De door de [1 Kamer van volksvertegenwoordigers]1 ingestelde onderzoeken treden niet in de plaats van de onderzoeken van de rechterlijke macht; ze kunnen daarmee samenlopen maar mogen het verloop ervan niet hinderen.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
3 MEI 1880. - Wet op het parlementair onderzoek. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 26-02-2010 en tekstbijwerking tot 14-01-2026)
Titre
3 MAI 1880. - Loi sur les enquêtes parlementaires. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 26-02-2010 et mise à jour au 14-01-2026)
Informations sur le document
Numac: 1880050350
Datum: 1880-05-03
Info du document
Numac: 1880050350
Date: 1880-05-03
Tekst (14)
Texte (14)
Artikel 1. [1 De Kamer van volksvertegenwoordigers oefent]1 oefenen het bij artikel 56 van de Grondwet toegekende recht van onderzoek uit overeenkomstig de volgende regels.
De door de [1 Kamer van volksvertegenwoordigers]1 ingestelde onderzoeken treden niet in de plaats van de onderzoeken van de rechterlijke macht; ze kunnen daarmee samenlopen maar mogen het verloop ervan niet hinderen.
De door de [1 Kamer van volksvertegenwoordigers]1 ingestelde onderzoeken treden niet in de plaats van de onderzoeken van de rechterlijke macht; ze kunnen daarmee samenlopen maar mogen het verloop ervan niet hinderen.
Article 1. [1 La Chambre des représentants exerce]1 le droit d'enquête conféré par l'article 56 de la Constitution, conformément aux dispositions suivantes.
Les enquêtes menées par [1 la Chambre des représentants]1 ne se substituent pas à celles du pouvoir judiciaire, avec lesquelles elles peuvent entrer en concours, sans toutefois en entraver le déroulement.
Les enquêtes menées par [1 la Chambre des représentants]1 ne se substituent pas à celles du pouvoir judiciaire, avec lesquelles elles peuvent entrer en concours, sans toutefois en entraver le déroulement.
Modifications
Art. 2. (Binnen het kader van de opdracht die ze omschrijft, verricht [1 de]1 Kamer zelf het onderzoek) of stelt daartoe uit haar midden een commissie aan.
Modifications
Art. 2. [1 La]1 Chambre, (dans le cadre de la mission qu'elle définit,) exerce ce droit par elle-même ou par une commission formée dans son sein.
Modifications
Art. 3. De commissie wordt samengesteld en beraadslaagt met inachtneming van de regels die de Kamer bepaalt.
Ieder lid van de Kamer heeft het recht om het onderzoek van de commissie bij te wonen, tenzij de Kamer of de commissie anders beslist.
De commissievergaderingen zijn openbaar. De commissie kan echter op ieder tijdstip anders beslissen.
De leden van de Kamer zijn tot geheimhouding verplicht met betrekking tot de informatie verkregen naar aanleiding van de niet-openbare commissievergaderingen. Schending van die geheimhouding wordt gestraft met de sanctie bepaald in het reglement van de Kamer [1 ...]1.
De commissie kan de geheimhoudingsplicht opheffen tenzij zij zich uitdrukkelijk heeft verbonden om de geheimhouding in acht te nemen.
[2 "De geheimhouding vervalt hetzij vijftig jaar na de bekendmaking van het in artikel 13, eerste lid, eerste zin, bedoelde verslag, hetzij, bij ontstentenis van een verslag, vijftig jaar na het einde van het mandaat van de commissie, hetzij binnen de door de Kamer overeenkomstig artikel 13, eerste lid, derde zin, eventueel bepaalde termijn die langer is dan vijftig jaar.
Voor het verval van de overeenkomstig het zesde lid bepaalde termijn kan een rechter de Kamer schriftelijk verzoeken de geheimhoudingsverplichting op te heffen om tegemoet te komen aan de behoeften van zijn gerechtelijk onderzoek. Dat verzoek kan alleen van toepassing zijn op de getuigenis van een overleden persoon. Wanneer de Kamer een dergelijk verzoek ontvangt, kan zij een door deze wet geregelde commissie als bedoeld in artikel 2 instellen. Die commissie beslist over de eventuele opheffing van de geheimhoudingsverplichting voor de stukken die de commissie bepaalt en onder welke bindende voorwaarden deze opheffing zou gebeuren.
Voor het verval van de overeenkomstig het zesde lid bepaalde termijn kan de Kamer, op eigen initiatief of na een schriftelijk aan de Kamer gericht verzoek van een derde, een door deze wet geregelde commissie als bedoeld in artikel 2 instellen. Die commissie beslist over een eventuele verlenging van die termijn voor de stukken die de commissie bepaalt. In geval van een dergelijke verlenging verstrijkt de geheimhouding uiterlijk honderd jaar na de bekendmaking van het in artikel 13, eerste lid, eerste zin, bedoelde verslag dan wel, bij ontstentenis van een verslag, honderd jaar na het einde van het mandaat van de commissie.]2
Ieder lid van de Kamer heeft het recht om het onderzoek van de commissie bij te wonen, tenzij de Kamer of de commissie anders beslist.
