agisse d'un enfant à propos duquel un acte de déclaration d'enfant sans vie a été établi par l'officier de l'état civil.)
(Alinéas 3 à 6 abrogés.)
L'allocation de naissance s' élève à :
1° (926,95 EUR) pour le premier-né du père ou de la mère;
2° (697,42 EUR) pour le second-né [2 de l'un des parents]2 dans la mesure où ledit enfant n'est pas visé au 1°;
3° 6 801 F pour chaque enfant né qui n'est pas visé au 1° ou au 2°.
Exclusivement pour la fixation du montant de l'allocation de naissance qui leur est due, tous les enfants issus d'un accouchement multiple, sont considérés comme (ayant le premier rang de naissance).)

(Pour déterminer le rang de naissance, l'enfant adopté, pour lequel une prime d'adoption, visée à l'article 73quater, a été payée, n'entre pas en ligne de compte.)
§ 2. L'allocataire peut demander l'allocation de naissance à partir du sixième mois de la grossesse et en obtenir le paiement deux mois avant la date probable de la naissance mentionnée sur le certificat médical à joindre à la demande.
L'allocation de naissance demandée conformément à l'alinéa 1er est due par la [1 caisse d'allocations familiales]1, par l'autorité ou par l'établissement public qui serait compétent, selon le cas, pour payer les allocations familiales à la date à laquelle la demande de paiement anticipé est introduite.
Art. 73ter. (De bepalingen van hoofdstuk V, met uitzondering van de artikelen 40 tot 48, 50bis, 50ter en 50septies, zijn tevens van toepassing op het kraamgeld en de adoptiepremie.)
(De [1 bevoegde minister of de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid]1 die hij aanduidt, kan evenwel het kraamgeld toekennen in behartigenswaardige gevallen, wanneer de voorwaarden van artikel 73 bis niet zijn vervuld. De minister of de aangeduide ambtenaar heeft dezelfde bevoegdheid in geval van opname onder pleegvoogdij.)
(De [1 bevoegde minister]1 heeft dezelfde bevoegdheid inzake categorieën van behartigenswaardige gevallen. Hij dient dan wel vooraf het advies van het beheerscomité van [1 FAMIFED]1 in te winnen.)
Art. 73ter. (Les dispositions du chapitre V, à l'exception des articles 40 à 48, 50bis, 50ter et 50septies, s'appliquent également aux allocations de naissance et aux primes d'adoption.)
(Le [1 ministre compétent ou le fonctionnaire du Service public fédéral Sécurité social]1 qu'il désigne peut toutefois, accorder l'allocation de naissance dans des cas dignes d'intérêt, lorsque les conditions de l'article 73 bis ne sont pas remplies. Le ministre ou le fonctionnaire qu'il désigne dispose de la même compétence dans le cas de prise sous tutelle officieuse.)
(Le [1 ministre compétent]1 à la même compétence en ce qui concerne des catégories de cas dignes d'intérêt. Il demande dans ce cas, au préalable l'avis du Comité de gestion de [1 FAMIFED]1.)
SECTIE IVter. _ (DE ADOPTIEPREMIE.)
SECTION 4ter_ (De la prime d'adoption.)
Art. 73quater. § 1. De kinderbijslagfondsen alsook de in artikel 18 bedoelde overheden en openbare instellingen kennen een adoptiepremie toe onder de volgende voorwaarden :
1° (een verzoekschrift is ingediend bij de bevoegde rechtbank of, bij gebrek hieraan, een adoptieakte is ondertekend : deze documenten drukken de wil van de rechthebbende of zijn echtgenoot uit om een kind te adopteren;)
2° de adoptant of zijn echtgenoot vervult de voorwaarden om het recht te doen ontstaan op kinderbijslag, behalve die bedoeld in artikel 51, § 3;
3° het kind maakt deel uit van het gezin van de adoptant;
4° het kind vervult de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 62 of 63.
(Indien het kind reeds deel uitmaakt van het gezin van de adoptant op de datum van de indiening van het verzoekschrift of, bij gebreke hiervan, op de datum van de ondertekening van de akte, moeten de voorwaarden bedoeld in het eerste lid, 2° en 4°, vervuld zijn op deze datum.)
(Indien het kind nog geen deel uitmaakt van het gezin van de adoptant op de datum van de indiening van het verzoekschrift of, bij gebrek hieraan, op de datum van de ondertekening van de akte, moet de voorwaarde bedoeld in het eerste lid, 2°, vervuld zijn op de datum van het vonnis dat voortvloeit uit het verzoekschrift of, bij gebrek hieraan, op de datum van het verlijden van de akte alsmede op het ogenblik dat het kind werkelijk deel uitmaakt van het gezin van de adoptant en moet de voorwaarde bedoeld in het eerste lid, 4°, vervuld zijn op het ogenblik dat het kind werkelijk deel uitmaakt van het gezin van de adoptant.)
§ 2. De adoptiepremie bedraagt (926,95 EUR).
(Het bedrag van de adoptiepremie dat toegekend wordt voor het geadopteerde kind, is datgene dat van toepassing is op de datum van de indiening van het verzoekschrift of, bij gebrek hieraan, op de datum van de ondertekening van de adoptieakte. Indien echter het kind op deze datum nog geen deel uitmaakt van het gezin van de adoptant, is het bedrag van de adoptiepremie datgene dat van toepassing is op de datum waarop het kind werkelijk deel uitmaakt van dit gezin.)
§ 3. (De [1 bevoegde minister of de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid]1 die hij aanduidt, kan evenwel de adoptiepremie toekennen in behartigenswaardige gevallen, wanneer de voorwaarden van § 1, 2° of 4° niet zijn vervuld.
De [1 bevoegde minister]1 heeft dezelfde bevoegdheid inzake categorieën van behartigenswaardige gevallen. Hij dient dan wel vooraf het advies van het Beheerscomité van [1 FAMIFED]1 in te winnen.)
§ 4. Er kan voor hetzelfde kind slechts één enkele adoptiepremie aan de adoptant of zijn echtgenoot worden toegekend.
De adoptiepremie kan niet worden toegekend aan de adoptant of aan zijn echtgenoot, indien de adoptant, zijn echtgenoot of de persoon met wie (hij een feitelijk gezin vormt in de zin van artikel 56bis, § 2), het kraamgeld heeft ontvangen voor hetzelfde kind.
Art. 73quater. § 1. Les [1 caisses d'allocations familiales]1, ainsi que les autorités et établissements publics visés à l'article 18, accordent une prime d'adoption aux conditions suivantes :
1° (une requête est déposée devant le tribunal compétent ou, à défaut, un acte d'adoption est signé : ces documents expriment la volonté de l'attributaire ou de son conjoint d'adopter un enfant);
2° l'adoptant ou son conjoint remplit les conditions pour ouvrir le droit aux allocations familiales, sauf celles visées à l'article 51, § 3;
3° l'enfant fait partie du ménage de l'adoptant;
4° l'enfant remplit les conditions visées aux articles 62 ou 63.
(Lorsque l'enfant fait déjà partie du ménage de l'adoptant à la date du dépôt de la requête ou, à défaut de celle-ci, à la date de la signature de l'acte, les conditions visées à l'alinéa 1er, 2° et 4°, doivent être remplies à cette date);
(Lorsque l'enfant ne fait pas encore partie du ménage de l'adoptant à la date du dépôt de la requête ou, à défaut de celle-ci, à la date de la signature de l'acte, la condition visée à l'alinéa 1er, 2°, doit être remplie à la date du jugement découlant de la requête ou, à défaut de celle-ci, à la date de la passation de l'acte ainsi qu'au moment où l'enfant fait réellement partie du ménage de l'adoptant et la condition visée à l'alinéa 1er, 4°, doit être remplie au moment où l'enfant fait réellement partie du ménage de l'adoptant.)
§ 2. La prime d'adoption s'élève à (926,95 EUR).
(Le montant de la prime d'adoption accordé pour l'enfant adopté est celui d'application à la date du dépôt de la requête ou, à défaut de celle-ci, à la date de la signature de l'acte d'adoption. Toutefois, si l'enfant ne fait pas encore partie du ménage de l'adoptant à cette date, le montant de la prime d'adoption est celui d'application à la date à laquelle l'enfant fait réellement partie de ce ménage.)
§ 3. (Le [1 ministre compétent ou le fonctionnaire du Service public fédéral Sécurité sociale]1 qu'il désigne peut toutefois accorder la prime d'adoption dans des cas dignes d'intérêt, lorsque les conditions visées au § 1er, 2° ou 4° ne sont pas réunies.
Le [1 ministre compétent]1 à la même compétence en ce qui concerne des catégories de cas dignes d'intérêt. Il demande dans ce cas au préalable l'avis du Comité de gestion de [1 FAMIFED]1.)
§ 4. Il ne peut être octroyé à l'adoptant ou à son conjoint qu'une seule prime d'adoption pour le même enfant.
La prime d'adoption ne peut être octroyée à l'adoptant ou à son conjoint, si l'adoptant, son conjoint ou la personne avec laquelle (il forme un ménage de fait au sens de l'article 56bis, § 2,) a reçu une allocation de naissance pour le même enfant.
SECTIE IVquater.
SECTION 4quater_
Art. 73quinquies.
Art. 73quinquies.
SECTIE V. _ ANDERE BEPALINGEN BETREFFENDE DE VERGOEDINGEN
SECTION 5_ Autres dispositions relatives aux allocations
Art. 74. De vergoedingen (...) vormen op geenerlei wijze een bijslag van [1 de beroepsinkomsten]1.
Zij komen niet in aanmerking voor het berekenen van de [1 inkomensgrens]1, hetzij door eene wet opgelegd, hetzij door een besluit van een openbaar bestuur, hetzij krachtens (een collectieve arbeidsovereenkomst bepaald.)
(al. 3 opgeheven)
Art. 74. Les allocations (...) ne constituent, à aucun titre, un supplément de [1 revenus professionnels]1.
Elles n'entrent pas en ligne de compte pour le calcul des [1 plafonds de revenus]1 devenus obligatoires soit en vertu d'une loi ou d'une décision d'une administration publique, soit en vertu (d'une convention collective de travail)
(Al. 3 abrogé)
Art. 75. De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overlegd in de Ministerraad :
1° (de in de artikelen 40, 41, 42bis, 47, 50bis, 50ter, 73bis en 73quater vermelde bedragen en voorwaarden wijzigen en aanvullen);
2° de artikelen 44, 44bis en 44ter wijzigen wat betreft de erin vermelde bijslagbedragen en leeftijdscategorieën.
Art. 75. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres :
1° (modifier et compléter les montants et les conditions repris aux articles 40, 41, 42bis, 47, 50bis, 50ter, 73bis et 73quater);
2° modifier les articles 44, 44bis et 44ter, quant aux montants des suppléments et aux catégories d'âge qui y sont prévus.
Art. 76. (opgeheven)
Art. 76. (Abrogé)
Art. 76bis. § 1. (De bedragen van de kinderbijslag, het kraamgeld en de adoptiepremie worden gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen.)
(De bedragen vermeld in de artikelen 40, 41, 42bis, 44, 44bis, 44ter, 47, 50bis, 50ter, 73bis en 73quater zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 100).)
Zij veranderen overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, de lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
(Het nieuwe bedrag wordt bekomen door het basisbedrag te vermenigvuldigen met een multiplicator gelijk aan 1,0200n, waarbij n overeenstemt met de rang van de bereikte spilindex, zonder dat een intermediaire afronding geschiedt. De spilindex volgend op deze vermeld in het tweede lid wordt als rang 1 beschouwd. De multiplicator wordt uitgedrukt in eenheden, gevolgd door 4 cijfers. Het vijfde cijfer na de komma wordt weggelaten en leidt tot een verhoging met één eenheid van het vorige cijfer indien het minstens 5 bereikt.)
§ 2. Onverminderd de bepalingen van § 1, wordt op 1 januari van elk jaar op de bedragen van de (kinderbijslag, het kraamgeld en de adoptiepremie), zoals ze op die datum werden verhoogd bij toepassing van § 1, of van deze paragraaf een herwaarderingscoëfficiënt toegepast vastgesteld door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit.
§ 3. (Indien ingevolge de toepassing van §§1 of 2, de bedragen van de kinderbijslag, het kraamgeld en de adoptiepremie eindigen op een gedeelte van een cent, wordt het centgedeelte tot de hogere of de lagere cent afgerond naargelang het gedeelte al dan niet 0,5 bereikt.)
Art. 76bis. § 1. (Les taux des allocations familiales, de l'allocation de naissance et de la prime d'adoption sont liés aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation.)
(Les montants repris aux articles 40, 41, 42bis, 44, 44bis, 44ter, 47, 50bis, 50ter, 73bis et 73quater sont rattachés à l'indice pivot 103,14 (base 1996 100).) hés à l'indice pivot 103,14 (base 1996 = 100).)
Ils varient comme prévu par la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
(Le nouveau montant s'obtient en multipliant le montant de base par un multiplicateur égal à 1,0200n, dans lequel n correspond au rang de l'indice-pivot atteint, sans qu'un arrondissement intermédiaire soit opéré. L'indice-pivot suivant celui mentionné à l'alinéa 2 est considéré comme rang 1. Le multiplicateur est exprimé en unités, suivies de 4 chiffres. Le cinquième chiffre après la virgule est supprimé et donne lieu à l'augmentation d'une unité du chiffre précédent s'il atteint 5 au moins.)
§ 2. Sans préjudice des dispositions du § 1er, au 1er janvier de chaque année, les montants des (allocations familiales, de l'allocation de naissance et de la prime d'adoption) tels qu'ils ont été augmentes à cette date, en application du § 1er ou du présent paragraphe sont affectés d'un coefficient de réevaluation fixé par le Roi par arrêté délibéré en conseil des Ministres.
§ 3. (Lorsque par suite de l'application des §§ 1er ou 2, les taux des allocations familiales, de l'allocation de naissance et de la prime d'adoption se terminent par une fraction de cent, la fraction de cent est arrondie au cent supérieur ou inférieur selon que cette fraction atteint ou non 0,5.)
HOOFDSTUK VI. - BIJDRAGEN
CHAPITRE VI- DES COTISATIONS
SECTIE I. - VERPLICHTING BIJDRAGEN TE STORTEN; VOET EN WIJZE VAN BEREKENING DER BIJDRAGEN
SECTION 1- De l'obligation de verser des cotisations, de leur taux et de la manière d'en calculer le montant
Art. 77.
Art. 77.
Art. 78. (Opgeheven)
Art. 78. (Abrogé)
Art. 78bis. (opgeheven)
Art. 78bis. (abrogé)
Art. 79. (Opgeheven)
Art. 79. (Abrogé)
Art. 80. (opgeheven)
Art. 80. (Abrogé)
Art. 81. (opgeheven)
Art. 81. (Abrogé)
Art. 82. (opgeheven)
Art. 82. (Abrogé)
Art. 83. (Opgeheven)
Art. 83. (Abrogé)
Art. 84. (opgeheven)
Art. 84. (Abrogé)
Art. 85. (Opgeheven)
Art. 85. (Abrogé)
SECTIE II. - [1 Werknemers waarvoor geen bijdrage moet gestort worden]1
SECTION 2-- [1 Des travailleurs salariés qui ne donnent lieu au paiement d'aucune cotisation]1
Art. 86. (Opgeheven)
Art. 86. (Abrogé)
Art. 87. (Opgeheven)
Art. 87. (Abrogé)
Art. 88. (opgeheven)
Art. 88. (Abrogé)
SECTIE III. - (VAN HET RESERVEFONDS)
SECTION 3- (Du fonds de réserve.)
Art. 89. (opgeheven)
Art. 89. (Abrogé)
Art. 90. (opgeheven)
Art. 90. (Abrogé)
Art. 91. § 1. De krachtens artikel 19 erkende vrije kinderbijslagfondsen en de bij artikel 31 bedoelde bijzondere kinderbijslagfondsen, zijn verplicht een reservefonds tot stand te brengen.
§ 2. Het reservefonds wordt gestijfd met :
a) het vermogen van het reservefonds van het kinderbijslagfonds op [2 30 juni 2014]2;
b) 1° wat de vrije, krachtens artikel 19 erkende kinderbijslagfondsen betreft : het deel van de toelage bedoeld bij artikel 94, § 2, a), dat door de Koning aan het reservefonds wordt toegewezen;
2° wat de bijzondere kinderbijslagfondsen waarvan sprake in artikel 31 betreft : een jaarlijkse storting door de [2 FAMIFED]2, ten belope van 0,15 per duizend van de gezinsbijslag betaald door het kinderbijslagfonds in de loop van het dienstjaar [3 en van 1,5 % van het bedrag van de ten onrechte uitbetaalde gezinsbijslag die werd teruggeïnd]3;
c) de intresten opgebracht door de sommen van dit reservefonds en van het thesauriefonds bedoeld in artikel 93;
d) de schenkingen en legaten die aan het kinderbijslagfonds zouden worden toegekend;
e) de opbrengst van de geldboeten, bijdragenverhogingen en verwijlintresten bedoeld in het artikel 24, zevende lid;
f) [4 ...]4;
[1 h) de overdrachten bedoeld in artikel 94, § 7, 6°;
i) het deel van de toelage bedoeld in artikel 2, eerste lid, 7°, i), van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 betreffende de beheersrekening en de administratieve reserve van de kinderbijslagfondsen.]1

