Aller au contenu principal

ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221003.3N.7

Détails de la décision

🏛️ Hof van Cassatie 📅 🌐 NL

Matière

Arbeidsrecht

Texte intégral

S.21.0049.N Conclusie van de Advocaat-generaal Vanderlinden: 1. Eiseres tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof Brussel gewezen op 03 februari 2021. Door eiseres worden er twee middelen aangevoerd. 2. Het eerste middel. A. Eerste onderdeel. a. Probleemstelling. Het geschil dat aan uw Hof wordt voorgelegd betreft het bepalen van de opzeggingsvergoeding die aan verweerster verschuldigd was in gevolge de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Inzonderheid betreft dit de vraag wat begrepen dient te worden onder het lopend loon voor de bepaling van de door de werkgever verschuldigde opzeggingsvergoeding. In zijn arbeidsrechtelijke betekenis is loon de tegensprestatie voor de verrichte arbeid in uitvoering van een arbeidsovereenkomst(1). Het standpunt van eiseres is dat enkel dat wat door de werkgever zelf wordt toegekend en waarvan dus de werkgever zelf de schuldenaar is, de tegenprestatie vormt van de arbeid. Voordelen die toegekend worden door derden, zijnde anderen dan de werkgever, en die door derden verschuldigd zijn in uitvoering van een eigen verplichting maken, volgens eiseres, geen loon uit in de arbeidsrechtelijke zin. b. Beoordeling. Een arbeidsovereenkomst vereist, benevens het aspect gezag, om als dusdanig te worden gedefinieerd, het verrichten van arbeid tegen loon. Bij het tot stand komen van de arbeidsovereenkomst gaat er dus van de werkgever een loonverbintenis uit(2). Het betreft de overeengekomen vergoeding voor de prestaties die door de werknemer zullen worden verricht in het kader van de arbeidsovereenkomst die tussen de werkgever en werknemer wordt aangaan. Er is evenwel een verschil tussen de loonverbintenis en de betaling van dat loon. In principe is het de werkgever die de loonverbintenis aangaat en dus de schuldenaar is van het loon. Dit is de meest voorkomende situatie. Niets belet dat een derde het door de werkgever verschuldigde loon betaalt. Er is inderdaad een onderscheid tussen enerzijds “schuldenaar van het loon”, dit is de werkgever, en anderzijds “schuldenaar van de loonbetaling”, dit kan gebeurlijk een derde zijn. Dus een derde kan het door de werkgever verschuldigde loon betalen(3). De betaling door een derde aan een werknemer kan echter ook een andere rechtsgrond hebben. Voor hetgeen volgt, maak ik abstractie van de situatie waar de betaling door de derde volgt uit een wettelijke of reglementaire verplichting. Zo een betaling door een derde kan bijvoorbeeld zijn de beslissing van een moedervennootschap om de werknemers van een dochtervennootschap financieel te laten participeren. Deze betaling van een derde kan kaderen in een afzonderlijke overeenkomst waarbij de derde een eigen verbintenis vervult die vreemd is aan de arbeidsovereenkomst en dus vreemd is aan de loonverbintenis van de werkgever. Ook kan de derde, los van iedere verbintenis, aan de werknemer een voordeel verstrekken. Ook in dit laatste geval is er sprake van een handeling van een derde die vreemd is aan de loonverbintenis van de werkgever. In deze gevallen is er geen sprake van loon in de arbeidsrechtelijke zin daar ze geen tegenprestatie vormen voor de geleverde arbeid. Er moet echter gewezen worden op het gegeven dat in het arbeidsrecht een principiële contractsvrijheid bestaat. Het staat derhalve de werkgever vrij om in het kader van zijn loonverbintenis deze aspecten op te nemen, zelfs indien deze hun grondslag vinden in handelingen van derden. Dus elementen, die op grond van een afzonderlijke contractuele verhouding of eenzijdig toegekend worden door derden, worden opgenomen in de arbeidsovereenkomst als zijnde een aspect van vergoeding voor de gepresteerde arbeid. Hierdoor worden vergoedingen die qua oorsprong, in principe, geen loon zijn in de arbeidsrechtelijke zin, door de wilsuiting van de partijen van de arbeidsovereenkomst, wel loon. De juridische aard van de verplichting of de aard van betaling, in hoofde van de derde, wijzigt hierdoor evenwel niet. Enkel in de relatie werknemer-werkgever krijgt de betaling van de derde een andere juridische invulling(4). Bepalend is wat werknemer en werkgever, in de arbeidsovereenkomst, overeengekomen zijn als loon voor de gepresteerde arbeid. Inderdaad betreffende de loonverbintenis van de werkgever speelt, in zoverre hieraan geen afbreuk wordt gedaan door imperatieve regels, de wilsautonomie van partijen(5). Betalingsschuld of financiële last in hoofde van de werkgever zijn echter geen constitutieve elementen voor de kwalificatie als arbeidsrechtelijk loon(6). Het onderdeel dat het standpunt inneemt dat enkel datgene wat door de werkgever zelf wordt toegekend en dus waarvan de werkgever de schuldenaar is een tegenprestatie voor de arbeid en dus loon is in de arbeidsrechtelijke zin, gaat van een verkeerde rechtsopvatting uit en faalt naar recht. B. Tweede onderdeel. (…) Conclusie: Verwerping. (1) Dit blijkt uit de vaste rechtspraak van Uw Hof waarvan de basis werd gelegd in Uw arrest van 20 april 1977 (AC 1977, 862; RW 1977-78, 1871 conclusie toenmalig advocaat-generaal H. LENAERTS) en nog recent in het arrest van 20 mei 2019 (AR S.18.0063.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190520.7 , AC 2019, nr. 301). (2) M. DE VOS, “Loon naar het Belgisch arbeidsovereenkomstenrecht”, Maklu, Antwerpen 2001, p. 82-83. (3) M. DE VOS, o.c., p. 88, 444 en 455. (4) M. DE VOS, o.c., p. 472. (5) M. DE VOS, o.c., p. 1379 en 1380 en G. VAN DEN AVYLE, “Condtions de rénumération – Autonomie de la volonté”, Commentaire Droit du Travail, p. 90, randnummer 120. (6) M. DE VOS, o.c., p. 1443.