De commissievergaderingen zijn openbaar. De commissie kan echter op ieder tijdstip anders beslissen.
De leden van de Kamer zijn tot geheimhouding verplicht met betrekking tot de informatie verkregen naar aanleiding van de niet-openbare commissievergaderingen. Schending van die geheimhouding wordt gestraft met de sanctie bepaald in het reglement van de Kamer [1 ...]1.
De commissie kan de geheimhoudingsplicht opheffen tenzij zij zich uitdrukkelijk heeft verbonden om de geheimhouding in acht te nemen.
[2 "De geheimhouding vervalt hetzij vijftig jaar na de bekendmaking van het in artikel 13, eerste lid, eerste zin, bedoelde verslag, hetzij, bij ontstentenis van een verslag, vijftig jaar na het einde van het mandaat van de commissie, hetzij binnen de door de Kamer overeenkomstig artikel 13, eerste lid, derde zin, eventueel bepaalde termijn die langer is dan vijftig jaar.
Voor het verval van de overeenkomstig het zesde lid bepaalde termijn kan een rechter de Kamer schriftelijk verzoeken de geheimhoudingsverplichting op te heffen om tegemoet te komen aan de behoeften van zijn gerechtelijk onderzoek. Dat verzoek kan alleen van toepassing zijn op de getuigenis van een overleden persoon. Wanneer de Kamer een dergelijk verzoek ontvangt, kan zij een door deze wet geregelde commissie als bedoeld in artikel 2 instellen. Die commissie beslist over de eventuele opheffing van de geheimhoudingsverplichting voor de stukken die de commissie bepaalt en onder welke bindende voorwaarden deze opheffing zou gebeuren.
Voor het verval van de overeenkomstig het zesde lid bepaalde termijn kan de Kamer, op eigen initiatief of na een schriftelijk aan de Kamer gericht verzoek van een derde, een door deze wet geregelde commissie als bedoeld in artikel 2 instellen. Die commissie beslist over een eventuele verlenging van die termijn voor de stukken die de commissie bepaalt. In geval van een dergelijke verlenging verstrijkt de geheimhouding uiterlijk honderd jaar na de bekendmaking van het in artikel 13, eerste lid, eerste zin, bedoelde verslag dan wel, bij ontstentenis van een verslag, honderd jaar na het einde van het mandaat van de commissie.]2
Art. 3. La commission est constituée et elle délibère conformément aux règles établies par la Chambre.
Tout membre de la Chambre a le droit d'assister à l'enquête de la commission, à moins que la Chambre ou la commission ne décident le contraire.
Les réunions de la commission sont publiques. La commission peut cependant à tout moment décider le contraire.
Les membres de la Chambre sont tenus au secret en ce qui concerne les informations recueillies à l'occasion des réunions non publiques de la commission. Toute violation de ce secret sera sanctionnée conformément au règlement de la Chambre [1 ...]1.
La commission peut lever l'obligation de secret sauf si elle s'est expressément engagée à le préserver.
[2 Le secret expire soit cinquante ans après la publication du rapport visé à l'article 13, alinéa 1er, première phrase, soit, à défaut de rapport, cinquante ans après la fin du mandat de la commission, soit dans le délai supérieur à cinquante ans déterminé éventuellement par la Chambre conformément à l'article 13, alinéa 1er, troisième phrase.
Avant l'expiration du délai déterminé conformément à l'alinéa 6, un juge peut demander par écrit adressé à la Chambre la levée de l'obligation de secret pour répondre aux besoins de son instruction. Cette demande ne peut s'appliquer qu'au témoignage d'une personne décédée. Saisie d'une telle demande, la Chambre peut constituer une commission telle que visée à l'article 2, régie par la présente loi. Cette commission statue sur la levée éventuelle de l'obligation de secret pour les pièces que la commission détermine ainsi que sur les conditions contraignantes qui régiraient cette levée.
Avant l'expiration du délai déterminé conformément à l'alinéa 6, la Chambre peut, de sa propre initiative ou à la demande d'un tiers adressée par écrit à la Chambre, constituer une commission telle que visée à l'article 2, régie par la présente loi. Cette commission statuera sur une éventuelle prolongation de ce délai pour les pièces que la commission détermine. Dans le cas d'une telle prolongation, le secret expire au plus tard cent ans après la publication du rapport visé à l'article 13, alinéa 1er, première phrase, ou, à défaut de rapport, cent ans après la fin du mandat de la commission.]2
Tout membre de la Chambre a le droit d'assister à l'enquête de la commission, à moins que la Chambre ou la commission ne décident le contraire.
Les réunions de la commission sont publiques. La commission peut cependant à tout moment décider le contraire.
Les membres de la Chambre sont tenus au secret en ce qui concerne les informations recueillies à l'occasion des réunions non publiques de la commission. Toute violation de ce secret sera sanctionnée conformément au règlement de la Chambre [1 ...]1.
La commission peut lever l'obligation de secret sauf si elle s'est expressément engagée à le préserver.