g) het deel van de overschotten van de beheersrekening dat eventueel wordt overgedragen overeenkomstig het derde lid van artikel 94, § 3.
§ 3. Het vermogen van het reservefonds van het kinderbijslagfonds mag op 31 december van het dienstjaar niet hoger zijn dan 1,5 % van het bedrag van de gezinsbijslag in de loop van datzelfde dienstjaar door het kinderbijslagfonds betaald.
Indien die grens wordt overschreden, wordt het overschot aan [2 FAMIFED]2 gestort in de loop van het eerste semester van het volgende dienstjaar. Het kinderbijslagfonds dat zijn overschot niet tijdig heeft doorgestort, is van rechtswege de wettelijke intrest verschuldigd.
De Koning kan, op voorstel van het beheerscomité van [2 FAMIFED]2, het percentage waarvan sprake in deze paragraaf wijzigen.
§ 4. Het reservefonds wordt aangewend :
[1 tot voorlopige dekking van de ten onrechte betaalde gezinsbijslag die teruggevorderd wordt;]1
[1 tot definitieve dekking van de ten onrechte betaalde gezinsbijslag die niet kan teruggevorderd worden wegens de verjaring bedoeld in artikel 120bis of op grond van artikel 17 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het handvest van de sociaal verzekerde;]1
[1 ...]1
[1 ...]1
[1 ...]1
6° tot definitieve dekking van de verliezen die veroorzaakt zijn door in gebreke gebleven aangesloten werkgevers en rechthebbenden;
7° als voorschot om bij te dragen in de betaling op de vervaldag van de gezinsbijslag zonder te wachten tot [2 FAMIFED]2 de storting doet van de gelden bedoeld in artikel 108, eerste lid, 1°;
8° tot definitieve dekking van de verliezen die veroorzaakt zijn door elke andere oorzaak, mits het voorafgaand akkoord van het beheerscomité van [2 FAMIFED]2;
9° tot aanzuivering van de vereffeningskosten van het kinderbijslagfonds, na uitputting van de administratieve reserve waarvan sprake in artikel 94.
§ 5. De middelen van het reservefonds kunnen in geen geval worden aangewend tot dekking van administratiekosten, noch tot financiering van de roerende en onroerende investeringen die noodzakelijk zijn voor de goede werking van het kinderbijslagfonds, met uitzondering van de financieringen die voor 1 januari 1999 door het beheerscomité van [2 FAMIFED]2 werden goedgekeurd.
Art. 91. § 1er. Les caisses d'allocations familiales libres agréées en vertu de l'article 19 et les caisses d'allocations familiales spéciales visées à l'article 31 sont tenues de se constituer un fonds de réserve.
§ 2. Le fonds de réserve est alimenté par :
a) L'avoir du fonds de réserve de la caisse d'allocations familiales au [2 30 juin 2014]2;
b) 1° en ce qui concerne les caisses d'allocations familiales libres, agréées en vertu de l'article 19 : la partie de la subvention visée par l'article 94, § 2, a), qui est affectée au fonds de réserve par le Roi;
2° en ce qui concerne les caisses d'allocations familiales spéciales dont il est question à l'article 31 : un versement annuel par [2 FAMIFED]2, à concurrence de 0,15 pour mille des prestations familiales payées par la caisse d'allocations familiales au cours de l'exercice [3 et de 1,5 % du montant des prestations familiales indûment versées qui ont été recouvrées]3;
c) les intérêts rapportés par les avoirs de ce fonds de réserve et du fonds de roulement visé à l'article 93;
d) les dons et legs qui seraient octroyés à la caisse d'allocations familiales;
e) le produit des amendes, majorations de cotisations et intérêts de retard visés à l'article 24, alinéa 7;
f) [4 ...]4;
g) la partie des excédents du compte de gestion, qui est éventuellement transférée conformément à l'alinéa 3 de l'article 94, § 3.
[1 h) les transferts visés à l'article 94, § 7, 6°;
i) la partie de la subvention visée à l'article 2, alinéa 1er, 7°, i), de l'arrêté royal du 9 juin 1999 relatif au compte de gestion et à la réserve administrative des caisses d'allocations familiales.]1

§ 3. L'avoir du fonds de réserve de la caisse d'allocations familiales ne peut excéder au 31 décembre de l'exercice, 1,5 % du montant des prestations familiales payées par la caisse d'allocations familiales au cours de ce même exercice.
Si ce plafond est dépassé, L'excédent est versé à [2 FAMIFED]2 au cours du premier semestre de l'exercice suivant. La caisse d'allocations familiales qui n'a pas versé à temps son excédent est redevable de plein droit des intérêts légaux.
Sur la proposition du comité de gestion de [2 FAMIFED]2, le Roi peut modifier le pourcentage dont il est question dans le présent paragraphe.
§ 4. Le fonds de réserve est utilisé :
[1 à la couverture provisoire des prestations familiales payées indûment et mises en recouvrement;]1
[1 à la couverture définitive des prestations familiales payées indûment qui ne peuvent être mises en recouvrement en raison de la prescription visée à l'article 120bis, ainsi qu'en vertu des dispositions de l'article 17 de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer la charte de l'assuré social;]1
[1 ...]1;
[1 ...]1;
[1 ...]1;
6° à la couverture définitive des pertes occasionnées par des employeurs affiliés et attributaires qui sont défaillants;
7° en tant qu'avance en vue de contribuer au paiement à l'échéance des prestations familiales sans attendre que [2 FAMIFED]2 ne procède au versement des sommes visées à l'article 108, alinéa premier, 1°;
8° à la couverture définitive des pertes occasionnées par toute autre cause, avec l'accord préalable du comité de gestion de [2 FAMIFED]2;
9° en vue de régler les frais de liquidation de la caisse d'allocations familiales, après épuisement de la réserve administrative dont il est question à l'article 94.
§ 5. Les moyens du fonds de réserve ne peuvent en aucun cas être utilisés en vue de couvrir les frais d'administration, ni en vue de financer les investissements mobiliers et immobiliers qui sont nécessaires pour le bon fonctionnement de la caisse d'allocations familiales, à l'exception des financements approuvés par le comité de l'office avant le 1er janvier 1999.
Art. 91/1. [1 De erkende vrije kinderbijslagfondsen en de bijzondere kinderbijslagfondsen laten ten onrechte betaalde gezinsbijslag ten laste van het globaal beheer van de sociale zekerheid ingesteld door de wet houdende sociale bepalingen van 30 maart 1994, in de volgende gevallen :
1° wanneer afgezien wordt van terugvordering omdat die uit sociaal oogpunt niet raadzaam is;
2° bij toepassing van artikel 119bis;
3° wanneer terugvordering technisch onmogelijk blijkt;
4° bij toepassing van artikel 22, § 3, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het handvest van de sociaal verzekerde.]1

Art. 91/1. [1 Les caisses d'allocations familiales libres agréées et les caisses d'allocations familiales spéciales délaissent à charge de la gestion globale de la sécurité sociale instituée par la loi portant des dispositions sociales du 30 mars 1994, les montants des prestations familiales versées indûment, dans les hypothèses suivantes :
1° lorsqu'il est renoncé au recouvrement en raison du caractère socialement contre-indiqué de celui-ci;
2° en cas d'application de l'article 119bis;
3° lorsque le recouvrement s'avère techniquement impossible;
4° en cas d'application de l'article 22, § 3, de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer la charte de l'assuré social.]1

Art. 91/2. [1 [2 FAMIFED]2 legt de rechtzetting op van de boekingen van de erkende vrije kinderbijslagfondsen en de bijzondere kinderbijslagfondsen wanneer die onverschuldigde gezinsbijslag aanrekenden ten laste van het globaal beheer van de sociale zekerheid :
1° wanneer die moest aangerekend worden ten laste van hun reservefonds op basis van artikel 91, § 4, 2°;
2° in andere gevallen dan die bedoeld in artikel 91/1.
Het fonds betaalt aan [2 FAMIFED]2 ten laste van zijn beheersrekening een verhoging die 10 % bedraagt van de som waarop de rechtzetting betrekking heeft.]1

Art. 91/2. [1 [2 FAMIFED]2 impose la rectification des écritures comptables passées par les caisses d'allocations familiales agréées et les caisses d'allocations familiales spéciales lorsque celles-ci ont imputé des montants de prestations familiales indues à charge de la gestion globale de la sécurité sociale :
1° alors que celles-ci devaient être imputées à charge de leur fonds de réserve en application de l'article 91, § 4, 2°;
2° en dehors des hypothèses visées à l'article 91/1.
La caisse verse à [2 FAMIFED]2, à charge de son compte de gestion, une majoration représentant 10 % de la somme faisant l'objet de la rectification.]1

Art. 91/3. [1 De erkende vrije kinderbijslagfondsen laten de bedragen van de onverschuldigde betalingen die vanaf 1 januari 2015 ter kennis worden gebracht of oninvorderbaar worden verklaard of waarvoor vanaf diezelfde datum van terugvordering wordt afgezien, ten laste van de deelentiteiten overeenkomstig de door de deelentiteiten gezamenlijk vastgestelde aanknopingsfactoren voor de financiële tenlasteneming, in de volgende gevallen:
1° wanneer afgezien wordt van terugvordering omdat die uit sociaal oogpunt niet raadzaam is;
2° bij toepassing van artikel 119bis;
3° wanneer terugvordering technisch onmogelijk blijkt;
4° bij toepassing van artikel 22, § 3, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het handvest van de sociaal verzekerde.
De bedragen van de onverschuldigde betalingen die vóór 1 januari 2014 ter kennis werden gebracht, blijven in de gevallen bedoeld in het eerste lid, echter ten laste van de reservefondsen van de kinderbijslagfondsen, indien deze vanaf 1 januari 2015 oninvorderbaar worden verklaard of indien voor deze bedragen vanaf diezelfde datum van terugvordering wordt afgezien.]1

Art. 91/3. [1 Les caisses d'allocations familiales libres agréées délaissent à charge des entités fédérées conformément aux facteurs de rattachement pour l'imputation financière déterminés ensemble par les entités fédérées, les montants des indus notifiés à partir du 1er janvier 2015 et les montants des indus déclarés irrécouvrables ou pour lesquels il est renoncé au recouvrement, à partir de cette même date, dans les hypothèses suivantes :
1° lorsqu'il est renoncé au recouvrement en raison du caractère socialement contre-indiqué de celui-ci;
2° en cas d'application de l'article 119bis;
3° lorsque le recouvrement s'avère techniquement impossible;
4° en cas d'application de l'article 22, § 3, de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer la charte de l'assuré social.
Toutefois, les montants des indus notifiés avant le 1er janvier 2014, demeurent, dans les hypothèses visées à l'alinéa 1er, à charge des fonds de réserve des caisses d'allocations familiales lorsqu'ils sont déclarés irrécouvrables ou lorsqu'il est renoncé au recouvrement, à partir du 1er janvier 2015.]1

Art. 91/4. [1 FAMIFED legt de rechtzetting op van de boekingen van de erkende vrije kinderbijslagfondsen wanneer die onverschuldigde gezinsbijslag aanrekenden ten laste van de deelentiteiten:
1° wanneer die moest aangerekend worden ten laste van hun reservefonds op basis van artikel 91, § 4, 2° ;
2° in andere gevallen dan die bedoeld in artikel 91/3.
Het fonds betaalt aan FAMIFED ten laste van zijn beheersrekening een verhoging die 10 % bedraagt van de som waarop de rechtzetting betrekking heeft.]1

Art. 91/4. [1 FAMIFED impose la rectification des écritures comptables passées par les caisses d'allocations familiales agréées lorsque celles-ci ont imputé des montants de prestations familiales indues à charge des entités fédérées:
1° alors que celles-ci devaient être imputées à charge de leur fonds de réserve en application de l'article 91, § 4, 2° ;
2° en dehors des hypothèses visées à l'article 91/3.
La caisse verse à FAMIFED, à charge de son compte de gestion, une majoration représentant 10 % de la somme faisant l'objet de la rectification.]1