[2 Le secret expire soit cinquante ans après la publication du rapport visé à l'article 13, alinéa 1er, première phrase, soit, à défaut de rapport, cinquante ans après la fin du mandat de la commission, soit dans le délai supérieur à cinquante ans déterminé éventuellement par la Chambre conformément à l'article 13, alinéa 1er, troisième phrase.
Avant l'expiration du délai déterminé conformément à l'alinéa 6, un juge peut demander par écrit adressé à la Chambre la levée de l'obligation de secret pour répondre aux besoins de son instruction. Cette demande ne peut s'appliquer qu'au témoignage d'une personne décédée. Saisie d'une telle demande, la Chambre peut constituer une commission telle que visée à l'article 2, régie par la présente loi. Cette commission statue sur la levée éventuelle de l'obligation de secret pour les pièces que la commission détermine ainsi que sur les conditions contraignantes qui régiraient cette levée.
Avant l'expiration du délai déterminé conformément à l'alinéa 6, la Chambre peut, de sa propre initiative ou à la demande d'un tiers adressée par écrit à la Chambre, constituer une commission telle que visée à l'article 2, régie par la présente loi. Cette commission statuera sur une éventuelle prolongation de ce délai pour les pièces que la commission détermine. Dans le cas d'une telle prolongation, le secret expire au plus tard cent ans après la publication du rapport visé à l'article 13, alinéa 1er, première phrase, ou, à défaut de rapport, cent ans après la fin du mandat de la commission.]2
Art. 4. § 1. De Kamer of de commissie, alsook hun voorzitters voorzover die daartoe gemachtigd worden, kunnen alle in het Wetboek van Strafvordering omschreven onderzoeksmaatregelen nemen.
§ 2. Voor het uitvoeren van onderzoeksverrichtingen die vooraf bepaald moeten worden, kan de Kamer of de commissie een verzoek richten tot de eerste voorzitter van het hof van beroep die één of meer raadsheren in het hof van beroep of één of meer rechters in de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied waarin de onderzoeksverrichtingen moeten geschieden, aanstelt.
Voor de uitvoering van deze onderzoeksverrichtingen staat de aangestelde magistraat onder leiding van de voorzitter van de commissie. Hij stelt een schriftelijk verslag op waarin de resultaten van zijn onderzoek worden opgetekend.
De aangestelde magistraat kan buiten zijn ambtsgebied optreden en zijn onderzoek tot heel het Rijk uitbreiden.
§ 3. De commissie kan eveneens, overeenkomstig de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten, aan de Vaste Comités P en I opdracht geven om de nodige onderzoeken te doen.
§ 4. Wanneer de onderzoeksmaatregelen een beperking inhouden van de bewegingsvrijheid, een inbeslagneming van materiële goederen, een huiszoeking of het afluisteren, kennisnemen en opnemen van privé- communicatie en -telecommunicatie, is het optreden van de overeenkomstig § 2 aangestelde magistraat verplicht.
De artikelen 35 tot en met 39 en 90ter tot en met 90novies van het Wetboek van Strafvordering betreffende de inbeslagneming van materiële goederen en het afluisteren, kennisnemen en opnemen van privé- communicatie en -telecommunicatie worden toegepast door de in het vorige lid bedoelde magistraat.
§ 5. Wanneer inlichtingen moeten worden opgevraagd in criminele, correctionele, politie- en tuchtzaken, richt de commissie tot de procureur-generaal bij het hof van beroep of de auditeur-generaal bij het militair gerechtshof een schriftelijk verzoek tot het lichten van een door haar onontbeerlijk geacht afschrift van de onderzoeksverrichtingen en de proceshandelingen.
Zo deze magistraat bij gemotiveerde beslissing meent niet te kunnen ingaan op dit verzoek, kunnen de Kamer, de commissie of hun voorzitters hiertegen in beroep gaan bij een college dat bestaat uit de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, de voorzitter van het [1 Grondwettelijk Hof]1 en de eerste voorzitter van de Raad van State. Dit college houdt zitting met gesloten deuren en regelt de procedure. Het kan de voorzitter van de commissie en de betrokken magistraat op zeer korte termijn boren. Het beslecht het geschil definitief en bij gemotiveerde beslissing uitgesproken in openbare vergadering, met inachtneming van de aan de orde gestelde belangen en, in het bijzonder, met eerbiediging van de rechten van verdediging.
§ 6. Wanneer inlichtingen moeten worden op gevraagd in bestuurszaken, richt de commissie een schriftelijk verzoek tot de bevoegde minister of staatssecretaris, die aan dat verzoek onmiddellijk gevolg geeft.
§ 2. Voor het uitvoeren van onderzoeksverrichtingen die vooraf bepaald moeten worden, kan de Kamer of de commissie een verzoek richten tot de eerste voorzitter van het hof van beroep die één of meer raadsheren in het hof van beroep of één of meer rechters in de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied waarin de onderzoeksverrichtingen moeten geschieden, aanstelt.
Voor de uitvoering van deze onderzoeksverrichtingen staat de aangestelde magistraat onder leiding van de voorzitter van de commissie. Hij stelt een schriftelijk verslag op waarin de resultaten van zijn onderzoek worden opgetekend.
De aangestelde magistraat kan buiten zijn ambtsgebied optreden en zijn onderzoek tot heel het Rijk uitbreiden.
§ 3. De commissie kan eveneens, overeenkomstig de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten, aan de Vaste Comités P en I opdracht geven om de nodige onderzoeken te doen.
§ 4. Wanneer de onderzoeksmaatregelen een beperking inhouden van de bewegingsvrijheid, een inbeslagneming van materiële goederen, een huiszoeking of het afluisteren, kennisnemen en opnemen van privé- communicatie en -telecommunicatie, is het optreden van de overeenkomstig § 2 aangestelde magistraat verplicht.
De artikelen 35 tot en met 39 en 90ter tot en met 90novies van het Wetboek van Strafvordering betreffende de inbeslagneming van materiële goederen en het afluisteren, kennisnemen en opnemen van privé- communicatie en -telecommunicatie worden toegepast door de in het vorige lid bedoelde magistraat.
§ 5. Wanneer inlichtingen moeten worden opgevraagd in criminele, correctionele, politie- en tuchtzaken, richt de commissie tot de procureur-generaal bij het hof van beroep of de auditeur-generaal bij het militair gerechtshof een schriftelijk verzoek tot het lichten van een door haar onontbeerlijk geacht afschrift van de onderzoeksverrichtingen en de proceshandelingen.
Zo deze magistraat bij gemotiveerde beslissing meent niet te kunnen ingaan op dit verzoek, kunnen de Kamer, de commissie of hun voorzitters hiertegen in beroep gaan bij een college dat bestaat uit de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, de voorzitter van het [1 Grondwettelijk Hof]1 en de eerste voorzitter van de Raad van State. Dit college houdt zitting met gesloten deuren en regelt de procedure. Het kan de voorzitter van de commissie en de betrokken magistraat op zeer korte termijn boren. Het beslecht het geschil definitief en bij gemotiveerde beslissing uitgesproken in openbare vergadering, met inachtneming van de aan de orde gestelde belangen en, in het bijzonder, met eerbiediging van de rechten van verdediging.
§ 6. Wanneer inlichtingen moeten worden op gevraagd in bestuurszaken, richt de commissie een schriftelijk verzoek tot de bevoegde minister of staatssecretaris, die aan dat verzoek onmiddellijk gevolg geeft.
Modifications
Art. 4. § 1. La Chambre ou la commission, ainsi que leurs présidents pour autant que ceux-ci y soient habilités, peuvent prendre toutes les mesures d'instruction prévues par le Code d'instruction criminelle.
§ 2. Pour l'accomplissement de devoirs d'instruction qui devront être déterminés préalablement, la Chambre ou la commission peuvent adresser une requête au premier président de la cour d'appel, qui désigne un ou plusieurs conseillers à la cour d'appel ou un ou plusieurs juges du tribunal de première instance du ressort dans lequel les devoirs d'instruction doivent être accomplis.
Pour l'accomplissement de ces devoirs d'instruction, le magistrat désigné est placé sous la direction du président de la commission. Il établit un rapport écrit consignant les résultats de son instruction.
Le magistrat désigné peut agir en dehors de son ressort et étendre son instruction à l'ensemble du Royaume.
§ 3. La commission peut également, conformément à la loi du 18 juillet 1991 organique du contrôle des services de police et de renseignements, charger les Comités permanents P et R d'effectuer les enquêtes nécessaires.
§ 4. Lorsque les mesures d'instruction comportent une limitation de la liberté d'aller ou de venir, une saisie de matériels, une perquisition ou l'écoute, la prise de connaissance et l'enregistrement de communications et de télécommunications privées, l'intervention du magistrat désigné conformément au § 2 est obligatoire.
Les articles 35 à 39 et 90ter à 90novies du Code d'instruction criminelle relatifs à la saisie de biens matériels et à l'écoute, à la prise de connaissance et à l'enregistrement de communications et de télécommunications privées sont applicables par le magistrat visé à l'alinéa précédent.
§ 5. Lorsque des renseignements doivent être demandés en matière criminelle, correctionnelle, policière et disciplinaire, la commission adresse au procureur général près la cour d'appel ou à l'auditeur général près la Cour militaire une demande écrite en vue de se faire délivrer une copie des devoirs d'instruction et des actes de procédure dont elle estime avoir besoin.
Si, par décision motivée, ce magistrat estime ne pas pouvoir accéder à cette demande, la Chambre, la commission ou leurs présidents peuvent introduire un recours auprès d'un collège constitué du premier président de la Cour de cassation, du président de la [1 Cour constitutionnelle]1 et du premier président du Conseil d'Etat. Ce collège siège à huis clos et règle la procédure. Il peut entendre, dans les délais les plus brefs, le président de la commission et le magistrat concerné. Il tranche le conflit de manière définitive et par décision motivée rendue en séance publique, en tenant compte des intérêts en présence et, en particulier, du respect des droits de la défense.