Art. 92. De Koning zal de voorwaarden bepalen onder dewelke (de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten), waarvan sprake in artikel 32 een reservefonds (mag) stichten.
Art. 92. Le Roi déterminera les conditions dans lesquelles un fonds de réserve pourra être constitué par (l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales) dont il est question à l'article 32.
SECTIE IV. - (THESAURIEFONDS VOOR DE BETALING VAN DE GEZINSBIJSLAG EN FONDS VOOR DEKKING VAN DE ADMINISTRATIEKOSTEN VAN DE KINDERBIJSLAGFONDSEN)
SECTION 4- Du fonds de roulement pour le paiement des prestations familiales et du fonds pour la couverture des frais d'administration des caisses d'allocations familiales
Art. 93. § 1. De krachtens artikel 19 erkende vrije en de in artikel 31 bedoelde bijzondere kinderbijslagfondsen zijn verplicht een thesauriefonds voor de betaling van de gezinsbijslag tot stand te brengen.
§ 2. [1 Het thesauriefonds voor de betaling van de gezinsbijslag wordt gestijfd met de in artikel 108, eerste lid, 1°, bedoelde gelden.]1
§ 3. Dit thesauriefonds wordt aangewend voor de betaling van de gezinsbijslag en de ermee gepaard gaande uitgiftekosten.
Art. 93. § 1er. Les caisses d'allocations familiales libres agréées en vertu de l'article 19 et les caisses d'allocations familiales spéciales visées à l'article 31 sont tenues de se constituer un fonds de roulement pour le paiement des prestations familiales.
§ 2. [1 Le fonds de roulement pour le paiement des prestations familiales est alimenté par les sommes visées à l'article 108, alinéa 1er, 1°.]1
§ 3. Ce fonds de roulement est utilisé pour le paiement des prestations familiales et les frais d'émission qui s'y trouvent associés.
Art. 94. § 1. De krachtens artikel 19 erkende vrije kinderbijslagfondsen en de in artikel 31 bedoelde bijzondere kinderbijslagfondsen zijn verplicht een fonds voor administratiekosten, hierna beheersrekening genoemd, tot stand te brengen.
§ 2. De beheersrekening wordt gestijfd met :
a) een toelage verleend door [4 FAMIFED]4.
Deze toelage waarvan de berekeningswijze en toekenningsvoorwaarden door de Koning worden bepaald, kan verschillend zijn naargelang het gaat om vrije, krachtens artikel 19 erkende kinderbijslagfondsen of om in artikel 31 bedoelde bijzondere kinderbijslagfondsen.
Wat betreft de vrije, krachtens artikel 19 erkende kinderbijslagfondsen kan de Koning een deel van deze toelage toewijzen aan het reservefonds;
b) de andere dan in a) bedoelde subsidies;
c) de intresten, met uitzondering van de intresten bedoeld in artikel 91, § 2, c);
d) de opbrengsten en meerwaarden van alle fondsen, roerende en onroerende goederen in het bezit van het kinderbijslagfonds;
e) de aanvullende bijdrage die het kinderbijslagfonds eventueel onder zijn (aangesloten werkgevers) vordert overeenkomstig paragraaf 8.
§ 3. De middelen van deze beheersrekening worden aangewend voor de dekking van de administratiekosten.
De Koning kan maatregelen nemen inzake de uitgaven voor administratiekosten.
Onverminderd hetgeen bepaald is in artikel 94, § 2, a), kan het kinderbijslagfonds op 31 december van elk dienstjaar een gedeelte of het geheel van het overschot van de beheersrekening overdragen naar het reservefonds. Wanneer op 31 december van het dienstjaar de middelen van het reservefonds van het kinderbijslagfonds onvoldoende zijn voor de aanwending bedoeld in artikel 91, § 4, 1° tot 6°, moet het kinderbijslagfonds minstens 5 % van de overschotten van de beheersrekening overdragen naar het reservefonds. Deze overdrachten zijn definitief.
§ 4. De krachtens artikel 19 erkende vrije kinderbijslagfondsen en de in artikel 31 bedoelde bijzondere kinderbijslagfondsen zijn verplicht een administratieve reserve tot stand te brengen.
§ 5. De administratieve reserve wordt gestijfd met :
a) het vermogen van de administratieve reserve van het kinderbijslagfonds op [4 30 juni 2014]4;
b) de overschotten van de beheersrekening op 31 december van het dienstjaar, na aftrek van het deel dat eventueel naar het reservefonds wordt overgedragen overeenkomstig het derde lid van § 3.
§ 6. De Koning kan het vermogen van de administratieve reserve van het kinderbijslagfonds begrenzen en het eventuele overschot toewijzen.
§ 7. De administratieve reserve wordt aangewend :
1° tot voorlopige financiering van de administratiekosten die in de loop van het dienstjaar niet kunnen worden gedekt door de middelen van de beheersrekening;
2° tot financiering van de roerende en onroerende investeringen die noodzakelijk zijn voor de goede werking van het kinderbijslagfonds;
3° tot definitieve aanzuivering op het einde van het dienstjaar van de tekorten op de beheersrekening;
4° tot voorlopige financiering van de onverschuldigde gezinsbijslagen, na aanwending van het reservefonds overeenkomstig artikel 91, § 4, 1°;
5° tot aanzuivering van de vereffeningskosten van het kinderbijslagfonds;
[1 6° tot stijving van het reservefonds, naar believen van het fonds, door een onomkeerbare overdracht]1
§ 8. Indien de administratieve reserve ontoereikend is tot definitieve dekking van de administratiekosten, kan het kinderbijslagfonds van zijn aangesloten werkgevers een aanvullende bijdrage vorderen om die ontoereikendheid te dekken, ongeacht elke strijdige bepaling in de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (...) of de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid der zeelieden ter koopvaardij.
(Het bedrag van de aanvullende bijdrage per aangesloten werkgever wordt als volgt berekend. Het bedrag van de ontoereikendheid bedoeld in het vorig lid wordt vermenigvuldigd met het aantal rechthebbenden ingeschreven bij de aangesloten werkgever op 31 december van het laatst afgesloten dienstjaar. Dit product wordt gedeeld door het totaal aantal rechthebbenden ingeschreven op dezelfde datum bij het kinderbijslagfonds.)
(§ 9. Voor het dienstjaar 2005 wordt het bedrag van de toelagen verschuldigd aan de vrije kinderbijslagfondsen, bedoeld in artikel 2, 1e lid, 3° van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 betreffende het Fonds voor administratiekosten en de administratieve reserve van de kinderbijslagfondsen, verminderd met een miljoen euro. De vermindering wordt proportioneel over die fondsen gespreid in verhouding tot het aandeel waarop ze recht hebben.)
[1 Voor dienstjaar 2012 wordt het bedrag van de toelagen verschuldigd aan de vrije kinderbijslagfondsen bedoeld in artikel 2, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 betreffende het Fonds voor administratiekosten en de administratieve reserve van de kinderbijslagfondsen, verminderd met 2,8 miljoen euro. De vermindering wordt proportioneel over die fondsen gespreid in verhouding tot het aandeel waarop ze recht hebben.]1
[2 Voor het dienstjaar 2013 wordt het bedrag van de toelagen verschuldigd aan de vrije kinderbijslagfondsen bedoeld in artikel 2, eerste lid, 6°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 betreffende de beheersrekening en de administratieve reserve van de kinderbijslagfondsen, verminderd met 5,5 miljoen euro. De vermindering wordt proportioneel over die fondsen gespreid in verhouding tot het aandeel waarop ze recht hebben.]2
[3 Voor het dienstjaar 2014 wordt het bedrag van de toelagen verschuldigd aan de vrije kinderbijslagfondsen bedoeld in artikel 2, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 betreffende de beheersrekening en de administratieve reserve van de kinderbijslagfondsen, verminderd met 5,5 miljoen euro. De vermindering wordt proportioneel over die fondsen gespreid in verhouding tot het aandeel waarop ze recht hebben.]3
[5 Vanaf het dienstjaar 2015 wordt het bedrag van de toelagen verschuldigd aan de vrije kinderbijslagfondsen en bedoeld in artikel 2, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 betreffende de beheersrekening en de administratieve reserve van de kinderbijslagfondsen, verminderd met 5,5 miljoen EUR. De vermindering wordt proportioneel over die fondsen gespreid in verhouding tot het aandeel waarop ze recht hebben.]5
Art. 94. § 1er. Les caisses d'allocations familiales libres agrées en vertu de l'article 19 et les caisses d'allocations familiales spéciales visées à l'article 31 sont tenues de se constituer un fonds destiné à la couverture des frais d'administration, dénommé compte de gestion.
§ 2. Le compte de gestion est alimenté par :
a) une subvention accordée par [4 FAMIFED]4.
Cette subvention dont le mode de calcul et les conditions d'octroi sont déterminés par le Roi, peut être différente selon qu'il s'agit de caisses d'allocations familiales libres, agréées en vertu de l'article 19 ou de caisses d'allocations familiales spéciales visées à l'article 31.
En ce qui concerne les caisses d'allocations familiales libres, agréées en vertu de l'article 19, le Roi peut affecter une partie de cette subvention au fonds de réserve;
b) les autres subsides que ceux visés sous a);
c) les intérêts, à l'exception des intérêts visés à l'article 91, § 2, c);
d) les rapports et plus values de tous les avoirs, biens meubles et immeubles en possession de la caisse d'allocations familiales;
e) la cotisation complémentaire que la caisse d'allocations familiales perçoit éventuellement de ses (employeurs affiliés) conformément au paragraphe 8.
§ 3. Les moyens de ce compte de gestion sont utilisés pour la couverture des frais d'administration.
Le Roi peut prendre des mesures en matière de dépenses pour frais d'administration.
Sans préjudice de ce qui est prévu à l'article 94, § 2, a), la caisse d'allocations familiales peut transférer au 31 décembre de chaque exercice une partie ou l'ensemble de l'excédent du compte de gestion au fonds de réserve. Lorsqu'au 31 décembre de l'exercice, les moyens du fonds de réserve de la caisse d'allocations familiales sont insuffisants pour l'utilisation visée à l'article 91, § 4, 1° à 6°, la caisse d'allocations familiales doit transférer au moins 5 % des excédents du compte de gestion au fonds de réserve. Ces transferts sont irréversibles.
§ 4. Les caisses d'allocations familiales libres agrées en vertu de l'article 19 et les caisses d'allocations familiales spéciales visées à l'article 31 sont tenues de se constituer une réserve administrative.
§ 5. La réserve administrative est alimentée par :
a) l'avoir de la réserve administrative de la caisse d'allocations familiales au [4 30 juin 2014]4;
b) des excédents du compte de gestion au 31 décembre de l'exercice, après déduction de la partie qui est éventuellement transférée au fonds de réserve conformément au troisième alinéa du § 3.
§ 6. Le Roi peut plafonner l'avoir de la réserve administrative de la caisse et affecter l'excédent éventuel.
§ 7. La réserve administrative est utilisée :
1° en vue du financement provisoire des frais d'administration qui ne peuvent pas être couverts au cours de l'exercice par les moyens du compte de gestion;
2° en vue de financer les investissements mobiliers et immobiliers qui sont nécessaires au bon fonctionnement de la caisse d'allocations familiales;
3° en vue d'apurer définitivement à la fin de l'exercice les déficits du compte de gestion;
4° en vue de financer provisoirement les prestations familiales indues après utilisation du fonds de réserve, conformément à l'article 91, § 4,1°;
5° en vue de régler les frais de liquidation de la caisse d'allocations familiales;
[1 6° en vue d'alimenter le fonds de réserve, à la discrétion de la caisse, par un transfert irréversible.]1
§ 8. Si la réserve administrative est insuffisante pour couvrir définitivement les frais d'administration, la caisse d'allocations familiales peut exiger de ses employeurs affiliés une cotisation complémentaire en vue de couvrir cette insuffisance, sans préjudice de toute disposition contraire dans la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs (...) ou l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande.
(Le montant de la cotisation supplémentaire par employeur affilié s'obtient comme suit. Le montant de l'insuffisance visée dans l'alinéa précédent est multiplié par le nombre d'attributaires inscrits auprès de l'employeur affilié au 31 décembre du dernier exercice clôturé. Ce produit est divisé par le nombre total des attributaires inscrits à la même date auprès de la caisse d'allocations familiales.)
(§ 9. Pour l'exercice 2005, la somme des subventions dues aux caisses d'allocations familiales libres, visées à l'article 2, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal du 9 juin 1999 relatif au compte de gestion et à la réserve administrative des caisses d'allocations familiales, est réduite d'un million d'euros. La réduction est répartie proportionnellement entre lesdites caisses conformément à la part revenant à chacune dans cette somme.)
[1 Pour l'exercice 2012, la somme des subventions dues aux caisses d'allocations familiales libres, visées à l'article 2, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal du 9 juin 1999 relatif au compte de gestion et à la réserve administrative des caisses d'allocations familiales, est réduite de 2,8 millions d'euros. La réduction est répartie proportionnellement entre lesdites caisses conformément à la part revenant à chacune dans cette somme.]1
[2 Pour l'exercice 2013, la somme des subventions dues aux caisses d'allocations familiales libres, visées à l'article 2, alinéa 1er, 6°, de l'arrêté royal du 9 juin 1999 relatif au compte de gestion et à la réserve administrative des caisses d'allocations familiales, est réduite de 5,5 millions d'euros. La réduction est répartie proportionnellement entre lesdites caisses conformément à la part revenant à chacune dans cette somme.]2
[3 Pour l'exercice 2014, la somme des subventions dues aux caisses d'allocations familiales libres, visées à l'article 2, alinéa 1er, 7°, de l'arrêté royal du 9 juin 1999 relatif au compte de gestion et à la réserve adminis-trative des caisses d'allocations familiales, est réduite de 5,5 millions d'euros. La réduction est répartie proportionnellement entre lesdites caisses conformément à la part revenant à chacune dans cette somme.]3
[5 A dater de l'exercice 2015, la somme des subventions dues aux caisses d'allocations familiales libres, visées à l'article 2, alinéa 1er, 7°, de l'arrêté royal du 9 juin 1999 relatif au compte de gestion et à la réserve administrative des caisses d'allocations familiales, est réduite de 5,5 millions d'euros. La réduction est répartie proportionnellement entre lesdites caisses conformément à la part revenant à chacune dans cette somme.]5
SECTIE V. - STORTING DER BIJDRAGEN
SECTION 5- Du versement des cotisations
Art. 95. (Opgeheven)
Art. 95. (Abrogé)
Art. 96. De bij een [1 kinderbijslagfonds]1 aangesloten werkgevers storten aan [1 dit kinderbijslagfonds]1 het bedrag van de door hen verschuldigde aanvullende bijdrage, bedoeld in (artikel 94, § 8), binnen de maand volgend op het kwartaal waarin zij werd gevraagd.
Art. 96. Les employeurs affiliés à une [1 caisse d'allocations familiales]1 versent à celle-ci le montant de la cotisation supplémentaire, visée à l'(article 94, § 8), dont ils sont redevables, dans le mois qui suit le trimestre au cours duquel la cotisation a été réclamée.
Art. 97. (In geval van niet-naleving van het voorschrift van artikel 96 is de betrokken werkgever ertoe gehouden aan [1 het betrokken kinderbijslagfonds]1 (...), te storten :
a) de achterstallige bijdragen, verhoogd met 10 t.h.;
b) (een intrest wegens verwijl berekend aan de wettelijke rentevoet)
(Lid 2 opgeheven)
(Lid 3 opgeheven)
(Indien de vertraging te wijten is aan een omstandigheid, onafhankelijk van de wil van de werkgever, kan het beheerscomité van [1 FAMIFED]1 hem op zijn verzoek geheel of gedeeltelijk ontslaan van de betaling van de verhoging (...) en van de interest wegens verwijl (...).
(lid opgeheven)
Art. 97. (En cas d'inobservation de la prescription de l'article 96, l'employeur en cause est tenu de verser à la [1 caisse d'allocations familiales]1 intéressée (...) :
a) les cotisations arriérées, majorées de 10 p.c.;
b) (un intérêt de retard calculé au taux légal d'intérêt)
(Alinéa 2 abrogé)
(Alinéa 3 abrogé)
(Si le retard est dû à une cause indépendante de la volonté de l'employeur, le Comité de gestion de [1 FAMIFED]1 peut lui accorder, à sa demande, remise totale ou partielle de la majoration (...) et de l'intérêt de retard (...).
(Alinéa abrogé.)
Art. 98. De werkgever heeft het recht noch afhoudingen te doen op de bezoldiging van de leden van zijn personeel, noch de geheele of gedeeltelijke terugbetaling te eischen van de (aanvullende bijdragen), (...).
Art. 98. L'employeur n'a le droit ni de retenir sur la rémunération des membres de son personnel ni de se faire rembourser par eux tout ou partie des (cotisations supplémentaires) (...).
SECTIE VI. - ANDERE BEPALINGEN BETREFFENDE DE BIJDRAGEN
SECTION 6- Autres dispositions relatives aux cotisations
Art. 99. De bij een [1 kinderbijslagfonds]1 (...) aangesloten werkgevers doen aan [1 dat kinderbijslagfonds]1 (...), regelmatig binnen de termijn welke door het desbetreffende reglement wordt bepaald, de inlichtingsstaat geworden welke nodig is tot het berekenen van (...) de aanvullende bijdragen welke zij verschuldigd zijn.
Indien de werkgever die verplichting niet nakomt binnen de voorgeschreven termijn, mag [1 het betrokken kinderbijslagfonds]1 (...), de door hem verschuldigde bijdragen ramen (...).
In geval van betwisting worden de aldus geraamde bijdragen voor juist gehouden tot bewijs van het tegendeel.
[1 Het betrokken kinderbijslagfonds of de FAMIFED]1, naargelang het geval, mag ook op kosten van de werkgever in kwestie de vereiste inlichtingsstaat ambtshalve laten opmaken.
Op verzoek van [1 het betrokken kinderbijslagfonds of de FAMIFED]1 zal dat werk worden gedaan door een der controleurs die aangeduid werden krachtens artikel 143 of bevoegd verklaard werden krachtens artikel 148.
Bij gebrek aan een regelmatig gehouden staat van het personeel en loonboek, kan de werkgever door [1 het betrokken kinderbijslagfonds]1 (...), worden beschouwd als hebbende geheel zijn personeel te werk gesteld (...).
Art. 99. Les employeurs affiliés à une [1 caisse d'allocations familiales]1 (...) font régulièrement parvenir à [1 cette caisse d'allocations familiales]1 (...), dans le délai fixé par le règlement sur la matière, l'état de renseignements nécessaires pour calculer (...) et les cotisations supplémentaires dont ils sont redevables.
Si l'employeur ne s'acquitte pas de cette obligation dans le délai prescrit, (la [1 caisse d'allocations familiales]1 intéressée), selon le cas, peut évaluer les cotisations dues par lui (...).
En cas de contestation, les cotisations ainsi évaluées sont réputées exactes, jusqu'à preuve du contraire.
La [1 caisse d'allocations familiales]1 ou [1 FAMIFED]1, selon le cas, peut aussi faire établir d'office, aux frais de l'employeur en cause, l'état de renseignements nécessaire.
A la demande de [1 caisse d'allocations familiales]1 ou de [1 FAMIFED]1, ce travail sera effectué par l'un des contrôleurs désignés, en vertu de l'article 143, ou habilités en vertu de l'article 148.
En l'absence d'un état du personnel et d'un livre de paie, régulièrement tenus, l'employeur peut être considéré par [1 la caisse d'allocations familiales]1, comme ayant occupé au travail l'ensemble de son personnel (...).
Art. 100. Het bedrag van de door de kinderbijslagfondsen te ontvangen bijdragen wordt vastgesteld (zonder rekening te houden met de gedeelten van een cent, indien het gedeelte 0,5 niet bereikt. De gedeelten van een cent die 0,5 of meer bereiken worden voor een cent gerekend).
De afronding op een (cent) naar boven of naar beneden geschiedt op het gezamenlijk te ontvangen bedrag.
Art. 100. Le montant des cotisations à recevoir par les Caisses d'allocations familiales est fixé (en négligeant les fractions de cent qui n'atteignent pas 0,5. Les fractions de cent qui atteignent 0,5 ou plus sont comptées pour un cent).
L'ajustement au (cent) supérieur ou inférieur s'opère sur le total à recevoir.
HOOFDSTUK VII. - [1 Het federaal agentschap voor de kinderbijslag (FAMIFED)]1
CHAPITRE VII-- [1 L'agence fédérale pour les allocations familiales (FAMIFED)]1
Art. 101. (Indien, binnen de termijn van artikel 34, geen gebruik werd gemaakt van de mogelijkheid voorzien in artikel 17, worden de toegelaten [3 kinderbijslagfondsen]3 van rechtswege bij de [3 FAMIFED]3 aangesloten.)
([3 FAMIFED]3 heeft tot taak de inkomsten van het stelsel onder deze verschillende [3 kinderbijslagfondsen]3 en zichzelf te verdelen, overeenkomstig de regels bepaald bij artikel 108).
(Hij is er bovendien mede belast onder dezelfde voorwaarden als de vrije kinderbijslagfondsen en onverminderd artikel 7 van het koninklijk besluit van 26 maart 1965 betreffende de kinderbijslag voor bepaalde categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel, (gezinsbijslag) uit te keren :
1° aan de [3 werknemers en de zelfstandigen]3 die krachtens [3 deze wet]3 gerechtigd zijn op deze uitkeringen en die daarop geen aanspraak kunnen maken ten laste van de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de openbare instellingen, bedoeld in artikel 18, (B.I.A.C. voor zover het de personeelsleden bedoeld bij artikel 1,15 ° van het koninklijk besluit van 27 mei 2004 betreffende de omzetting van B.I.A.C. in een naamloze vennootschap van privaatrecht en betreffende de luchthaveninstallaties betreft) of een kinderbijslaginstelling;
2° (aan de gewezen personeelsleden van de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, BELGACOM, [1 bpost]1, (BELGOCONTROL, BIAC) (voor zover het gaat om de personeelsleden bedoeld bij artikel 1,15 ° van het koninklijk besluit van 27 mei 2004 betreffende de omzetting van B.I.A.C. in een naamloze vennootschap van privaatrecht en betreffende de luchthaveninstallaties), de Regie voor Maritiem Transport en de instellingen die gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid bepaald in het vierde lid, die gerechtigd zijn op kinderbijslag krachtens de artikelen 56 of 57;
3° aan de wezen die gerechtigd zijn op kinderbijslag krachtens artikel 56bis, zo deze verschuldigd is door de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, BELGACOM, [1 bpost]1, (BELGOCONTROL, BIAC,) de Regie voor Maritiem Transport en de instellingen die gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid bepaald in het vierde lid, krachtens de uitvoeringsbepalingen van artikel 71, § 1bis;
4° aan de personen die gerechtigd zijn op kinderbijslag krachtens artikel 56quater, zo deze verschuldigd is door de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, BELGACOM, [1 bpost]1, (BELGOCONTROL, BIAC,) de Regie voor Maritiem Transport en de instellingen die gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid bepaald in het vierde lid krachtens de uitvoeringsbepalingen van artikel 71, § 1bis;) )
5° aan de personen, bedoeld in de artikelen 56quinquies tot 56septies;
6° aan de gesubsidieerde contractuelen, bedoeld in titel III, hoofdstuk II van de programmawet van 30 december 1988 (die geen aanspraak kunnen maken op deze gezinsbijslag ten laste van het bijzonder kinderbijslagfonds bedoeld in artikel 32);)
7° (aan de tijdelijke leerkrachten van het door de Gemeenschappen ingericht of gesubsidieerd onderwijs, met inbegrip van het bestuurspersoneel, het opvoedend hulppersoneel, het paramedisch, sociaal, psychologisch, administratief personeel en het technisch personeel van de psycho-medisch-sociale centra bezoldigd in de hoedanigheid van tijdelijke, evenals aan het meester-, vak- en dienstpersoneel van de onderwijsinstellingen, voor zover dit personeel direct wordt bezoldigd in de hoedanigheid van tijdelijke (of vervanger) door de bevoegde Gemeenschappen;)
(8° aan de vastbenoemde leerkrachten van het door de Gemeenschappen ingericht of gesubsidieerd onderwijs, met inbegrip van het bestuurspersoneel, het opvoedend hulppersoneel, het paramedisch, sociaal, psychologisch, administratief personeel en het technisch personeel van de psycho-medisch-sociale-centra bezoldigd in de hoedanigheid van vastbenoemde, evenals aan het meester-, vak- en dienstpersoneel van de onderwijsinstellingen, voor zover dit personeel direct wordt bezoldigd in de hoedanigheid van vastbenoemde door de bevoegde Gemeenschappen.)
(9° aan hen die aanspraak maken op kinderbijslag ten laste van en via de in artikel 3, 1° en 2°, bedoelde publiekrechtelijke rechtspersonen, wanneer die publiekrechtelijke rechtspersonen zich op 1 oktober 2008 niet hebben geconformeerd aan het bepaalde in artikel 33 van de programmawet van 20 juli 2006. Een protocol stelt de nadere regels vast voor de overheveling van de dossiers en de gegevens op grond waarvan [3 FAMIFED]3 de betalingen kan overnemen. (Zolang [3 FAMIFED]3 niet in staat is de betalingen over te nemen, worden deze tijdelijk verder gezet door de voornoemde publiekrechtelijke rechtspersonen. Deze bepaling is eveneens analoog van toepassing op de publiekrechtelijke rechtspersonen die na 1 oktober 2008 voor het eerst onderworpen zijn aan de verplichting bedoeld in voormeld artikel 33, omdat zij een of meer personen tewerkstellen die de hoedanigheid van rechthebbende hebben verworven na deze datum, [2 ...]2.)[3 Vanaf 1 januari 2015 beoogt deze bepaling het geheel van het personeel van de voornoemde publiekrechtelijke rechtspersonen die de bijdrage voorzien in artikel 38, § 3, 11°, van de wet van 29 juni 1981 houdende algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, verschuldigd zijn.]3)
[2 In de situaties die niet bedoeld zijn in het vorige lid en onverminderd artikel 32quinquies, wordt de betaling van de gezinsbijslagen aan de personeelsleden van de Staat en de instellingen die daarvan afhangen, ten laatste op 1 januari 2015, overgenomen door [3 FAMIFED]3. De modaliteiten van de overdracht van de dossiers en de gegevens aan de hand waarvan [3 FAMIFED]3 de betalingen kan overnemen, worden geregeld in een protocol. In afwachting van de overname van de betalingen door [3 FAMIFED]3, blijven de bedoelde publiekrechtelijke rechtspersonen tijdelijk doorbetalen.
[3 FAMIFED]3 wordt tevens gemachtigd de gezinsbijslagen te betalen aan het personeel van de gemeenschappen, de gewesten en de instellingen die daarvan afhangen, indien deze ten laatste op 31 december 2013 hierom vragen bij ter post aangetekend schrijven. De modaliteiten van de overdracht van de dossiers en de gegevens aan de hand waarvan [3 FAMIFED]3 de betalingen kan overnemen, worden geregeld in een protocol. In afwachting van de overname van de betalingen door [3 FAMIFED]3, blijven de bedoelde publiekrechtelijke rechtspersonen tijdelijk doorbetalen.]2