§ 6. Lorsque des renseignements doivent être demandés en matière administrative, la commission adresse une demande écrite au ministre ou au secrétaire d'Etat compétent, qui y donne suite immédiatement.
§ 2. Pour l'accomplissement de devoirs d'instruction qui devront être déterminés préalablement, la Chambre ou la commission peuvent adresser une requête au premier président de la cour d'appel, qui désigne un ou plusieurs conseillers à la cour d'appel ou un ou plusieurs juges du tribunal de première instance du ressort dans lequel les devoirs d'instruction doivent être accomplis.
Pour l'accomplissement de ces devoirs d'instruction, le magistrat désigné est placé sous la direction du président de la commission. Il établit un rapport écrit consignant les résultats de son instruction.
Le magistrat désigné peut agir en dehors de son ressort et étendre son instruction à l'ensemble du Royaume.
§ 3. La commission peut également, conformément à la loi du 18 juillet 1991 organique du contrôle des services de police et de renseignements, charger les Comités permanents P et R d'effectuer les enquêtes nécessaires.
§ 4. Lorsque les mesures d'instruction comportent une limitation de la liberté d'aller ou de venir, une saisie de matériels, une perquisition ou l'écoute, la prise de connaissance et l'enregistrement de communications et de télécommunications privées, l'intervention du magistrat désigné conformément au § 2 est obligatoire.
Les articles 35 à 39 et 90ter à 90novies du Code d'instruction criminelle relatifs à la saisie de biens matériels et à l'écoute, à la prise de connaissance et à l'enregistrement de communications et de télécommunications privées sont applicables par le magistrat visé à l'alinéa précédent.
§ 5. Lorsque des renseignements doivent être demandés en matière criminelle, correctionnelle, policière et disciplinaire, la commission adresse au procureur général près la cour d'appel ou à l'auditeur général près la Cour militaire une demande écrite en vue de se faire délivrer une copie des devoirs d'instruction et des actes de procédure dont elle estime avoir besoin.
Si, par décision motivée, ce magistrat estime ne pas pouvoir accéder à cette demande, la Chambre, la commission ou leurs présidents peuvent introduire un recours auprès d'un collège constitué du premier président de la Cour de cassation, du président de la [1 Cour constitutionnelle]1 et du premier président du Conseil d'Etat. Ce collège siège à huis clos et règle la procédure. Il peut entendre, dans les délais les plus brefs, le président de la commission et le magistrat concerné. Il tranche le conflit de manière définitive et par décision motivée rendue en séance publique, en tenant compte des intérêts en présence et, en particulier, du respect des droits de la défense.
§ 6. Lorsque des renseignements doivent être demandés en matière administrative, la commission adresse une demande écrite au ministre ou au secrétaire d'Etat compétent, qui y donne suite immédiatement.
Modifications
Art. 5. Dagvaardingen worden door een (gerechtsdeurwaarder) gedaan op verzoek, al naar het geval, van de voorzitter der Kamer, van de voorzitter der commissie of van de aangestelde magistraat; de termijn is ten minste twee dagen, behalve in spoedeisende gevallen.
Art. 5. Les citations sont faites par le ministère d'huissier (de justice) à la requête, selon le cas, du président de la Chambre, du président de la commission ou du magistrat commis; le délai sera de deux jours au moins, sauf le cas d'urgence.
Art. 6. De voorzitter van de Kamer of de voorzitter van de commissie handhaaft de orde in de vergadering.
Te dien einde heeft hij dezelfde bevoegdheden als de voorzitters van de hoven en rechtbanken.
Te dien einde heeft hij dezelfde bevoegdheden als de voorzitters van de hoven en rechtbanken.
Art. 6. Le président de la Chambre, ou le président de la commission, a la police de la séance.
Il l'exerce dans les limites des pouvoirs attribués aux présidents des cours et tribunaux.
Il l'exerce dans les limites des pouvoirs attribués aux présidents des cours et tribunaux.
Art. 7. Smaad en geweld tegen de leden van de Kamer die het onderzoek verrichten of bijwonen, worden gestraft overeenkomstig hetgeen in boek II, Titel V, hoofdstuk II, van het Strafwetboek bepaald is betreffende smaad en geweld tegen leden van de Wetgevende Kamers.
Art. 7. Les outrages et les violences envers les membres de la Chambre qui procèdent ou assistent à l'enquête sont punis conformément aux dispositions du chapitre II du titre V, livre II, du Code pénal concernant les outrages et les violences envers les membres des Chambres législatives.
Art. 8. Andere personen dan leden van de Kamer die, in welke hoedanigheid ook, de niet-openbare commissievergaderingen bijwonen of eraan deelnemen, zijn gehouden vooraf onder ede te verklaren het geheime karakter van de werkzaamheden te zullen naleven. Schending van die geheimhouding wordt gestraft overeenkomstig de bepalingen van artikel 458 van het Strafwetboek.