(De Koning kan [3 FAMIFED]3 ook toestemming verlenen tot het uitkeren van de gezinsbijslag verschuldigd op grond van de artikelen 56, 56bis, 56quater en 57 uit hoofde van ziekte, overlijden of pensionering van bepaalde categorieën van voormalige personeelsleden van overheidsinstellingen bedoeld in de wetten betreffende de afschaffing en de herstructurering van instellingen van openbaar nut en andere overheidsdiensten, gecoördineerd op 13 maart 1991, waarvan de ontbinding hangende is of beëindigd).)
([3 FAMIFED]3 neemt te zijnen laste de kosten van de medische onderzoeken, uitgevoerd met toepassing van de bepalingen van de bepalingen van de (artikelen 47, 56septies) en 63 en de daaraan verbonden administratiekosten, ten behoeve van de bij de artikelen 18bis, 19, 31 en 33 bedoelde kinderbijslaginstellingen.
[3 FAMIFED]3 neemt de kosten van de medische onderzoeken en de daaraan verbonden administratiekosten niet te zijnen laste wanneer deze onderzoeken uitgevoerd werden in het raam van de betalingen van de gezinsbijslag gedaan met toepassing van (de leden 3, 2°, 3°, 4°, 7° (, 8° en 9°), 4 en 5.) )
(Wanneer [3 FAMIFED]3 na 31 maart 2008 wordt belast met de bepaling van de gezinsbijslag aan het personeel van de publiekrechtelijke rechtspersonen bedoeld in artikel 3, 1° en 2°, bij toepassing van het derde lid, 9°, en het vierde lid van dit artikel, is hij gemachtigd voor rekening van deze personen in de mate dat zij federaal zijn de gezinsbijslag terug te vorderen die deze ten onrechte hebben betaald voor de overname van de betalingen door deze Rijksdienst. De publiekrechtelijke rechtspersonen bedoeld in artikel 3, 1° en 2°, die niet federaal zijn evenals de publiekrechtelijke rechtspersonen bedoeld in artikel 3, 1° en 2°, die [3 FAMIFED]3 voor 1 april 2008 belast hebben met de betaling van de gezinsbijslag voor hun personeel, kunnen onder dezelfde voorwaarden [3 FAMIFED]3 belasten met dezelfde opdracht.)
Art. 101. (Si, dans le délai visé à l'article 34, il n'a pas été fait usage de la faculté prévue à l'article 17, les [3 caisses d'allocations familiales]3 agréées sont affiliées de plein droit à [3 FAMIFED]3.)
([3 FAMIFED]3 a pour mission de répartir les recettes du régime entre ces diverses [3 caisses d'allocations familiales]3 et lui-même, conformément aux règles établies par l'article 108.)
(Il est chargé, en outre, de payer des prestations familiales dans les mêmes conditions que les [3 caisses d'allocations familiales]3 et sans préjudice de l'article 7 de l'arrêté royal du 26 mars 1965 relative aux allocations familiales allouées à certaines catégories du personnel rétribué par l'Etat :
1° aux [3 travailleurs salariés et indépendants]3 qui ont droit à ces prestations en vertu des [3 de la présente loi]3 et qui ne peuvent y prétendre à charge de l'Etat, des Communautés, des Régions, des établissements publics visés à l'article 18 (, de B.I.A.C dans la mesure où il s'agit du personnel visé à l'article 1er, 15° de l'arrêté royal du 27 mai 2004 relatif à la transformation de B.I.A.C. en société anonyme de droit prive et aux installations aéroportuaires) ou d'un organisme d'allocations familiales;
2° (aux anciens membres du personnel de l'Etat, des Communautés, des Régions, de BELGACOM, de [1 bpost]1, (de BELGOCONTROL, de BIAC) (dans la mesure où il s'agit du personnel visé à l'article 1er, 15° de l'arrêté royal du 27 mai 2004 relatif à la transformation de B.I.A.C. en société anonyme de droit privé et aux installations aéroportuaires), de la Régie des transports maritimes et des institutions ayant fait usage de la faculté prévue à l'alinéa 4, qui ont droit aux allocations familiales en vertu de l'article 56 ou 57;
3° aux orphelins qui ont droit aux allocations familiales en vertu de l'article 56bis, si celles-ci sont dues par l'Etat, les Communautés, les Régions, BELGACOM, [1 bpost]1, (BELGOCONTROL, BIAC), la Régie des transports maritimes et les institutions ayant fait usage de la faculté prévue à l'alinéa 4, en vertu des dispositions prises en exécution de l'article 71, § 1bis;
4° aux personnes qui ont droit aux allocations familiales en vertu de l'article 56quater, si celles-ci sont dues par l'Etat, les Communautés, les Régions, BELGACOM, [1 bpost]1, (BELGOCONTROL, BIAC), la Régie des transports maritimes et les institutions ayant fait usage de la faculté prévue à l'alinéa 4, en vertu des dispositions prises en exécution de l'article 71, § 1bis;)
5° aux personnes visées aux articles 56quinquies à 56septies;
6° aux contractuels subventionnés visés au titre III, chapitre II de la loi-programme du 30 décembre 1988 (ne pouvant prétendre auxdites prestations familiales à charge de la caisse [3 d'allocations familiales]3 spéciale visée à l'article 32);)
7° (aux enseignants temporaires des établissements d'enseignement organisé ou subventionné par les Communautés, y compris le personnel directeur, auxiliaire d'éducation, paramédical, social, psychologique, administratif et le personnel technique des centres psycho-médico-sociaux rémunérés en tant que temporaires, ainsi qu'au personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement, pour autant que ce personnel soit directement rémunéré en tant que temporaire (ou remplaçant) par les Communautés compétentes;)
(8° aux enseignants définitifs des établissements d'enseignement organisé ou subventionné par les Communautés, y compris le personnel directeur, auxiliaire d'éducation, paramédical, social, psychologique, administratif et le personnel technique des centres psycho-médico-sociaux rémunérés en tant que définitifs, ainsi qu'au personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement, pour autant que ce personnel soit directement rémunéré en tant que définitif par les Communautés compétentes.)
(9° aux personnes qui ont droit aux prestations familiales à charge et à l'intervention des personnes de droit public visées à l'article 3, 1° et 2°, lorsque ces personnes de droit public, à la date du 1er octobre 2008, ne se sont pas conformées aux dispositions de l'article 33 de la loi-programme du 20 juillet 2006. Un protocole fixe les modalités de transfert des dossiers et données permettant la reprise des paiements par [3 FAMIFED]3. (Aussi longtemps que [3 FAMIFED]3 n'est pas en mesure de reprendre les paiements, ceux-ci sont poursuivis temporairement par lesdites personnes de droit public. La présente disposition est également applicable aux personnes de droit public qui, après le 1er octobre 2008, sont soumises pour la première fois à l'obligation visée à l'article 33 précité en raison du fait qu'elles occupent une ou plusieurs personnes qui ont acquis la qualité d'attributaire après cette date, [2 ...]2.))[3 A partir du 1er janvier 2015, la présente disposition vise l'ensemble du personnel des personnes de droit public désignées ci-avant qui sont redevables de la cotisation prévue à l'article 38, § 3, 11°, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés.]3
[2 Dans les situations non visées à l'alinéa précédent et sans préjudice de l'article 32quinquies, le paiement des prestations familiales aux membres du personnel de l'Etat et des organismes qui en dépendent, est repris, pour le 1er janvier 2015 au plus tard, par [3 FAMIFED]3. Un protocole fixe les modalités de transfert des dossiers et données permettant la reprise des paiements par [3 FAMIFED]3. En attendant la reprise des paiements par [3 FAMIFED]3, ceux-ci sont poursuivis par lesdites personnes de droit public.
[3 FAMIFED]3 est également autorisé à procéder au paiement des prestations familiales dues au personnel des communautés, régions et organismes qui en dépendent, si ces derniers le demandent, par lettre recommandée à la poste, au plus tard le 31 décembre 2013. Un protocole fixe les modalités de transfert des dossiers et données permettant la reprise des paiements par [3 FAMIFED]3. En attendant, la reprise des paiements par [3 FAMIFED]3, ceux-ci sont poursuivis temporairement par lesdites personnes de droit public.]2

(Le Roi peut également autoriser [3 FAMIFED]3 à procéder au paiement des prestations familiales dues en application des articles 56, 56bis, 56quater et 57 en raison de la maladie, du décès ou de la mise à là pension de certaines catégories d'anciens membres du personnel d'organismes publics visés par les lois relatives à la suppression et à la restructuration d'organismes d'intérêt public et des services de l'Etat coordonnées le 13 mars 1991, dont la dissolution est en cours ou terminée.)
([3 FAMIFED]3 prend à sa charge le coût des expertises médicales effectuées en application des dispositions des (articles 47, 56septies) et 63, et les frais administratifs y afférents, en faveur des organismes d'allocations familiales visés aux articles 18bis, 31 et 33.
[3 FAMIFED]3 ne prend pas à sa charge le coût des expertises médicales et des frais administratifs y afférents lorsque ces expertises sont réalisées dans le cadre des paiements de prestations familiales effectués en application (des alinéas 3, 2°, 3°, 4°, 7° (, 8° et 9°), 4 et 5.) )
(Lorsque [3 FAMIFED]3 est chargé, après le 31 mars 2008, de payer les prestations familiales au personnel de personnes de droit public visées à l'article 3, 1° et 2°, en application des alinéas 3, 9°, et 4 du présent article, il est autorisé à récupérer, pour le compte de ces personnes pour autant qu'elles soient fédérales, les prestations familiales que celles-ci ont payées indûment avant la reprise des paiements par cet Office. Les personnes de droit public visées à l'article 3, 1° et 2°, qui ne sont pas fédérales ainsi que les personnes de droit public visées à l'article 3, 1° et 2°, qui ont chargé [3 FAMIFED]3, avant le 1er avril 2008, de payer les prestations familiales à leur personnel peuvent, dans les mêmes conditions, charger [3 FAMIFED]3 de la même mission.)
Art. 102. § 1. (De Koning kan, op voorstel van het Beheerscomité van [1 FAMIFED]1, afwijken, inzonderheid van de voorwaarde van tewerkstelling in België bedoeld in artikel 1, in categorieën van behartigenswaardige gevallen die Hij bepaalt en [1 FAMIFED]1 ermee belasten om gezinsbijslag uit te betalen voor deze categorieën.)
De [1 bevoegde minister]1 bepaalt, op voorstel van het Beheerscomité van [1 FAMIFED]1, de voorwaarden waaronder deze gezinsbijslag wordt toegekend aan de categorieën van personen bepaald door de Koning krachtens het eerste lid.
(...)
(...)
§ 2. [1 FAMIFED]1 is belast met het betalen van gezinsbijslag aan de categorieën van personen die vóór 1 januari 1997 gerechtigd waren op voordelen verleend ten laste van zijn reservefonds onder de voorwaarden die vóór deze datum waren vastgesteld.
[2 ...]2
De Koning kan, op voorstel van het Beheerscomité van [1 FAMIFED]1, categorieën van personen bedoeld in het eerste lid uitsluiten van het recht op kinderbijslag. De [1 bevoegde minister]1 kan, op voorstel van het Beheerscomité van [1 FAMIFED]1, de toekenningsvoorwaarden bedoeld in het eerste lid wijzigen.)
Art. 102. § 1er. (Le Roi peut, sur proposition du Comité de gestion de [1 FAMIFED]1, déroger notamment à la condition d'occupation en Belgique visée à l'article 1er dans des catégories de cas dignes d'intérêt qu'Il détermine et charger [1 FAMIFED]1 d'octroyer les prestations familiales en faveur de ces catégories.)
Le [3 ministre compétent]3 détermine, sur proposition du Comité de gestion de [1 FAMIFED]1, les conditions auxquelles ces prestations familiales sont accordées aux catégories de personnes déterminées par le Roi en vertu de l'alinéa 1er.
(...)
(...)
§ 2. [1 FAMIFED]1 est chargé de verser les prestations familiales aux catégories de personnes qui bénéficiaient des avantages accordés à la charge de son fonds de réserve avant le 1er janvier 1997, aux conditions qui étaient fixées avant cette date.
[2 ...]2
Le Roi peut, sur proposition du Comité de gestion de [1 FAMIFED]1, soustraire du droit aux allocations familiales des catégories de personnes visées à l'alinéa 1er. Le [1 ministre compétent]1 peut, sur proposition du Comité de gestion de [1 FAMIFED]1, modifier les conditions d'octroi visées à l'alinéa 1er.)
Art. 103. (opgeheven)
Art. 103. (Abrogé)
Art. 104. Het beheerscomité van de [1 FAMIFED]1 bepaalt de wijze van berekening van de vergoeding die kan worden toegekend aan zijn aangeslotenen die belast zijn met de opdracht bedoeld in artikel 18bis; deze beslissing moet worden goedgekeurd door de [1 bevoegde minister]1.
Art. 104. Le Comité de Gestion de [1 FAMIFED]1 détermine le mode de calcul de l'indemnisation qui peut être accordée à ses affiliés qui sont chargés de la mission visée dans l'article 18bis; cette décision doit être approuvée par [1 le ministre compétent]1.
Art. 105. De beheerskosten van [1 FAMIFED]1 zullen worden gedekt door middel van :
1° de opbrengst welke voortvloeit uit de toepassing van de artikelen 24, zesde lid, 31, elfde lid, 33, derde lid, (...);
2° een heffing op het gedeelte van de bijdragen voor maatschappelijke zekerheid bestemd voor de kinderbijslag en dat door de bevoegde instellingen aan de [1 FAMIFED]1 dient gestort.
(De in het eerste lid, 2°, bedoelde heffing mag niet meer belopen dan het werkelijk bedrag van de beheerskosten vermeld in de begroting van de Rijksdienst, verminderd met de opbrengst bedoeld in het eerste lid, 1°).
Art. 105. Les dépenses d'administration de [2 FAMIFED]2 seront couvertes au moyen :
1° du produit de l'application des articles 24, alinéa 6, 31, alinéa 11, 33, alinéa 3, (...);
2° d'un prélèvement sur la part des cotisations de sécurité sociale, destinée aux allocations familiales et qui doit être versé par les organismes compétents à [1 FAMIFED]1.
(Le prélèvement visé à l'alinéa 1er, 2°, ne peut pas dépasser le montant réel des frais d'administration repris dans le budget de l'Office national diminué du produit visé à l'alinéa 1er, 1°)
Art. 106. De [2 FAMIFED]2 zal een reservefonds (voor de kinderbijslag, het kraamgeld en de adoptiepremie) samenstellen door middel van :
1° de overschotten, waarvan sprake in (artikel 108 eerste lid, 3°);
2° alle andere middelen, welke hem mochten worden toegekend.
(Het reservefonds is bestemd :
1° in hoofdzaak om in eventuele onvoldoende inkomsten te voorzien;
[1 tot definitieve dekking van de ten onrechte betaalde gezinsbijslag die niet kan teruggevorderd worden wegens de verjaring bedoeld in artikel 120bis, of op grond van de bepalingen van artikel 17 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het handvest van de sociaal verzekerde;]1
[1 ...]1
4° (...)
[1 ...]1
6° tot dekking van de verliezen veroorzaakt door elke andere oorzaak, mits het voorafgaand akkoord van de [2 minister bevoegd voor Sociale Zaken]2).
[1 ...]1
(Het reservefonds van [2 FAMIFED]2 is, daarenboven, bestemd om de thesauriemiddelen nodig voor de uitbetaling van de kinderbijslagen te stijven in afwachting van de inning van de bijdragen. (tweede zin opgeheven) :
1° tot het stijven van het fonds voor collectieve uitrustingen en diensten in geval van toepassing van lid 2 van § 4 van artikel 107;
2° (...))
(lid opgeheven)
(lid opgeheven)
Art. 106. [2 FAMIFED]2 se constituera un fonds de réserve (des allocations familiales, des allocations de naissance et des primes d'adoption) au moyen :
1° des excédents, dont il est question (à l'article 108, alinéa 1er, 3°)
2° de toutes autres ressources qui lui seraient attribuées.
(Le fonds de réserve est destiné :
1° en ordre principal, à parer à des insuffisances éventuelles de recettes;
[1 à la couverture définitive des prestations familiales payées indûment qui ne peuvent être mises en recouvrement en raison de la prescription visée à l'article 120bis, ainsi qu'en vertu des dispositions de l'article 17 de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer la charte de l'assuré social;]1
[1 ...]1
4° (...)
[1 ...]1
6° à la couverture des pertes occasionnées par toute autre cause, avec l'accord préalable du [2 ministre qui a les Affaires sociales dans ses compétences]2.)
[1 ...]1
(Le fonds de réserve de [2 FAMIFED]2 est, en outre, destiné à alimenter le fonds de roulement nécessaire au paiement des allocations familiales en attendant l'encaissement des cotisations. (seconde phrase abrogée)
1° à alimenter le fonds d'équipements et de services collectifs, en cas d'application de l'alinéa 2 du § 4 de l'article 107;
2° (abrogé))
(alinéa abrogé)
(alinéa abrogé)
Art. 106bis. [1 [2 FAMIFED]2 laat de bedragen ten onrechte betaalde gezinsbijslag ten laste van het globaal beheer van de sociale zekerheid ingesteld door de wet houdende sociale bepalingen van 30 maart 1994, in de volgende gevallen :
1° wanneer afgezien wordt van terugvordering omdat die uit sociaal oogpunt niet raadzaam is;
2° bij toepassing van artikel 119bis;
3° wanneer terugvordering technisch onmogelijk blijkt;
4° bij toepassing van artikel 22, § 3, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het handvest van de sociaal verzekerde.]1

Art. 106bis. [1 [2 FAMIFED]2 délaisse à charge de la gestion globale de la sécurité sociale instituée par la loi portant des dispositions sociales du 30 mars 1994, les montants des prestations familiales versées indûment, dans les hypothèses suivantes :
1° lorsqu'il est renoncé au recouvrement en raison du caractère socialement contre-indiqué de celui-ci;
2° en cas d'application de l'article 119bis;
3° lorsque le recouvrement s'avère techniquement impossible;
4° en cas d'application de l'article 22, § 3, de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer la charte de l'assuré social.]1

Art. 107.
Art. 107.
Art. 107bis. (opgeheven)
Art. 107bis. (abrogé)
HOOFDSTUK VIII. - [1 Financiële verdeling waarmee FAMIFED is belast]1
CHAPITRE VIII-[1 De la répartition financière que FAMIFED est chargé d'opérer.]1
Art. 108. [1 FAMIFED]1 gebruikt het deel van de bijdragen van de maatschappelijke zekerheid dat voor de kinderbijslag bestemd is en door de bevoegde instellingen wordt gestort, (...), en de staatstoelage waarvan sprake in artikel 110 als volgt :
1° (hij verdeelt onder de [1 kinderbijslagfondsen]1, met uitzondering van de [1 het bijzondere kinderbijslagfonds]1 bedoeld in artikel 32, de sommen bestemd voor de uitkering van de kinderbijslag, het kraamgeld en de adoptiepremie, evenals van de achterstallige gezinsvakantiebijslag, verschuldigd overeenkomstig artikel 73quater zoals het van kracht was tot 1 januari 1983;)
2° hij stort aan [1 elk kinderbijslagfonds]1, met uitzondering van de [1 het bijzondere kinderbijslagfonds]1 beoogd bij artikel 32, (de toelage voorzien bij artikel 94) en bestemd tot het dekken van de bestuurskosten van [1 dat kinderbijslagfonds]1;
3° hij stort het eventuele overschot in zijn reservefonds(.
(Opgeheven)
Art. 108. [1 FAMIFED]1 utilise la part des cotisations de sécurité sociale destinée aux allocations familiales et versée par les organismes compétents, (...), et la subvention de l'Etat dont il est question à l'article 110, de la manière suivante :
1° (il distribue aux [1 caisses d'allocations familiales]1, à l'exclusion de la [1 caisse d'allocations familiales spéciale]1 visée à l'article 32, les sommes destinées au paiement des allocations familiales, des allocations de naissance et des primes d'adoption, ainsi que de l'allocation familiale de vacances arriérée, due conformément à l'article 73quater tel qu'il était en vigueur jusqu'au 1er janvier 1983;)
2° il verse à chaque [1 caisses d'allocations familiales]1, à l'exclusion de la [1 caisse d'allocations familiales spéciale]1 visée à l'article 32, (la subvention prévue à l'article 94) et destinée à couvrir les frais d'administration de [1 ladite caisse d'allocations familiales]1;
3° il verse l'excédent éventuel à son fonds de réserve.
(Abrogé)
Art. 109. (opgeheven)
Art. 109. (Abrogé)
HOOFDSTUK VIIIbis. _ TOELAGE VAN DE STAAT
CHAPITRE VIIIbis_ DE LA SUBVENTION DE L'ETAT.
Art. 110. (De Staat stort elk jaar aan [1 FAMIFED]1 een toelage gelijk aan het verschil tussen, enerzijds, het globaal jaarlijks bedrag :
1° van de (kinderbijslag, het kraamgeld en de adoptiepremie) voorzien bij [1 deze wet]1, voor dat jaar te betalen;
2° van de bij [1 deze wet]1 of in toepassing ervan vastgestelde heffingen bestemd om de bestuurskosten van de [1 kinderbijslagfondsen]1 en de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers te dekken,
en, anderzijds, de opbrengst van de voor hetzelfde jaar te innen bijdragen)
(Onverminderd de toepassing van het tweede lid van § 4 van artikel 107 (...)[1 ...]1, is het eerste lid van dit artikel niet van toepassing indien en in de mate waarin, op het einde van het jaar, genoemd verschil kan gedekt worden door het in artikel 106 genoemd reservefonds.)
(De Koning bepaalt de perken binnen welke de bij artikel 32 bedoelde Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten deze toelage geniet.)
Art. 110. (L'Etat verse chaque année, à [1 FAMIFED]1, une subvention égale à la différence entre, d'une part, le montant global annuel :
1° (des allocations familiales, des allocations de naissance et des primes d'adoption) prévues par la présente loi[1 ]1, à payer pour cette année;
2° des prélèvements fixés par [1 la présente loi]1 ou en application de [1 celle-ci]1, destinés à couvrir les frais d'administration des [1 caisses d'allocations familiales]1 et de [1 FAMIFED]1.
et, d'autre part, le produit des cotisations à percevoir pour la même année.)
(Sans préjudice de l'application de l'alinéa 2 du § 4 de l'article 107 (...) [1 ...]1, l'alinéa 1er du présent article ne s'applique pas si, et dans la mesure où, à la fin de l'année, ladite différence peut être couverte par le fonds de réserve visé à l'article 106)
(Le Roi fixe les limites dans lesquelles l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales visé à l'article 32 bénéficie de cette subvention.)
Art. 110/1. [1 De financiering van de opdrachtenbegroting van FAMIFED betreffende de periode van 1 juli 2014 tot 31 december 2014 wordt verzekerd respectievelijk door de RSZ-globaal beheer bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, en door het globaal financieel beheer van het sociaal statuut der zelfstandigen bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 november 1996 strekkende tot invoering van een globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van hoofdstuk I van titel VI van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. Het aandeel van de RSZ-globaal beheer bedraagt 90,89 % en het aandeel van het globaal financieel beheer van het sociaal statuut der zelfstandigen 9,11 %. Deze verdeelsleutel kan worden gewijzigd bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.]1
Art. 110/1. [1 Le financement des frais de mission de FAMIFED concernant la période du 1er juillet 2014 au 31 décembre 2014 est assuré respectivement par l'ONSS-gestion globale visé à l'article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, et par la gestion financière globale du statut social des travailleurs indépendants visée à l'article 2 de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 visant l'introduction d'une gestion financière globale dans le statut social des travailleurs indépendants, en application du chapitre Ier du titre VI de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions. La part de l'ONSS-gestion globale s'élève à 90,89 % et celle de la gestion financière globale du statut des travailleurs indépendants est de 9,11 %. Cette clef de répartition peut être modifiée par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.]1
Art. 110/2. [1 Onverminderd het tweede lid, wordt de financiering van de beheersbegroting van FAMIFED betreffende de periode van 1 juli 2014 tot 31 december 2014 verzekerd door de RSZ-globaal beheer bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
Het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen stort aan FAMIFED, in de loop van het tweede trimester van 2014, een bedrag van 4,5 miljoen euro ter medefinanciering van de voormelde beheersbegroting.]1

Art. 110/2. [1 Sans préjudice de l'alinéa 2, le financement des frais de gestion de FAMIFED concernant la période du 1er juillet 2014 au 31 décembre 2014 est assuré par l'ONSS-gestion globale visé à l'article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrête-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
L'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants verse à FAMIFED, au cours du deuxième trimestre 2014, un montant de 4,5 millions d'euros à titre de financement des frais de gestion précités.]1