Getuigen, tolken en deskundigen hebben tegen over de Kamer, de commissie of de aangestelde magistraat dezelfde verplichtingen als tegenover de onderzoeksrechter.
Een ieder kan als getuige worden opgeroepen. De oproeping geschiedt schriftelijk en, zo nodig, bij dagvaarding.
Alvorens te worden gehoord, vertonen de getuigen de uitnodiging of de dagvaarding waarbij zij worden opgeroepen om te getuigen; daarvan wordt melding gemaakt in het proces-verbaal. Vóór zijn verhoor doet de getuige opgave van zijn naam, voornamen, beroep, plaats en datum van geboorte en woonplaats.
De getuigen en de deskundigen leggen vervolgens de eed af dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen.
De deskundigen bevestigen hun mondelinge dan wel schriftelijke verslagen met de als volgt gestelde eed : " Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb. "
Het proces-verbaal van de getuigenissen wordt getekend, hetzij onmiddellijk, hetzij uiterlijk vijftien dagen na de beëindiging van het verhoor, door de voorzitter en de getuige, nadat deze daarvan voorlezing heeft gekregen en verklaard heeft te volharden bij zijn verklaringen. Er mag niet tussen de regels worden geschreven; doorhalingen en verwijzingen worden door de voorzitter en de getuige goedgekeurd en geparafeerd.
Indien de getuige weigert zijn getuigenis te tekenen, wordt daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal.
Hij die gedagvaard wordt om als getuige te worden gehoord, is gehouden te verschijnen en aan de dagvaarding te voldoen, op straffe van gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en geldboete van vijfhonderd frank tot tienduizend frank. De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn van toepassing.
Onverminderd het inroepen van het beroepsgeheim bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek, kan iedere getuige aanvoeren dat hij, door naar waarheid een verklaring af te leggen, zich zou kunnen blootstellen aan strafvervolging en derhalve getuigenis weigeren.
Getuigen, tolken en deskundigen hebben tegen over de Kamer, de commissie of de aangestelde magistraat dezelfde verplichtingen als tegenover de onderzoeksrechter.
Een ieder kan als getuige worden opgeroepen. De oproeping geschiedt schriftelijk en, zo nodig, bij dagvaarding.
Alvorens te worden gehoord, vertonen de getuigen de uitnodiging of de dagvaarding waarbij zij worden opgeroepen om te getuigen; daarvan wordt melding gemaakt in het proces-verbaal. Vóór zijn verhoor doet de getuige opgave van zijn naam, voornamen, beroep, plaats en datum van geboorte en woonplaats.
De getuigen en de deskundigen leggen vervolgens de eed af dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen.
De deskundigen bevestigen hun mondelinge dan wel schriftelijke verslagen met de als volgt gestelde eed : " Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb. "
Het proces-verbaal van de getuigenissen wordt getekend, hetzij onmiddellijk, hetzij uiterlijk vijftien dagen na de beëindiging van het verhoor, door de voorzitter en de getuige, nadat deze daarvan voorlezing heeft gekregen en verklaard heeft te volharden bij zijn verklaringen. Er mag niet tussen de regels worden geschreven; doorhalingen en verwijzingen worden door de voorzitter en de getuige goedgekeurd en geparafeerd.
Indien de getuige weigert zijn getuigenis te tekenen, wordt daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal.
Hij die gedagvaard wordt om als getuige te worden gehoord, is gehouden te verschijnen en aan de dagvaarding te voldoen, op straffe van gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en geldboete van vijfhonderd frank tot tienduizend frank. De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn van toepassing.
Onverminderd het inroepen van het beroepsgeheim bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek, kan iedere getuige aanvoeren dat hij, door naar waarheid een verklaring af te leggen, zich zou kunnen blootstellen aan strafvervolging en derhalve getuigenis weigeren.
Art. 8. Toute personne autre qu'un membre de la Chambre qui, à un titre quelconque, assiste ou participe aux réunions non publiques de la commission, est tenue, préalablement, de prêter le serment de respecter le secret des travaux. Toute violation de ce secret sera punie conformément aux dispositions de l'article 458 du Code pénal.
Les témoins, les interprètes et les experts sont soumis devant la Chambre, la commission ou le magistrat commis, aux mêmes obligations que devant le juge d'instruction.
Tout un chacun peut être appelé comme témoin. La convocation se fait par écrit et, au besoin, par citation.
Avant d'être entendus, les témoins sont tenus de présenter l'invitation ou la convocation à témoigner, il en est fait mention dans le procès-verbal. Avant son audition, le témoin décline ses nom, prénoms, profession, lieu et date de naissance et domicile.
Les témoins et les experts prêtent ensuite le serment de dire toute la vérité et rien que la vérité.
Les experts confirment leurs rapports verbaux ou écrits par le serment suivant : " Je jure avoir accompli ma mission en honneur et conscience, avec exactitude et probité ".
Le procès-verbal des témoignages est signé, soit immédiatement, soit au plus tard quinze jours à dater de la fin de l'audition par le président et par le témoin, après que lecture lui en a été faite et qu'il a déclaré persister en ses déclarations. Aucun interligne ne pourra être fait, les ratures et renvois seront approuvés et paraphés par le président et le témoin.