HOOFDSTUK IX. - [1 Bijslagen door het rijk of de provincies terug te betalen aan FAMIFED]1
CHAPITRE IX_- [1 Des allocations à rembourser à FAMIFED par l'état ou les provinces]1
Art. 111. De gezinsbijslag, betaald door [1 FAMIFED]1 (met toepassing van artikel 101, derde lid, 2°, 3°, 4°, 7°, 8° en 9°), [2 vierde, vijfde en zesde lid]2, en de daarop betrekking hebbende administratiekosten worden door de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten (, B.I.A.C.) of de bij artikel 3, 2°, bedoelde openbare instellingen aan [1 FAMIFED]1 terugbetaald volgens de door de Koning bepaalde modaliteiten.
(De administratiekosten die worden gestort door de in artikel 101, derde lid, 9°, bedoelde publiekrechtelijke rechtspersonen, worden vastgesteld op 1,35 % van het bedrag van de in hun plaats betaalde kinderbijslag, wegens de overdracht, door die rechtspersonen, van het type gegevens dat het, overeenkomstig de bij de Koning vastgestelde nadere regels, mogelijk maakt dat het percentage van de aan [1 FAMIFED]1 verschuldigde kosten kan worden verminderd.)
De overheid belast met de terugbetaling van de gezinsbijslag betaald door [1 FAMIFED]1 met toepassing van artikel 101, vijfde lid, wordt door de Koning aangewezen.
Art. 111. Les prestations familiales payées par [1 FAMIFED]1 (en application de l'article 101, alinéa 3, 2°, 3°, 4°, 7°, 8° et 9°),[2 alinéas 4, 5 et 6]2, ainsi que les frais d'administration y afférents sont remboursés à [1 FAMIFED]1 par l'Etat, les Communautés, les Régions ou les établissements publics visés à l'article 3, 2° (, la B.I.A.C.), selon les modalités fixées par le Roi.
(Les frais d'administration versés par les personnes de droit public visées à l'article 101, alinéa 3, 9°, sont fixés à 1,35 % du montant des prestations familiales payées pour leur compte, en raison de la transmission, par elles, des types de données permettant, selon les modalités fixées par le Roi, cette réduction du pourcentage des frais dus à [1 FAMIFED]1.)
L'autorité chargée du remboursement des prestations familiales payées par [1 FAMIFED]1 en application de l'article 101, alinéa 5, est désignée par le Roi.
Art. 112. (opgeheven)
Art. 112. (Abrogé)
HOOFDSTUK X. - [1 Te volgen voorschriften in geval van gemis van evenwicht tussen de ontvangsten van famifed en de globale som waarover hij moet beschikken om het wettelijke bijslagminimum aan de rechthebbende kinderen te verzekeren]1
CHAPITRE X_- [1 Des règles à suivre en cas de déséquilibre, entre les recettes de FAMIFED et la somme globale dont il a besoin pour assurer les minima égaux d'allocations à tous les enfants bénéficiaires]1
Art. 113. Wanneer de ontvangsten waarover [1 FAMIFED]1 krachtens artikel 108, eerste lid, beschikt, ontoereikend zijn om hem in staat te stellen de verplichtingen na te komen welke voortvloeien uit de bij dat eerste lid bepaalde verdelingen, worden de nodige sommen om dat tekort aan te vullen op de bij artikel 110 bepaalde Rijkstoelage geheven.
Art. 113. Lorsque les recettes dont [1 FAMIFED]1 dispose en vertu de l'article 108, alinéa 1er, sont insuffisantes pour lui permettre de satisfaire aux obligations qui découlent des répartitions prévues par cet alinéa 1er, les sommes nécessaires pour parer à cette insuffisance sont prélevées sur la subvention de l'Etat prévue à l'article 110.
Art. 114. In elk geval mag [1 FAMIFED]1 de ontoereikendheid van de door hem tijdens een boekjaar ontvangen gelden verhelpen door middel van voor andere boekjaren geldende ontvangsten.
Art. 114. En tout état de cause, [1 FAMIFED]1 peut parer à l'insuffisance des fonds encaissés par lui au cours d'un exercice au moyen de recettes afférentes à d'autres exercices.
HOOFDSTUK XI. _ BEOORDELING EN BIJLEGGING VAN GESCHILLEN
CHAPITRE XI_ DU JUGEMENT OU DE L'APLANISSEMENT AMIABLE DES CONTESTATIONS
Art. 115. (opgeheven)
Art. 115. (Abrogé)
Art. 116. (opgeheven)
Art. 116. (Abrogé)
Art. 117. De arbeidsrechtbank neemt kennis van de geschillen tussen de [1 kinderbijslagfondsen]1 of de [1 FAMIFED]1 en (de personen aan wie gezinsbijslag) verschuldigd is of moet worden gestort.
Bij hetzelfde gerecht worden aangebracht de geschillen tussen die personen en de werkgever voor wiens rekening de arbeid wordt verricht die voor toekenning (van de gezinsbijslag) in aanmerking komt.
(Indien de gezinsbijslag is of moet worden uitbetaald) aan iemand anders dan de belanghebbende [1 werknemer of zelfstandige]1, wordt de plaatselijke bevoegdheid inzake de door of tegen die persoon ingestelde vorderingen bepaald door de plaats waar deze (zijn hoofdverblijfplaats heeft in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.)
Art. 117. Le tribunal du travail connait des contestations qui s'élèvent entre [1 caisses d'allocations familiales]1 ou [1 FAMIFED]1 et les personnes (auxquelles des prestations familiales sont dues) ou doivent être versées.
Sont déférés à la même juridiction, les différends qui surgissent entre ces personnes et l'employeur pour le compte duquel s'exécute le travail qui donne lieu (aux prestations familiales)
(Si les prestations familiales sont versées) ou doivent être versées à une personne autre que le [1 travailleur salarié ou indépendant]1 intéressé la compétence quant au lieu par rapport aux actions intentées par ou contre cette personne, est déterminée par la localité où celle-ci (a sa résidence principale au sens de l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques.)
Art. 118. In de zaken waarin een medisch expert wordt aangewezen, worden de voorschotten, de erelonen en de kosten van deze expert, die vervat zijn in de nota die hij opstelt overeenkomstig de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, vermeld met toepassing van het door de Koning vastgestelde tarief.
Art. 118. Dans les affaires pour lesquelles un expert médical est désigné, les provisions, les honoraires et les frais de cet expert, contenus dans le relevé qu'il établit conformément aux dispositions du Code judiciaire, sont indiqués en appliquant le tarif fixé par le Roi.
Art. 119. De geschillen tussen de kinderbijslagfondsen of [1 FAMIFED]1 en hun leden, zelfs wanneer deze handelaars zijn, [1 of de in artikel 15, § 3, eerste en tweede lid, bedoelde sociale verzekeringsfondsen]1 behoren in elk geval tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank.
Art. 119. Les contestations entre les [1 caisses d'allocations familiales]1 ou [1 FAMIFED]1 et leurs affiliés, même commerçants, [1 ou les caisses d'assurances sociales visées à l'article 15, § 3, alinéas 1er et 2,]1 sont dans tous les cas, de la compétence du tribunal du travail.
Art. 119bis. Wanneer de invordering van de verschuldigde sommen al te onzeker of te bezwarend blijkt in verhouding met het bedrag van de in te vorderen sommen, kunnen de kinderbijslaginstellingen binnen de perken bepaald door de Koning hetzij van het navorderen van die sommen door een gerechtelijke procedure, hetzij van de invordering van die sommen door gedwongen ten uitvoerlegging, afzien.
De kinderbijslaginstellingen kunnen daarenboven afzien van de terugvordering van geringe sommen, binnen de perken bepaald door de Koning, wanneer de terugvordering van deze sommen door inhouding op later verschuldigde bijslag niet mogelijk is.
[1 ...]1
Art. 119bis. Lorsque le recouvrement des sommes dues s'avère trop aléatoire ou trop onéreux par rapport au montant des sommes à recouvrer, les organismes d'allocations familiales peuvent, dans les limites déterminées par le Roi, renoncer soit à toute poursuite par voie judiciaire en vue de la perception de ces sommes, soit à poursuivre le recouvrement de ces sommes par voie d'exécution forcée.
Les organismes d'allocations familiales peuvent en outre renoncer à la récupération de sommes modiques, dans les limites fixées par le Roi, lorsqu'il n'est pas possible de procéder à la récupération de ces sommes par voie de retenues sur des allocations familiales ultérieurement dues.
[1 ...]1
HOOFDSTUK XII. - DE VERJARING.
CHAPITRE XII_ DE LA PRESCRIPTION.
Art. 120. (De rechtsvorderingen waarover de personen beschikken, aan wie de kinderbijslag, het kraamgeld en de adoptiepremie verschuldigd zijn of moeten uitbetaald worden, moeten binnen de (vijf jaar) worden ingesteld.)
(Voor de kinderbijslagen) betreffende een zeker aantal dagen van een trimester, neemt de termijn van (vijf jaar) aanvang den laatsten dag van gezegde trimester.
(Voor het kraamgeld neemt de termijn van (vijf jaar) een aanvang de laatste dag van het trimester waarin de geboorte plaats vond. Voor de adoptiepremie, neemt de termijn van (vijf jaar) een aanvang de laatste dag van het trimester waarin (het verzoekschrift dat de wil uitdrukt om te adopteren wordt ingediend bij de bevoegde rechtbank of, bij gebrek hieraan, de laatste dag van het trimester waarin de adoptieakte is ondertekend; indien echter het kind op deze datum nog geen deel uitmaakt van het gezin van de adoptant, vangt de voormelde termijn aan op de laatste dag van het trimester in de loop waarvan het kind werkelijk deel uitmaakt van dit gezin.).)
(Buiten de oorzaken vermeld in het Burgerlijk Wetboek, wordt de verjaring gestuit door een aanvraag of een klacht, bij gewone brief, fax of elektronische post verzonden naar de kinderbijslaginstelling die bevoegd is voor de toekenning van de gezinsbijslag, of door de neerlegging van een dergelijke aanvraag of klacht bij deze instelling. Naargelang van het geval, gebeurt de stuiting op de datum van het aangetekend schrijven, waarvoor de postdatum als bewijs geldt, of, bij gebreke eraan, op de datum van het ontvangstbewijs dat door de bevoegde kinderbijslaginstelling wordt afgeleverd aan de persoon die deze bijslag aanvraagt of opeist.)
(In afwijking van het vierde lid geldt, naargelang van het geval, als datum voor de aanvraag of klacht die werd toegezonden aan de bevoegde kinderbijslaginstelling en die werd ingediend bij een onbevoegde Belgische instelling van sociale zekerheid, de datum van het aangetekend schrijven, waarvoor de postdatum geldt als bewijs, of, bij gebreke eraan, de ontvangstdatum die de laatst genoemde instelling aan de bevoegde kinderbijslaginstelling meedeelt.)
De onderbreking is geldig voor (vijf jaar). Zij mag worden hernieuwd.
In geen geval zullen (de kinderbijslaginstellingen) aan het voordeel der verjaring, zoals zij bij dit artikel werd vastgesteld, verzaken.
Art. 120. (Les actions dont disposent les personnes à qui les allocations familiales, l'allocation de naissance et la prime d'adoption sont dues ou doivent être versées, doivent être intentées dans les (cinq ans).)
(Pour les allocations familiales) afférentes à un nombre quelconque de jours compris dans un trimestre, le délai de (cinq ans) prend cours le dernier jour dudit trimestre.
(Pour l'allocation de naissance, le délai de (cinq ans) prend cours le dernier jour du trimestre au cours duquel la naissance a eu lieu. Pour la prime d'adoption, le délai de (cinq ans) prend cours le dernier jour du trimestre au cours duquel (la requête exprimant la volonté d'adoption a été déposée devant le tribunal compétent ou, à défaut de celle-ci, le dernier jour du trimestre au cours duquel l'acte d'adoption a été signé; toutefois, si l'enfant ne fait pas encore partie du ménage de l'adoptant à cette date, le délai précité prend cours le dernier jour du trimestre au cours duquel l'enfant fait réellement partie de ce ménage).)
(Outre les causes prévues au Code civil, la prescription est interrompue par l'envoi d'une demande ou d'une réclamation par courrier postal, télécopie ou courrier électronique, à l'organisme d'allocations familiales compétent pour l'octroi des prestations familiales, ou par le dépôt d'une telle demande ou réclamation auprès de cet organisme. L'interruption se produit, selon le cas, à la date du pli recommandé, le cachet de la poste faisant foi, ou, à défaut, à celle fixée par l'accusé de réception établi par l'organisme d'allocations familiales compétent à l'attention de la personne qui demande ou réclame ces prestations.)
(Par dérogation à l'alinéa 4, la demande ou la réclamation transmise à l'organisme d'allocations familiales compétent, qui a été introduite auprès d'une institution de sécurité sociale belge incompétente, a pour date, selon le cas, celle du pli recommandé, le cachet de la poste faisant foi, ou, à défaut, celle à laquelle l'institution précitée atteste à l'attention de l'organisme d'allocations familiales compétent l'avoir reçue.)
L'interruption est valable pour (cinq ans). Elle peut être renouvelée.
En aucun cas, (les organismes d'allocations familiales) ne renonceront au bénéfice de la prescription, telle qu'elle est définie par le présent article.
Art. 120bis. De terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen kan niet geëist worden na verloop van een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied.
Benevens de redenen waarin is voorzien in het Burgerlijk Wetboek, wordt de verjaring gestuit door het eisen van het onverschuldigd uitbetaalde, door middel van een ter post aangetekend aan de schuldenaar betekend schrijven.
[1 In afwijking van het eerste lid wordt de verjaringstermijn op vijf jaar gebracht als de ten onrechte betaalde uitkeringen verkregen werden door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen. [2 Die termijn gaat in op de dag waarop de instelling kennis heeft van het bedrog, de arglist of de bedrieglijke handelingen van de sociaal verzekerde.]2]1
Art. 120bis. répétition des prestations familiales indûment payées ne peut être réclamée après l'expiration d'un délai de trois ans prenant cours à la date à laquelle le paiement a été effectué.
Outre les causes prévues par le Code civil, la prescription est interrompue par la réclamation des paiements indus notifiée au débiteur par lettre recommandée à la poste.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, le délai de prescription est porté à cinq ans si les prestations payées indûment ont été obtenues à la suite de manoeuvres frauduleuses ou de déclarations fausses ou sciemment incomplètes. [2 Ce délai prend cours à la date à laquelle l'institution a connaissance de la fraude, du dol ou des manoeuvres frauduleuses de l'assuré social.]2]1
Art. 121. De vorderingen waarover de [1 kinderbijslagfondsen]1 (...) (voor de arbeidsgerechten) beschikken tegen hun aangesloten leden, uit hoofde van niet-betaling der bijdragen binnen den vereischten termijn, verjaren na (drie jaar), zelfs wanneer de tekortkoming strafbaar is krachtens [1 het Sociaal Strafwetboek]1. [1 ...]1.
Art. 121. Les actions dont les [1 caisses d'allocations familiales]1 (...) disposent (devant les juridictions du travail), contre leurs affiliés, du chef de non-paiement de cotisations dans le délai requis, se prescrivent par (trois ans), alors même que le manquement est punissable en vertu [1 du Code pénal social]1. [1 ...]1
HOOFDSTUK XIII. - (opgeheven)
CHAPITRE XIII- (abrogé)
Art. 122. (opgeheven)
Art. 122. (abrogé)
Art. 123. (opgeheven)
Art. 123. (abrogé)
Art. 124. (opgeheven)
Art. 124. (abrogé)
Art. 125. (opgeheven)
Art. 125. (abrogé)
Art. 126. (opgeheven)
Art. 126. (abrogé)
Art. 127. (opgeheven)
Art. 127. (abrogé)
Art. 128. (opgeheven)
Art. 128. (abrogé)
Art. 129. (opgeheven)
Art. 129. (abrogé)
HOOFDSTUK XIV. _ AFHOUDING OP DEN KOOPPRIJS VAN ZEKERE UIT HET BUITENLAND INGEVOERDE KOOPWAREN.
CHAPITRE XIV_ DE LA RETENUE A OPERER SUR LE PRIX D'ACHAT DE CERTAINES MARCHANDISES IMPORTEES
Art. 130. (opgeheven)
Art. 130. (Abrogé)
Art. 131. (opgeheven)
Art. 131. (Abrogé)
Art. 132. (opgeheven)
Art. 132. (Abrogé)
Art. 133. (opgeheven)
Art. 133. (Abrogé)
Art. 134. (opgeheven)
Art. 134. (Abrogé)
Art. 135. (opgeheven)
Art. 135. (Abroge)
Art. 136. (opgeheven)
Art. 136. (Abrogé)
Art. 137. (opgeheven)
Art. 137. (Abrogé)
Art. 138. (opgeheven)
Art. 138. (Abrogé)
Art. 139. (opgeheven)
Art. 139. (Abrogé)
HOOFDSTUK XV. _ BEPALINGEN BETREFFENDE HET TOEZICHT
CHAPITRE XV_ DISPOSITIONS RELATIVES AU CONTROLE
Art. 139bis. Voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk worden de publiekrechtelijke rechtspersonen bedoeld in artikel 3, 1° en 2° die zich hebben aangepast aan de bepalingen van artikel 33 van de programmawet van 20 juli 2006, gelijkgesteld met [1 vrije kinderbijslagfondsen]1.
Art. 139bis. Pour l'application des dispositions du présent chapitre, les personnes de droit public visées à l'article 3, 1° et 2° qui se sont conformées aux dispositions de l'article 33 de la loi-programme du 20 juillet 2006 sont assimilées aux [1 caisses d'allocations familiales libres]1.
SECTIE I. - [1 Toezicht uitgeoefend door de minister bevoegd voor Sociale zaken, door het Federaal agentschap voor de kinderbijslag en door de kinderbijslagfondsen]1
SECTION 1_- [1 Du contrôle exercé par le ministre qui a les Affaires sociales dans ses compétences, par l'Agence fédérale pour les allocations familiales et par les caisses d'allocations familiales]1
Art. 140. Vóór 1 Oktober van ieder jaar, zenden de [1 "vrije kinderbijslagfondsen en FAMIFED]1 aan den [1 minister bevoegd voor Sociale Zaken]1, de balans der algemene rekeningen, alsook de balans en de winst- en verliesrekening van het voorgaand dienstjaar.
Anderzijds, zenden zij hem, vóór het einde van de (eerste maand van ieder kwartaal), een staat nopens hun bedrijvigheid tijdens voorafgaand kwartaal.
Deze laatste verplichting wordt ook aan de diensten voor gezinsvergoedingen, die van het Rijk en de provincies afhangen, opgelegd.
De rekeningsplichtige stukken en de driemaandelijksche staat in te dienen, in uitvoering van dit artikel, zullen opgemaakt worden overeenkomstig een bij ministerieel besluit te bepalen model.
Art. 140. Avant le 1er octobre de chaque année les [1 caisses d'allocations familiales libres]1 et [1 FAMIFED]1 font parvenir au [1 ministre qui a les Affaires sociales dans ses compétences]1 la balance des comptes généraux ainsi que le bilan et le compte de profits et pertes de l'année antérieure.
D'autre part, (ils) lui transmettent, avant la fin du (premier mois de chaque trimestre), un état relatif à leur activité pendant le trimestre précédent.
Cette dernière obligation incombe également aux services d'allocations familiales dépendant de l'Etat et des provinces.
Les pièces comptables et l'état trimestriel à fournir en exécution du présent article seront établis conformément à un modèle fixé par arrêté ministériel.
Art. 141. [1 Bij het begin van elk kwartaal bezorgt de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers aan de bevoegde minister een verslag over het door de instelling in het afgelopen kwartaal uitgeoefende toezicht op de bij de Rijksdienst aangesloten werkgevers die hoofdelijke bijdragen verschuldigd zijn, en op de in deze wet bedoelde sociaal verzekerden.
Die verslagen worden opgesteld volgens een model dat vastgesteld is door de bevoegde minister.]1
Art. 141. [1 L'Office national d'Allocations familiales pour Travailleurs salariés transmet, au début de chaque trimestre, au ministre compétent un rapport relatif à la surveillance exercée par l'institution, pendant le trimestre écoulé, sur les employeurs affiliés à l'Office qui sont redevables de cotisations capitatives et sur les assurés sociaux visés par la présente loi.
Les rapports sont dressés conformément à un modèle arrêté par le ministre compétent.]1
TOEKOMSTIG RECHT
DROIT FUTUR
Art. 141. [1 Bij het begin van elk kwartaal bezorgt [2 FAMIFED]2 aan de [2 minister bevoegd voor Sociale Zaken]2 een verslag over het door de instelling in het afgelopen kwartaal uitgeoefende toezicht [3 ...]3 op de in deze wet bedoelde sociaal verzekerden.
[2 Dit verslag wordt]2 opgesteld volgens een model dat vastgesteld is door de [2 minister bevoegd voor Sociale Zaken]2.]1

Art. 141. [1 [2 FAMIFED]2 transmet, au début de chaque trimestre, au [1 ministre qui a les Affaires sociales dans ses compétences]1 un rapport relatif à la surveillance exercée par l'institution, pendant le trimestre écoulé, [3 ...]3 et sur les assurés sociaux visés par la présente loi.
[2 Cet état est dressé]2 conformément à un modèle arrêté par le [2 ministre qui a les Affaires sociales dans ses compétences]2.]1
Art. 142. Bij den aanvang van ieder kwartaal zendt [1 FAMIFED]1, eveneens aan [1 de minister bevoegd voor Sociale Zaken]1, een verslag nopens het toezicht dat (bij) over de [1 vrije kinderbijslagfondsen]1 uitoefent, alsook over hun aangeslotenen en het personeel dezer laatsten, onder opzicht van de toepassing van de (verdeling) id.
[1 Ieder jaar legt het Algemeen Bestuur van FAMIFED aan zijn Beheerscomité een verslag voor over de algemene opdracht van toezicht. Dit verslag wordt, na goedkeuring door het Beheerscomité, aan de minister bevoegd voor Sociale Zaken verzonden.]1
(al opgeheven)
Art. 142. Au début de chaque trimestre, [1 FAMIFED]1 fait également parvenir au [1 ministre qui a les Affaires sociales dans ses compétences]1 un rapport relatif au contrôle qu'(il) exerce sur les [1 caisses d'allocations familiales libres]1, ainsi que sur les affiliés et sur le personnel de ces derniers, au point de vue de l'application de la (répartition)
[1 L'Administration générale de FAMIFED présente, chaque année, à son Comité de gestion, un rapport concernant la mission générale de contrôle. Ce rapport est transmis au ministre qui a les Affaires sociales dans ses compétences après approbation du Comité de gestion.]1
(Al. 3 abrogé)
SECTIE II. - [1 De door de minister bevoegd voor Sociale Zaken aangewezen of gemachtigde controleurs en de toezichtsdiensten van het Federaal Agentschap voor de Kinderbijslag en van de vrije kinderbijslagfondsen]1
SECTION 2_- [1 Des contrôleurs désignés ou habilités par le ministre qui a les Affaires sociales dans ses compétences ainsi que des Services de contrôle de l'Agence fédérale pour les allocations familiales et des Caisses d'allocations familiales]1
Art. 143. De door [1 de minister bevoegd voor Sociale Zaken]1 aangeduide agenten zullen over de uitvoering van deze wet waken, onverminderd de verplichtingen van de ambtenaar der rechterlijke politie.
Zij zullen er zich, in 't bijzonder, van vergewissen dat alle werkgevers die verplicht zijn aan te sluiten bij een [1 vrij kinderbijslagfonds]1 (of bij [1 FAMIFED]1), deze verplichting nakomen en dat de aansluiting voor gansch het personeel werd gedaan.
Art. 143. Des fonctionnaires ou agents désignés par le [1 ministre qui a les Affaires sociales dans ses compétences]1 surveilleront l'exécution de la présente loi, sans préjudice des devoirs qui incombent aux officiers de police judiciaire.
Ils s'assureront notamment que tous les employeurs qui sont tenus de s'affilier à une [1 caisse d'allocations familiales libre]1 (ou à [1 FAMIFED]1), s'acquittent de cette obligation et que l'affiliation a été conclue pour tout le personnel.
Art. 144. [1 ieder vrij kinderbijslagfonds]1 is er toe gehouden :
a) (Aan de door [1 de minister bevoegd voor Sociale Zaken]1 aangewezen controleurs, op hun verzoek, de nodige inlichtingen te verstrekken, die zij ter volbrenging hunner taak, nodig mochten hebben, zonder dat zij zichzelf kan vrijstellen of zonder dat zij kan vrijgesteld worden van deze verplichting wegens om 't even welke reden, zelfs indien zij deel uitmaakt van een administratief complex of indien zij haar beheer aan derden heeft toevertrouwd)
b) Hun, op hun verzoek en zonder verplaatsing, mededeeling te geven van de registers, staten, briefwisseling, en andere documenten, waarvan de inzage hun, onder hetzelfde opzicht, nuttig zou zijn.
Dezelfde verplichtingen worden opgelegd :
a) Aan [1 FAMIFED]1
b) Aan de diensten voor gezinsvergoedingen, die van het Rijk of van de provincies afhangen.
De [1 vrije kinderbijslagfondsen]1 hebben, bovendien, gezegde verplichtingen tegenover de controleurs aangesteld door de [1 FAMIFED]1
Art. 144. Chaque [1 caisse d'allocations familiales libre]1 est tenue :
a) (de fournir aux contrôleurs désignés par le [1 ministre qui a les Affaires sociales dans ses compétences]1, sur leur demande, tous les renseignements dont ils ont besoin pour s'acquitter de leur mission, sans qu'elle puisse se dispenser ou être dispensée de cette obligation pour aucun motif, même si elle participe à un complexe administratif ou si elle a confié sa gestion à des tiers;)
b) de leur donner communication, à leur demande et sans déplacement, des registres, états, correspondances et autres documents dont la consultation leur serait utile au même point de vue.
Les mêmes obligations incombent :
a) à [1 FAMIFED]1
b) aux services d'allocations familiales dépendant de l'Etat et des provinces.
Les [1 caisse d'allocations familiales libre]1 ont, en outre, les dites obligations envers les contrôleurs désignés par [1 FAMIFED]1)
Art. 145. [1 De inbreuken op de bepalingen [2 van deze wetten en hun uitvoeringsbesluiten ervan]2 worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek.
De sociaal inspecteurs beschikken over de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 23 tot 39 van het Sociaal Strafwetboek wanneer zij, ambtshalve of op verzoek, optreden in het kader van hun opdracht tot informatie, bemiddeling en toezicht inzake de naleving van de bepalingen [2 van deze wetten en hun uitvoeringsbesluiten ervan]2.]1

Art. 145. [1 Les infractions aux dispositions [2 de la présente loi et de ses arrêtés]2 d'exécution sont recherchées, constatées et sanctionnées conformément au Code pénal social.
Les inspecteurs sociaux disposent des pouvoirs visés aux articles 23 à 39 du Code pénal social lorsqu'ils agissent d'initiative ou sur demande dans le cadre de leur mission d'information, de conseil et de surveillance relative au respect des dispositions [2 de la présente loi et de ses arrêtés]2 d'exécution.]1

Art. 146. (opgeheven)
Art. 146. (Abroge)
Art. 147. (opgeheven)
Art. 147. (Abrogé)
Art. 148. De [1 minister bevoegd voor Sociale Zaken]1 zal ook aan één of meerdere agenten van den controledienst (van [1 FAMIFED]1) de bevoegdheid kunnen toekennen, waarvan in artikel 143, alinea 2, sprake alsook de voorrechten bepaald bij artikelen 145 tot 147.
Art. 148. Le [1 ministre qui a les Affaires sociales dans ses compétences]1 pourra reconnaître également à un ou plusieurs agents du Service de contrôle de [1 FAMIFED]1 l'attribution dont il est question à l'article 143, alinéa 2, ainsi que les prérogatives énoncées aux articles 145 à 147.
Art. 149. De Rijks- en provinciebeambten die met de uitkering van de (kinderbijslag, het kraamgeld en de adoptiepremie) zijn belast of daaraan medewerken alsmede de bedienden en daartoe aangestelden van de bijzondere [2 kinderbijslagfondsen]2, in uitvoering van artikel 32 tot stand gebracht, dienen, wanneer hun dit wordt gevraagd, aan de door [2 de minister bevoegd voor Sociale Zaken]2 aangestelde controleurs de inlichtingen te verstrekken, welke dezen nodig hebben om zich van hun opdracht te kwijten.
Dezelfde verplichting berust op de bedienden :
[1 van HR Rail]1 van (BELGACOM), van het Nationaal Instituut voor radio-omroep en van de andere zelfstandige regieën;
2° (Van het Voorlopig Steunfonds voor onvrijwillige werklozen;)
3° Van de openbare instellingen.
Indien zij er om vragen, zullen de door [2 de minister bevoegd voor Sociale Zaken]2 aangestelde contrôleurs in staat worden gesteld, zonder verplaatsing, de lijsten of registers in te zien betreffende :
a) De leden in actieven dienst of gepensioneerde leden van het personeel die, in uitvoering van deze wet, (kinderbijslag, kraamgeld of een adoptiepremie) genieten;
b) De leden van het gepensioneerd personeel aan wie, in uitvoering van wettelijke of reglementaire bepalingen buiten die van deze wet en van het organiek koninklijk besluit van 22 December 1938, gezinsvergoedingen worden verleend;
c) De personen die van het personeel geen deel uitmaken en aan wie, onder de bij letter b voorziene voorwaarden, gezinsvergoedingen worden toegekend.
Art. 149. Les agents de l'Etat et des provinces qui sont préposés ou coopèrent à la distribution d'(allocations familiales, d'allocations de naissance et de primes d'adoption), ainsi que les agents et préposés des [2 caisses d'allocations familiales]2 spéciales créées en exécution de l'article 32 fourniront, sur demande, aux contrôleurs désignés par le [2 ministre qui a les Affaires sociales dans ses compétences]2 les renseignements dont ceux-ci ont besoin pour s'acquitter de leur mission.
La même obligation incombe aux agents :
[1 de HR Rail]1, de (BELGACOM), de l'Institut national de radiodiffusion et autres régies autonomes;
2° (de l'Office national du placement et du chômage);
3° des établissements publics.
S'ils en font la demande, les contrôleurs désignés par le [2 ministre qui a les Affaires sociales dans ses compétences]2 seront mis à même de consulter, sans déplacement, les listes ou répertoires concernant :
a) les membres du personnel occupé ou pensionné qui bénéficient d'(allocations familiales, d'allocations de naissance ou de primes d'adoption) en exécution de la présente loi;
b) les membres du personnel pensionné à qui des allocations familiales sont attribuées en exécution de dispositions légales ou réglementaires autres que celles de la présente loi et de l'arrêté royal organique du 22 décembre 1938;
c) les personnes étrangères au personnel auxquelles des allocations familiales sont octroyées dans les conditions prévues à la lettre b.
Art. 150. Zijn er ook nog toe gehouden aan de door [1 de minister bevoegd voor Sociale Zaken]1 aangestelde controleurs de inlichtingen te verschaffen, welke deze nodig hebben om zich van hun opdracht te kwijten, de Rijks-, provincie- en gemeentebeambten [1 ...]1.
Art. 150. Sont encore tenus de fournir aux contrôleurs désignés par le [1 ministre qui a les Affaires sociales dans ses compétences]1 les renseignements dont ceux-ci ont besoin pour remplir leur mission, les agents de l'Etat, des provinces et des communes [1 ...]1.
Art. 151. Voor de toepassing van de artikelen 149 en 150, worden de controleurs door [1 FAMIFED]1 aangeduid en krachtens artikel 148 bevoegd gemaakt, met de door [1 de minister bevoegd voor Sociale Zaken]1 aangewezen controleurs gelijkgesteld.
Art. 151. Pour l'application des articles 149 et 150, les contrôleurs désignés par [1 FAMIFED]1 et habilités en vertu de l'article 148, sont assimilés aux contrôleurs désignés par le [1 ministre qui a les Affaires sociales dans ses compétences]1.
Art. 152. [1 [2 FAMIFED]2 zal over een voldoende controledienst beschikken, om hem toe te laten, op meer dan voldoende wijze, zijn opdracht van toezicht te volbrengen.]1
Art. 152. [1 [2 FAMIFED]2 disposera d'un service de contrôle suffisant pour lui permettre de s'acquitter, dans des conditions pleinement satisfaisantes, de la mission de surveillance qui lui incombe.]1
SECTIE III. - ANDERE BEPALINGEN BETREFFENDE HET TOEZICHT
SECTION 3_ Autres dispositions relatives au contrôle
Art. 153. De [1 vrije kinderbijslagfondsen]1, [1 FAMIFED]1 en de diensten voor gezinsvergoedingen, die afhangen van het Rijk en de provincies, zullen uitsluitend, op hun kosten, aan [1 de minister bevoegd voor Sociale Zaken]1, al de door hem, met een doel van controle of statistiek, gevraagde inlichtingen verstrekken.
Dezelfde verplichting wordt aan de [1 vrije kinderbijslagfondsen]1, alsook aan de gezegde diensten voor gezinsvergoedingen, ten overstaan van [1 FAMIFED]1 opgelegd.
Art. 153. Les [1 caisses d'allocations familiales libres]1, [1 FAMIFED]1 et les services d'allocations familiales dépendant de l'Etat et des provinces, fourniront, à leurs frais exclusifs, au [1 ministre qui a les Affaires sociales dans ses compétences]1, tous les renseignements qu'il leur demande dans un but de contrôle ou de statistique.
La même obligation incombe aux [1 caisses d'allocations familiales libres]1 ainsi qu'auxdits services d'allocations familiales envers (l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés).
Art. 154. De [1 vrije kinderbijslagfondsen]1, [1 FAMIFED]1 en de diensten voor gezinsvergoedingen, die afhangen van het Rijk en de provincies, gedragen zich, bovendien, naar alle andere bepalingen door den Koning, met een zelfde doel, vastgesteld.
De Koning kan insgelijks met een doel van controle verplichtingen opleggen :
a) Aan de onderworpen werkgevers;
b) Aan de leden of oud-leden van het personeel van de onderworpen werkgevers [1 en aan de zelfstandigen]1;
c) Aan de personen, buiten de leden of oud-leden van dit personeel, aan wie de (kinderbijslag, het kraamgeld en de adoptiepremie) moeten gestort worden.
Art. 154. Les [1 caisses d'allocations familiales libres]1, [1 FAMIFED]1, les services d'allocations familiales dépendant de l'Etat et des provinces se conforment en outre à toutes autres dispositions arrêtées par le Roi dans le même but.
Le Roi peut aussi, en vue du contrôle, imposer des obligations :
a) aux employeurs assujettis;
b) aux membres ou anciens membres du personnel des employeurs assujettis [1 et aux travailleurs indépendants]1;
c) aux personnes, autres que les membres ou anciens membres dudit personnel, auxquels les (allocations familiales, l'allocation de naissance et la prime d'adoption) doivent être versées.
HOOFDSTUK XVI.
CHAPITRE XVI-
Art. 155. [1 opgeheven]1
Art. 155. [1 abrogé]1
Art. 156. [1 opgeheven]1
Art. 156. [1 abrogé]1
Art. 157. [1 opgeheven]1
Art. 157. [1 abrogé]1
Art. 158. [1 opgeheven]1
Art. 158. [1 abrogé]1
Art. 159. [1 opgeheven]1
Art. 159. [1 abrogé]1
Art. 160. [1 opgeheven]1
Art. 160. [1 abrogé]1
Art. 161. [1 opgeheven]1
Art. 161. [1 abrogé]1
Art. 162. [1 opgeheven]1
Art. 162. [1 abrogé]1
Art. 163. [1 opgeheven]1
Art. 163. [1 abrogé]1
Art. 164. (opgeheven)
Art. 164. (Abrogé)
Art. 164bis. (Opgeheven)
Art. 164bis. (Abrogé)
HOOFDSTUK XVII. _ VERSCHILLENDE BEPALINGEN
CHAPITRE XVII_ DISPOSITIONS DIVERSES
Art. 165. De toegelaten [1 kinderbijslagfondsen]1 leggen ter griffie van de verschillende (arbeidsrechtbanken), in welker rechtsgebied een of meer aangesloten werkgevers gevestigd zijn, een exemplaar neer van hun statuten, alsmede van het reglement houdende vaststelling (van de kinderbijslag, het kraamgeld en de adoptiepremie) (...), welke de [1 sociaal verzekerden]1 die van deze kas afhangen, genieten, en van de voorwaarden (waaronder de bijslagen) (...) dienen toegekend. .
In voorkomend geval is de neerlegging niet tot den oorspronkelijken tekst beperkt, doch betreft insgelijks één of meer vertalingen hetzij in het Nederlandsch, hetzij in het Fransch, hetzij in het Duitsch, derwijze dat de stukken worden verstaan door de meerderheid van de in de streek werkzaam betrokken personen.
De voorschriften van de voorgaande alinea gelden insgelijks voor de bijzondere [1 kinderbijslagfondsen]1 opgericht bij koninklijk besluit, wat betreft den tekst van hun besluit van oprichting en inrichting, alsmede den tekst van hun reglement.
(Zijnerzijds zendt [1 FAMIFED]1 de Nederlandse tekst, de Franse tekst en de Duitse vertaling van zijn organiek besluit en van zijn verschillende reglementen aan alle (arbeidsrechtbanken) in het Rijk.)
De stukken, waarvan sprake in dit artikel, kunnen, zonder verplaatsing worden geraadpleegd door alwie hetzelve aanvraagt.
Art. 165. Les [1 caisses d'allocations familiales]1 agréées déposent au greffe des divers (tribunaux du travail) dans le ressort desquels se trouvent établis un ou plusieurs employeurs affiliés, un exemplaire de leurs statuts ainsi que du règlement qui a pour objet de déterminer les (allocations familiales, l'allocation de naissance et la prime d'adoption) (...) dont bénéficient les [1 assurés sociaux]1 desservis, en même temps que d'arrêter les conditions auxquelles l'octroi des allocations, (...) est subordonné.
Le cas échéant, le dépôt n'est pas limité au texte original, mais porte en outre sur une ou des traductions, soit en flamand, soit en français, soit en allemand, de manière que les documents soient compris par la généralité des personnes intéressées travaillant dans la région.
L'obligation énoncée aux alinéas précédents incombe également aux [1 caisses d'allocations familiales spéciales]1 établies par arrêté royal, en ce qui concerne le texte de l'arrêté qui les institue et les organise, ainsi que leurs règlements.
(De son côté, [1 FAMIFED]1 fait parvenir le texte français, le texte néerlandais et la traduction allemande de son arrêté organique et de ses divers règlements à tous les (tribunaux du travail) du royaume.)
Les documents dont il est question au présent article peuvent être consultés sans déplacement par toute personne qui en fait la demande.
Art. 166. Elke individuele werkgever die onder deze wet valt, evenals de persoon die belast is met het dagelijksch beheer van een vennootschap, van een instelling of van elk andere groepeering die aan deze wet onderworpen is zorgt er voor dat in de lokalen of andere werkplaatsen de benaming aangeplakt wordt van [1 het kinderbijslagfonds]1 (of [1 FAMIFED]1), waarbij hij zelf of, ingeval hij zaakvoerder is, de door hem beheerde gemeenschap aangesloten is, en dat de plaats, straat en nummer, waar de zetel van [1 dit kinderbijslagfonds]1 [1 of FAMIFED]1 gevestigd is, aangegeven worden.
De aanplakbrief wordt opgesteld, hetzij in het Fransch, hetzij in het Nederlandsch, hetzij in het Duitsch of in verscheidene dezer talen, zoodat hij door al de belanghebbende [1 werknemers]1 begrepen wordt.
Hij moet gemakkelijk leesbaar zijn en op een goed zichtbare plaats worden aangeplakt.
Art. 166. Tout employeur individuel assujetti à la présente loi, de même que la personne chargée de la gestion journalière d'une société, d'une institution ou de tout autre groupement assujetti à la présente loi veillent à ce que soient affichés dans les locaux ou autres lieux affectés au travail, le nom de la [1 caisse d'allocations familiales]1 (ou de [1 FAMIFED]1) à laquelle lui-même, ou s'il s'agit d'un gérant, la collectivité qu'il gère, est affilié, ainsi que la localité et les rue et numéro où le siège de [1 cette caisse d'allocations familiales]1 [1 ou FAMIFED]1 se trouve établi.
L'affiche est rédigée soit en français, soit en flamand, soit en allemand ou en plusieurs de ces langues, de manière à être comprise par tous les travailleurs [1 salariés]1 intéressés.
Elle doit être facilement lisible et placée à un endroit apparent.
Art. 167. De betaling van (...) de aanvullende stortingen, die door de ingevolge deze wet onderworpen werkgevers verschuldigd zijn, wordt gewaarborgd door een voorrecht dat onmiddellijk gerangschikt wordt na nr 4ter en onder nr 4quater van artikel 19 der wet dd. 16 December 1851 op de voorrechten en hypotheken.
Art. 167. Le paiement (...) des versements supplémentaires dus par les employeurs assujettis à la présente loi est garanti par un privilège, qui prend rang immédiatement après le numéro 4ter et sous le numéro 4quater de l'article 19 de la loi du 16 décembre 1851 relative aux privilèges et aux hypothèques.
Art. 168. (Opgeheven)
Art. 168. (Abrogé)
Art. 169. De bij koninklijk besluit ingestelde bijzondere [1 kinderbijslagfondsen]1 (en [1 FAMIFED]1) genieten, als openbare inrichtingen, rechtspersoonlijkheid.
Hun kunnen toelagen worden toegekend door de provinciën en de gemeenten.
Zij mogen slechts, na daaromtrent door den Koning te zijn gemachtigd, giften en legaten ontvangen.
Art. 169. Les [1 caisses d'allocations familiales spéciales]1 établies par arrêté royal (et [1 FAMIFED]1) jouissent de la personnalité civile, à titre d'établissements publics.
Des subsides peuvent leur être octroyés par les provinces et les communes.
(Ils) ne peuvent recevoir des dons et des legs qu'à la condition d'y être (autorisés) par le Roi.
Art. 170. [1 [2 FAMIFED]2 mag slechts een lening aangaan op voorwaarde dat hij er vooraf door de [2 minister bevoegd voor Sociale Zaken]2 toe gemachtigd is.
Een vrij kinderbijslagfonds of een bijzonder fonds mag een lening of een financieel leasingcontract aangaan dat het totaal van de schulden in verband met de beheersverrichtingen boven de 100 % van de eigen fondsen, inclusief provisies, brengt, op voorwaarde dat het er vooraf door de [2 minister bevoegd voor Sociale Zaken]2 toe gemachtigd is, op advies van het beheerscomité van [2 FAMIFED]2. De machtiging van de minister wordt geacht te zijn verkregen als geen beslissing is genomen binnen een termijn van twee maanden na de datum van de aanvraag van het fonds.]1

Art. 170. [1 [2 FAMIFED]2 ne peut conclure un emprunt que s'il y a été préalablement autorisé par le [2 ministre qui a les Affaires sociales dans ses compétences]2.
Une caisse d'allocations familiales libre ou une caisse spéciale peut conclure un emprunt ou un contrat de leasing financier ayant pour conséquence que la somme des dettes liées aux opérations de gestion représenterait plus de 100 % des fonds propres, provisions comprises, à la condition d'y avoir été préalablement autorisée par le [2 ministre qui a les Affaires sociales dans ses compétences]2, sur avis du comité de gestion de [2 FAMIFED]2. L'autorisation du ministre est censée acquise si aucune décision n'a été prise dans un délai de deux mois prenant cours à la date de la demande de la caisse.]1