Si le témoin refuse de signer ses dépositions, il en sera fait mention au procès-verbal.
Toute personne citée pour être entendue en témoignage sera tenue de comparaître et de satisfaire à la citation sous peine d'un emprisonnement de huit jours à six mois et d'une amende de cinq cents francs à dix mille francs. Les dispositions du livre I du Code pénal, sans exception du chapitre VII et de l'article 85, sont applicables.
Sans préjudice de l'invocation du secret professionnel visé à l'article 458 du Code pénal, tout témoin qui, en faisant une déclaration conforme à la vérité, pourrait s'exposer à des poursuites pénales, peut refuser de témoigner.
Les témoins, les interprètes et les experts sont soumis devant la Chambre, la commission ou le magistrat commis, aux mêmes obligations que devant le juge d'instruction.
Tout un chacun peut être appelé comme témoin. La convocation se fait par écrit et, au besoin, par citation.
Avant d'être entendus, les témoins sont tenus de présenter l'invitation ou la convocation à témoigner, il en est fait mention dans le procès-verbal. Avant son audition, le témoin décline ses nom, prénoms, profession, lieu et date de naissance et domicile.
Les témoins et les experts prêtent ensuite le serment de dire toute la vérité et rien que la vérité.
Les experts confirment leurs rapports verbaux ou écrits par le serment suivant : " Je jure avoir accompli ma mission en honneur et conscience, avec exactitude et probité ".
Le procès-verbal des témoignages est signé, soit immédiatement, soit au plus tard quinze jours à dater de la fin de l'audition par le président et par le témoin, après que lecture lui en a été faite et qu'il a déclaré persister en ses déclarations. Aucun interligne ne pourra être fait, les ratures et renvois seront approuvés et paraphés par le président et le témoin.
Si le témoin refuse de signer ses dépositions, il en sera fait mention au procès-verbal.
Toute personne citée pour être entendue en témoignage sera tenue de comparaître et de satisfaire à la citation sous peine d'un emprisonnement de huit jours à six mois et d'une amende de cinq cents francs à dix mille francs. Les dispositions du livre I du Code pénal, sans exception du chapitre VII et de l'article 85, sont applicables.
Sans préjudice de l'invocation du secret professionnel visé à l'article 458 du Code pénal, tout témoin qui, en faisant une déclaration conforme à la vérité, pourrait s'exposer à des poursuites pénales, peut refuser de témoigner.
Art. 9. Hij die schuldig is aan valse getuigenis, de tolk en de deskundige die schuldig zijn aan valse verklaringen en hij die schuldig is aan verleiding van getuigen, deskundigen of tolken, worden gestraft met gevangenisstraf van twee maanden tot drie jaar en worden voor een termijn van ten minste vijf jaar en ten hoogste tien jaar ontzet van het recht om te kiezen en gekozen te worden.
Heeft de valse getuige, de deskundige of de tolk geld, een beloning of een belofte aangenomen, dan wordt hij bovendien veroordeeld tot geldboete van vijftig frank tot drieduizend frank.
Dezelfde straf wordt toegepast op de verleider, onverminderd de andere straffen.
Valse getuigenis is voltooid, wanneer de getuige zijn getuigenis heeft afgelegd en verklaard heeft daarbij te volharden.
Wordt de getuige opgeroepen om opnieuw te worden gehoord, dan is het valse getuigenis eerst voltooid met de laatste verklaring van de getuige dat bij zijn getuigenis volhardt.
Heeft de valse getuige, de deskundige of de tolk geld, een beloning of een belofte aangenomen, dan wordt hij bovendien veroordeeld tot geldboete van vijftig frank tot drieduizend frank.
Dezelfde straf wordt toegepast op de verleider, onverminderd de andere straffen.
Valse getuigenis is voltooid, wanneer de getuige zijn getuigenis heeft afgelegd en verklaard heeft daarbij te volharden.
Wordt de getuige opgeroepen om opnieuw te worden gehoord, dan is het valse getuigenis eerst voltooid met de laatste verklaring van de getuige dat bij zijn getuigenis volhardt.
Art. 9. Le coupable de faux témoignage, l'interprète et l'expert coupables de fausses déclarations, le coupable de subornation de témoins, d'experts ou d'interprètes seront punis d'un emprisonnement de deux mois à trois ans et privés de l'exercice du droit de vote et d'éligibilité pendant cinq ans au moins et dix ans au plus.
Lorsque le faux témoin, l'expert ou l'interprète aura reçu de l'argent, une récompense quelconque ou des promesses, il sera condamné de plus à une amende de 50 à 3 000 francs.
La même peine sera appliquée au suborneur, sans préjudice des autres peines.
Le faux témoignage est consommé lorsque le témoin, ayant fait sa déposition, a déclaré y persister.
Si le témoin est appelé pour être entendu de nouveau, le faux témoignage n'est consommé que par la dernière déclaration du témoin qu'il persiste dans sa déposition.