Art. 170bis. [1 De vrije kinderbijslagfondsen en de [2 bijzondere kinderbijslagfondsen]2 mogen geen onroerende goederen verwerven of er afstand van doen zonder vooraf machtiging daartoe te hebben gekregen van de [2 minister bevoegd voor Sociale Zaken]2, op advies van het beheerscomité van [2 FAMIFED]2. De machtiging van de minister wordt geacht te zijn verkregen als geen beslissing is genomen binnen een termijn van twee maanden na de datum van de aanvraag van [2 het kinderbijslagfonds]2]1
Zij mogen bovendien haar tegoed en beschikbare gelden slechts gebruiken voor de verwezenlijking der verrichtingen met het oog waarop zij werden erkend overeenkomstig artikel 23 of ingesteld bij toepassing van artikel 31.
Het tegoed en de beschikbare gelden welke niet tot dit doeleind zouden worden gebruikt dienen te worden belegd in fondsen waarvan de lijst door de Minister van Financiën wordt opgemaakt.
Art. 170bis. [1 Les caisses d'allocations familiales libres et les [2 caisses d'allocations familiales spéciales]2 ne peuvent acquérir ou aliéner des biens immobiliers, sans avoir reçu, préalablement, l'autorisation du [2 ministre qui a les Affaires sociales dans ses compétences]2, sur avis du comité de gestion de [2 FAMIFED]2. L'autorisation du ministre est censée acquise si aucune décision n'a été prise dans un délai de deux mois prenant cours à la date de la demande de la [2 caisse d'allocations familiales]2.]1
Elles ne peuvent, en outre, utiliser leurs avoirs et leurs disponibilités que pour réaliser les opérations en vue desquelles elles ont été agréées conformément à l'article 23 ou instituées en application de l'article 31.
Les avoirs et les disponibilités qui ne seraient pas utilisés à cette fin doivent être investis en valeurs dont la liste est établie par le Ministre des finances.
Art. 171. [1 FAMIFED]1 en [1 het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen]1 dienen [1 elkaar, voor zover vereist, te ondersteunen bij de toepassing van deze wet]1.
(al. 2 opgeheven)
[1 ...]1.
Art. 171. [1 FAMIFED]1 et [1 l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants]1 se prêtent une assistance réciproque [1 dans la mesure nécessaire à l'application de la présente loi]1.
(Al 2 abrogé)
[1 ...]1.
Art. 172.
Art. 172.
Art. 173. (De volmachten, kwitanties, uittreksels uit de registers van de akten van den burgerlijken stand, kadastrale uittreksels en inlichtingen, attesten, verklaringen van bekendheid en alle andere stukken afgeleverd voor de uitvoering van deze wet, zijn vrij van zegel. Zij dragen, boven den tekst, de vermelding van hun bestemming; zij mogen tot geen ander doeleinde dienen.
De openbare besturen mogen te hunnen bate de betaling niet vorderen van eenige som, als bezoldiging of te anderen titel, wegens de aflevering van de in voorgaande alinea bedoelde stukken en inlichtingen).
(Anderzijds zijn [1 FAMIFED]1 en de [1 bijzondere kinderbijslagfondsen]1 die bij koninklijk besluit zijn opgericht, vrijgesteld van de grondbelasting ten voordele van het Rijk, voor de gebouwen of delen van gebouwen die zij ten behoeve van hun diensten betrekken).
Art. 173. (Les procurations, quittances, extraits des registres des actes de l'état civil, extraits et renseignements cadastraux, certificats, actes de notoriété et toutes autres pièces délivrées en vue de l'exécution de la présente loi, sont exempts du timbre. Ils portent, en tête du texte, l'énonciation de leur destination : ils ne peuvent servir à d'autres fins.
Les administrations publiques ne peuvent exiger, à leur profit, le paiement d'aucune somme, à titre de rétribution ou autre, pour la délivrance des pièces et renseignements visés à l'alinéa précédent.)
(D'autre part, [1 FAMIFED]1 et les [1 caisses d'allocations familiales spéciales]1 établies par arrêté royal, jouissent de l'exemption des taxes foncières au profit de l'Etat, sur les immeubles ou parties d'immeubles qu'ils occupent pour les besoins de leurs services.)
Art. 173bis. De Rijksbesturen, de provincies en de gemeenten, de openbare instellingen of de instellingen van openbaar nut bij welke een aanvraag om (kinderbijslag), kraamgeld of een adoptiepremie) aanhangig gemaakt wordt, bezorgen deze aanvraag onverwijld en kosteloos aan de bevoegde instelling of, ingeval twijfel bestaat, aan [1 FAMIFED]1.
Art. 173bis. Les administrations de l'Etat, des provinces et des communes, les établissements publics ou d'utilité publique qui sont saisis d'une demande d'(allocations familiales, d'allocations de naissance ou de primes d'adoption), la transmettent sur-le-champ et sans frais à l'organisme compétent, ou, en cas de doute, à [1 FAMIFED]1.
Art. 173ter. De fotografische, microfotografische of elektronische afschriften van de documenten bewaard door de kinderbijslaginstellingen en door de Dienst kinderbijslag van [1 de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid]1 hebben dezelfde bewijskracht als de originelen, indien zij door deze instellingen of onder hun controle werden opgesteld.
Art. 173ter. Les copies photographiques, microphotographiques ou par moyen électronique des documents détenus par les organismes d'allocations familiales et par le Service d'allocations familiales du [1 Service public fédéral Sécurité sociale]1 font foi comme les originaux, si elles ont été établies par ces organismes ou sous leur contrôle.
Art. 173quater. De kinderbijslaginstellingen en de ministeriële diensten die belast zijn met de uitvoering van [1 deze wet]1, zijn gehouden zich tot het Rijksregister van de natuurlijke personen te richten om de informatiegegevens bedoeld bij artikel 3, eerste en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, te bekomen of wanneer ze de juistheid van deze informatiegegevens nagaan.
Het beroep doen op een andere bron is slechts toegestaan in de mate dat de nodige informatiegegevens niet bij het Rijksregister kunnen bekomen worden.
Art. 173quater. Les organismes d'allocations familiales et les services ministériels, chargés de l'exécution [1 de la présente loi]1, sont tenus de s'adresser au Registre national des personnes physiques pour obtenir les informations visées à l'article 3, alinéas 1er et 2, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, ou lorsqu'ils vérifient l'exactitude de ces informations.
Le recours à une autre source n'est autorisé que dans la mesure où les informations nécessaires ne peuvent pas être obtenues auprès du Registre national.
Art. 173quinquies. De informatiegegevens, bedoeld bij artikel 173quater, verkregen bij het Rijksregister van de natuurlijke personen en opgetekend op een identificatiefiche toegevoegd aan het dossier, hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.
Deze identificatiefiche mag gedateerd en ondertekend worden om de herkomst van de informatiegegevens en de datum van hun bewijskracht te waarmerken.
Wanneer ze beslissen om van deze mogelijkheid gebruik te maken, wijzen het bevoegd orgaan van iedere kinderbijslaginstelling [1 en]1 de bevoegde autoriteit van de ministeriële diensten die belast zijn met de uitvoering van deze [1
Art. 173quinquies. Les informations visées à l'article 173quater, obtenues auprès du Registre national des personnes physiques et consignées sur une fiche d'identification versée au dossier, font foi jusqu'à preuve du contraire.
Cette fiche d'identification peut être datée et signée pour certifier l'origine des informations et la date à laquelle elles font foi.
Lorsqu'ils décident de faire usage de cette faculté, l'organe compétent de chaque organisme d'allocations familiales et l'autorité compétente des services ministériels chargé de l'exécution [1 de la présente loi]1, désignent les membres du personnel autorisés à procéder à cette certification.
Lorsque la preuve du contraire visée à l'alinéa 1er est acceptée par l'organisme d'allocations familiales ou le service ministériel chargé de l'exécution [1 de la présente loi]1, ceux-ci communiquent le contenu de l'information ainsi acceptée, à titre de renseignement, au Registre national des personnes physiques en y joignant les documents justificatifs.
Art. 173sexies. Het toezenden van stukken aan de betrokkene en het uitvoeren van betalingen aan de bijslagtrekkende gebeuren op hun hoofdverblijfplaats in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
Van deze verplichting kan evenwel afgeweken worden op schriftelijk verzoek van de betrokkene, gericht aan de kinderbijslaginstelling of de ministeriële dienst die belast is met de uitvoering van deze [1 wet]1.
Art. 173sexies. L'envoi de pièces à l'intéressé et l'exécution de paiements à l'allocataire se font à la résidence principale de ceux-ci, au sens de l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques.
Il peut toutefois être dérogé à cette obligation sur demande écrite de l'intéressé, adressée à l'organisme d'allocations familiales ou au service ministériel chargé de l'exécution [1 de la présente loi]1.
Art. 173septies. Voor de toepassing van deze [1 wet]1 gelden de definities van de arbeidstijdgegevens zoals vastgesteld bij koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.
Art. 173septies. Pour l'application [1 de la présente loi]1, les définitions des données relatives au temps de travail sont celles déterminées par l'arrêté royal du 10 juin 2001 portant définition uniforme de notions relatives au temps de travail à l'usage de la sécurité sociale, en application de l'article 39 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions.
Art. 174. Om de drie jaar, brengt de regeering aan de Kamers verslag uit over de uitvoering van deze wet.
Art. 174. Tous les trois ans, le gouvernement fera rapport aux Chambres sur l'exécution de la présente loi.
Hoofdstuk XVIII. - [1 Wijzigings-, opheffings- en overgangspepalingen]1
Chapitre XVIII. - [1 Dispositions modificatives, abrogatoires et transitoires]1
Art. 175. [1 Worden opgeheven :
1° de artikelen 1 tot en met 7 en artikel 9 van de wet van 29 maart 1976 betreffende de gezinsbijslag voor zelfstandigen, gewijzigd bij de wetten van 17 maart 1993, 6 april 1995, 20 december 1995, 20 december 1995 en het koninklijk besluit van 18 november 1996;
2° het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen, laatstelijk gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 januari 2009, 9 mei 2009, 12 juli 2009, 9 juillet 2010, 3 september 2010, 16 april 2013 en 19 juillet 2013;
3° het koninklijk besluit van 27 april 1976 tot aanvulling van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen, laatstelijk gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 25 mei 1984, 9 maart 1985, 3 juli 1985, 3 september 1985, 23 december 1986, 29 september 1987, 21 februari 1991, 13 maart 1995, 30 september 1997, 13 juli 2001, 31 december 2003, 17 september 2005, 12 juli 2006, 9 mei 2007 en 3 september 2010;
4° het koninklijk besluit van 10 april 1987 tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen;
5° het koninklijk besluit van 5 november 1987 tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen;
6° het koninklijk besluit van 21 februari 1991 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen;
7° het koninklijk besluit van 21 februari 1991 tot uitvoering van artikel 34, § 4, van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen;
8° het koninklijk besluit van 28 augustus 1991 tot uitvoering van de artikelen 20, §§ 2 en 3, 26 en 35 van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen, en van artikel 23 van het koninklijk besluit van 21 februari 1991 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 16 november 1999 en 13 juli 2001;
9° het koninklijk besluit van 25 januari 2004 tot uitvoering van de artikelen 20, 26 en 35, § 2, van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 5 augustus 2006, 25 februari 2007 en 9 mei 2009;
10° het koninklijk besluit van 19 juli 2005 tot uitvoering van de artikelen 17, 17bis, 19 en 20, § 1, van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 26 en 27 april 2007 en het koninklijk besluit van 18 september 2008;
11° het ministerieel besluit van 29 september 1980 genomen in uitvoering van artikel 27 van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 20 oktober 1986, 7 mei 1991 en 28 maart 1994;
12° het ministerieel besluit van 2 augustus 1985 genomen in uitvoering van artikel 34 van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 22 februari 1991;
13° artikel 21, tweede lid, van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, voor zover het betrekking heeft op :
a) artikel 3 van de voormelde wet van 10 juni 1998, voor zover het betrekking heeft op de artikelen 77, 78 en 79 van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders;
b) de artikelen 4, 1°, 10, 12 en 19 van dezelfde wet.
Art. 175. [1 Sont abrogés :
1° Les articles 1er à 7 inclus et 9 de la loi du 29 mars 1976 relative aux prestations familiales des travailleurs indépendants, modifiée par les lois du 17 mars 1993, 6 avril 1995, 20 décembre 1995 et par l'arrêté royal du 18 novembre 1996;
2° l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants, modifié en dernier lieu par les arrêtés royaux des 20 janvier 2009, 9 mai 2009, 12 juillet 2009, 9 juillet 2010, 3 septembre 2010, 16 avril 2013 et 19 juillet 2013;
3° l'arrêté royal du 27 avril 1976 complétant l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants, modifié en dernier lieu par les arrêtés royaux des 25 mai 1984, 9 mars 1985, 3 juillet 1985, 3 septembre 1985, 23 décembre 1986, 29 septembre 1987, 21 février 1991, 13 mars 1995, 30 septembre 1997, 13 juillet 2001, 31 décembre 2003, 17 septembre 2005, 12 juillet 2006, 9 mai 2007 et 3 septembre 2010;
4° l'arrêté royal du 10 avril 1987 modifiant l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants;
5° l'arrêté royal du 5 novembre 1987 modifiant l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants;
6° l'arrêté royal du 21 février 1991 modifiant certaines dispositions relatives au régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants;
7° l'arrêté royal du 21 février 1991 portant exécution de l'article 34, § 4, de l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants;
8° l'arrêté royal du 28 août 1991 portant exécution des articles 20, §§ 2 et 3, 26 et 35 de l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants et l'article 23 de l'arrêté royal du 21 février 1991 modifiant certaines dispositions relatives au régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants, modifié par les arrêtés royaux des 16 novembre 1999 et 13 juillet 2001;
9° l'arrêté royal du 25 janvier 2004 portant exécution des articles 20, 26 et 35, § 2, de l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants, modifié par les arrêtés royaux des 5 août 2006, 25 février 2007 et 9 mai 2009;
10° l'arrêté royal du 19 juillet 2005 portant exécution des articles 17, 17bis, 19 et 20, § 1er, de l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants, modifié par les arrêtés royaux des 26 et 27 avril 2007 et l'arrêté royal du 18 septembre 2008;
11° l'arrêté ministériel du 29 septembre 1980 pris en exécution de l'article 27 de l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants, modifié par les arrêtés ministériels des 20 octobre 1986, 7 mai 1991 et 28 mars 1994;
12° l'arrêté ministériel du 2 août 1985 pris en exécution de l'article 34 de l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants, modifié par l'arrêté ministériel du 22 février 1991;
13° l'article 21, alinéa 2, de la loi du 10 juin 1998 modifiant les lois coordonnées du 19 décembre 1939 relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, en ce qu'il vise :
a) l'article 3 de la loi du 10 juin 1998 précitée, dans la mesure où celui-ci porte sur les articles 77, 78 et 79 des lois coordonnées du 19 décembre 1939 relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés;
b) les articles 4, 1°, 10, 12 et 19 de la même loi.
(NOTA : vroegere art. 175 opgeheven bij W 2014-04-04/30, art. 143, 107; Inwerkingtreding : 30-06-2014>
(NOTE : anc. art. 175 abrogé par L 2014-04-04/30, art. 143, 107; En vigueur : 30-06-2014>]1
Art. 175/1. [1 Het statutaire doel van de voor 1 juli 2014 toegelaten kinderbijslagfondsen, wordt uitgebreid tot de verdeling van de kinderbijslagen, de kraamgelden en de adoptiepremies voor de zelfstandigen.]1
Art. 175/1. [1 L'objet social figurant aux statuts des caisses d'allocations familiales agréées avant le 1er juillet 2014 est élargi à la distribution des allocations familiales, de la prime de naissance et de la prime d'adoption en faveur des travailleurs indépendants.]1
Art. 175/2. [1 Het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, dat krachtens artikel 5 van de wet van 29 maart 1976 instond voor het beheer van gezinsbijslagdossiers, draagt zijn opdracht inzake gezinsbijslag integraal over aan FAMIFED.]1
Art. 175/2. [1 L'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants qui assurait la gestion de dossiers de prestations familiales en vertu de l'article 5 de la loi du 29 mars 1976 transfère sa mission en matière de prestations familiales exclusivement à FAMIFED.]1
Art. 175/3. [1 De sociale verzekeringsfondsen blijven bevoegd voor de betaling en terugvordering van gezinsbijslag die betrekking heeft op een periode vóór 1 juli 2014.]1
Art. 175/3. [1 Les caisses d'assurances sociales demeurent compétentes pour le paiement ou le recouvrement des prestations familiales afférentes à une période antérieure au 1er juillet 2014.]1
Art. 175/4. [1 De wetsbepalingen die niet strijdig zijn met deze wet, waarbij verwezen wordt naar bepalingen van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen, worden geacht te verwijzen naar de overeenkomstige bepalingen in deze wet.]1
Art. 175/4. [1 Les dispositions légales non contraires à la présente loi, qui font référence à des dispositions de l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants, sont présumées faire référence aux dispositions équivalentes de la présente loi.]1
Art. 175/5. [1 De algemene en individuele afwijkingen die werden toegekend krachtens het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen, blijven van kracht voor de toepassing van deze wet.]1
Art. 175/5. [1 Les dérogations générales et individuelles accordées en vertu de l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants continuent à produire leurs effets pour l'application de la présente loi.]1
Art. 175/6. [1 De reglementaire bepalingen ter uitvoering en toepassing van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van zijn uitvoeringsbesluiten, hebben betrekking op de zelfstandige, voor zover dit nodig is voor de uitvoering van deze wet.]1
Art. 175/6. [1 Les dispositions réglementaires prises en exécution et en application des lois coordonnées du 19 décembre 1939 relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés et de ses arrêtés d'exécution visent le travailleur indépendant dans la mesure nécessaire à l'exécution de la présente loi.]1
Art. 175/7. [1 De reglementaire bepalingen genomen in uitvoering en toepassing van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, waarin wordt verwezen naar de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers of naar een van de afkortingen van die benaming, worden voortaan geacht te verwijzen naar het Federaal Agentschap voor de Kinderbijslag (FAMIFED).
Dit geldt ook voor alle wettelijke bepalingen die naar de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers of naar één van zijn afkortingen verwijzen.
De wettelijke en reglementaire bepalingen die verwijzen naar de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders of een van zijn afkortingen, worden voortaan geacht te verwijzen naar de Algemene Kinderbijslagwet (AKBW).]1

Art. 175/7. [1 Les dispositions réglementaires prises en exécution et en application des lois coordonnées du 19 décembre 1939 relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés sont supposées se référer, chaque fois où elles mentionnent les termes de l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés ou une de ses abréviations, à l'Agence fédérale pour les allocations familiales (FAMIFED).
Il en est de même de toutes dispositions légales qui référeraient à l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés ou à une de ses abréviations.
Les dispositions légales et réglementaires qui mentionnent les lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés ou une de ses abréviations sont supposées, chaque fois où elles y réfèrent, viser la loi générale relative aux allocations familiales (LGAF).]1

OVERGANGSBEPALINGEN
Dispositions transitoires
Art. 176.
Art. 176.
Art. 177.
Art. 177.
OVERGANGSBEPALINGEN INGEVOERD BIJ KONINKLIJK BESLUIT DD. 30 MAART 1936
DISPOSITIONS TRANSITOIRES INTRODUITES PAR L'ARRETE ROYAL DU 30 MARS 1936
Art. 178.
Art. 178.
Art. 179. (Opgeheven)
Art. 179. (Abrogé)
Art. 180. (Opgeheven)
Art. 180. (Abrogé)
BIJKOMEND ARTIKEL DOOR HETZELFDE BESLUIT TOEGEVOEGD (30 MAART 1936)
ARTICLE ADDITIONNEL AJOUTE PAR LE MEME ARRETE (30 MARS 1936)
Art. 181.
Art. 181.
OVERGANGSBEPALING INGEVOERD BIJ KONINKLIJK BESLUIT DD. 22 DECEMBER 1938
DISPOSITIONS TRANSITOIRES INTRODUITES PAR L'ARRETE ROYAL DU 22 DECEMBRE 1938
Art. 182. (opgeheven)
Art. 182. (abrogé)
(AANVULLENDE BEPALING)
(Dispositions additionnelles)
Art. 183. (opgeheven)
Art. 183. (abrogé)
Art. 184. (opgeheven)
Art. 184. (abrogé)
Art. 185. (opgeheven)
Art. 185. (abrogé)