Lorsque le faux témoin, l'expert ou l'interprète aura reçu de l'argent, une récompense quelconque ou des promesses, il sera condamné de plus à une amende de 50 à 3 000 francs.
La même peine sera appliquée au suborneur, sans préjudice des autres peines.
Le faux témoignage est consommé lorsque le témoin, ayant fait sa déposition, a déclaré y persister.
Si le témoin est appelé pour être entendu de nouveau, le faux témoignage n'est consommé que par la dernière déclaration du témoin qu'il persiste dans sa déposition.
Art. 10. (De processen-verbaal waarin wordt vastgesteld dat er aanwijzigingen of vermoedens zijn van strafbare feiten, worden gezonden aan de procureur-generaal bij het hof van beroep opdat daaraan gevolg wordt gegeven als naar recht.)
(...)
(...)
Art. 10. (Les procès-verbaux constatant des indices ou des présomptions d'infractions seront transmis au procureur général près la cour d'appel pour y être donné telle suite que de doit.)
(...)
(...)
Art. 11. De vergoedingen verschuldigd aan de personen wier medewerking bij het onderzoek is gevorderd, worden uitgekeerd overeenkomstig het tarief van gerechtskosten in burgerlijke zaken.
Art. 11. Les indemnités dues aux personnes dont le concours a été requis dans l'enquête sont réglées conformément au tarif des frais en matière civile.
Art. 12. Overeenkomstig haar reglement stelt de Kamer onverwijld de middelen ter beschikking van de commissie die onontbeerlijk zijn voor de uitvoering van haar opdracht.
Art. 12. En conformité avec son règlement, la Chambre met sans délai à la disposition de la commission les moyens indispensables à l'accomplissement de sa mission.
Art. 13. (De commissie maakt van haar werkzaamheden een verslag, dat openbaar is. Zij vermeldt haar conclusies en formuleert, in voorkomend geval, opmerkingen over de verantwoordelijkheden die door het onderzoek aan het licht zijn gebracht, en voorstellen over een wijziging van de wetgeving.) [2 ]2
De bevoegdheid van de commissie vervalt door de ontbinding van de Kamer [1 Indien uit het onderzoek blijkt dat zulks noodzakelijk is, kan een commissie aan de Kamer, die beslist, voorstellen om een in artikel 3 bedoelde vervaltermijn voor de geheimhouding vast te stellen die langer is dan vijftig jaar na de bekendmaking van het verslag of, bij ontstentenis van een verslag, na het einde van het mandaat van de commissie, zonder dat die termijn ooit meer dan honderd jaar mag bedragen]1.
Haar werkzaamheden worden geschorst door de sluiting van de zitting, tenzij de Kamer anders beslist.
De bevoegdheid van de commissie vervalt door de ontbinding van de Kamer [1 Indien uit het onderzoek blijkt dat zulks noodzakelijk is, kan een commissie aan de Kamer, die beslist, voorstellen om een in artikel 3 bedoelde vervaltermijn voor de geheimhouding vast te stellen die langer is dan vijftig jaar na de bekendmaking van het verslag of, bij ontstentenis van een verslag, na het einde van het mandaat van de commissie, zonder dat die termijn ooit meer dan honderd jaar mag bedragen]1.
Haar werkzaamheden worden geschorst door de sluiting van de zitting, tenzij de Kamer anders beslist.
Art. 13. (La commission consigne la relation de ses travaux dans un rapport public. Elle acte ses conclusions et formule, le cas échéant, ses observations quant aux responsabilités que l'enquête révèle, et ses propositions sur une modification de la législation.) [2 Si l'enquête devait en faire apparaître la nécessité, une commission peut proposer à la Chambre, qui décide, de fixer un délai d'expiration du secret visé à l'article 3 supérieur à cinquante ans après la publication du rapport ou, à défaut de rapport, après la fin du mandat de la commission, sans que ce délai ne puisse jamais excéder cent ans.]2
Les pouvoirs de la commission cessent en cas de dissolution de la Chambre [1 ...]1.
Ils sont suspendus par la clôture de la session, à moins que le Chambre n'en décide autrement.
Les pouvoirs de la commission cessent en cas de dissolution de la Chambre [1 ...]1.
Ils sont suspendus par la clôture de la session, à moins que le Chambre n'en décide autrement.
Art. 14.. [1 De artikelen 3, zesde tot achtste lid, en 13, eerste lid, derde zin, hebben tot doel een evenwicht te bewerkstelligen tussen de bescherming van het recht op eerbiediging van het privéleven, het recht op informatie, de doeltreffendheid van het parlementair onderzoek en de mogelijkheid om mee te werken aan een gerechtelijk onderzoek. ]1
Art. 14.. [1 Les articles 3, alinéas 6 à 8, et 13, alinéa 1er, troisième phrase, ont pour finalité d'atteindre un équilibre entre la protection du droit au respect de la vie privée, le droit à l'information, l'efficacité de l'enquête parlementaire et la possibilité de collaborer à une instruction judiciaire. ]1