Aller au contenu principal

ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220920.2N.2

Détails de la décision

🏛️ Hof van Cassatie 📅 🌐 NL

Matière

Internationaal publiekrecht - Strafrecht

Texte intégral

P.22.0508.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “De verlenging van de termijn van hoger beroep wegens overmacht” 1. Eiseres werd op 15 juli 2021 op tegenspraak (op verzet) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 37 maanden wegens diefstallen met geweld en diefstallen, met onmiddellijke aanhouding. Het bestreden arrest van 23 maart 2022 verklaart haar hoger beroep ingesteld in de gevangenis op 22 augustus 2021 tegen dit vonnis niet-ontvankelijk wegens laattijdigheid. 2. Eiseres voert in een eerste onderdeel aan dat zij in de steek werd gelaten door haar eerdere advocaat die haar kosteloos was toegewezen in eerste aanleg, dat zij niet wist hoe zij correct hoger beroep in de gevangenis moest instellen, in de waan verkeerde dat haar advocaat hoger beroep zou instellen tegen het vonnis op verzet. Het ontbreken van een correcte juridische bijstand aan eiseres, een kwetsbaar persoon wegens haar situatie als dakloze en persoon zonder echte beroepsopleiding, is een situatie van overmacht, die de appelrechters in rekening hadden moeten brengen om haar hoger beroep ontvankelijk te verklaren. De beslissing van laattijdig hoger beroep is volgens eiseres in strijd met het recht op een eerlijk proces (art. 6.1 EVRM), art. 203 Wetboek van Strafvordering, en de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet. 3. Beoordeling. Uit art. 203 § 1 Wetboek van Strafvordering en art. 1 KB van 25 juli 1893 betreffende de aantekening van hoger beroep van de gedetineerde of geïnterneerde personen, zoals gewijzigd door art. 34 Wet van 25 december 2016 (BS 30 december 2016) volgt dat de rechter in hoger beroep, behalve in geval van overmacht, het hoger beroep vervallen moet verklaren dat in de gevangenis is ingesteld meer dan 30 dagen na de dag van het vonnis op tegenspraak(1). 4. Het recht op toegang tot de rechter, dat een aspect vormt van het recht op een eerlijk proces, kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden, met name ten aanzien van het instellen van een rechtsmiddel binnen een bepaalde termijn. Die voorwaarden mogen er evenwel niet toe leiden het recht dermate te beperken dat het in wezen, in zijn kern wordt aangetast(2). Een te strakke, formalistische toepassing van wettelijke termijnen van hoger beroep, zonder rekening te houden met overmacht, doet dan ook afbreuk aan het recht op toegang tot de rechter. 5. Overmacht bij het instellen van hoger beroep (art. 203 Sv.) en het indienen van een grievenschrift (art. 204 Sv.) is een omstandigheid onafhankelijk van de eiser in hoger beroep, die door hem niet kon worden voorzien of voorkomen, waardoor het hem onmogelijk was aan deze verplichtingen te voldoen(3). In geval van overmacht wordt de termijn om het rechtsmiddel aan te wenden verlengd met de tijd van absolute onmogelijkheid voor de eiser in hoger beroep om ontvankelijk hoger beroep te stellen en een grievenformulier in te dienen(4). 6. Overmacht mag niet te wijten zijn aan een fout of nalatigheid van de eiser in hoger beroep. Deze voorwaarde is vooral aan de orde als de beklaagde is aangehouden en zelf hoger beroep instelt, door een verklaring aan de gevangenisdirecteur, overeenkomstig art. 1 KB 25 juli 1893(5). Het Hof nam hierover aan dat de sanctie van verval van het hoger beroep wegens laattijdigheid alleen mag worden toegepast als blijkt dat de beklaagde die zelf hoger beroep instelde in de gevangenis, op de hoogte was of kon zijn van de termijn van 30 dagen, gelet op artikel 6.1 EVRM(6). 7. Indien de beklaagde op het moment van het instellen van zijn hoger beroep in de gevangenis bijstand heeft van een advocaat, mag men er redelijkerwijze van uitgaan dat die advocaat correcte informatie geeft over de termijnen en vormvereisten van het hoger beroep. Het Hof oordeelde in die zin op 31 mei 2022(7). 8. Het feit dat de advocaat van een beklaagde adviseert geen hoger beroep in te stellen of na dat advies geen bijstand meer verleent, lijkt mij voor de rechter in hoger beroep geen reden te zijn om een laattijdig hoger beroep vanuit de gevangenis toch ontvankelijk te verklaren, wegens overmacht. Het is aan de feitenrechter om op basis van concrete gegevens na te gaan of de aangehouden beklaagde op de hoogte was of kon zijn van de verplichting om tijdig hoger beroep in te stellen, waarbij het Hof toeziet op de wettigheid van de motieven(8). 9. De appelrechters oordeelden dat de toenmalige advocaat van eiseres haar per brief informeerde over de termijn en vorm van het hoger beroep, met de mededeling dat: “de termijn waarbinnen u hoger beroep moet aantekenen verstrijkt op 16 augustus 2021”. Het arrest vermeldt, met verwijzing naar het zittingsblad, dat eiseres ter zitting bevestigde deze brief te hebben ontvangen en gelezen(9). Verder stellen de appelrechters dat beklaagde wel degelijk wist op welke wijze zij hoger beroep diende aan te tekenen vanuit de gevangenis. Mij komt voor dat de appelrechters met deze redenen hun beslissing van laattijdig hoger beroep zonder overmacht correct hebben gemotiveerd. In zoverre kan het eerste onderdeel gesteund op art. 6 EVRM en art. 203 Sv. niet worden aangenomen. 10. Het tweede onderdeel dat stelt dat de akte van betekening van het vonnis op tegenspraak geen informatie bevatte over de vormvereisten van het hoger beroep, is gericht tegen het optreden van het openbaar ministerie bij toepassing van art. 43 Ger. W., niet tegen het bestreden arrest. In zoverre is het onderdeel niet-ontvankelijk. 12. Voor het overige verduidelijkt eiseres niet hoe en waarom het bestreden arrest een schending inhoudt van de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet. In zoverre is het middel niet-ontvankelijk. 13. Besluit. Er zijn geen ambtshalve middelen aan te voeren. Verwerping. (1) Cass. 31 mei 2022, AR P.22.0182.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220531.2N.3 , AC 2022, nr. 387, Cass. 18 januari 2022, AR P.21.1294.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.1 , AC 2022, nr. 39, met concl. OM. (2) GwH 10 februari 2022, arrest 23/2022, B.5, www.const-court.be. (3) Cass. 8 september 2020, AR P.20.0630.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.1 , AC 2020, nr. 509, RO 14; Cass. 3 december 2019, AR P.19.0951.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191203.2N.11 , AC 2019, nr. 641, RW 2020-21, 1540; Cass. 4 september 2019, AR P.19.0423.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190904.2 , AC 2019, nr.435, met concl. van advocaat-generaal NOLET DE BRAUWERE op datum in Pas.; Cass. 27 september 2017, AR P.17.0647.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170927.6 , AC 2017, nr. 506, T. Strafr. 2017, 375 noot B. MEGANCK; Cass. 31 januari 2017, AR P.16.1004.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.5 , AC 2016, nr. 74, NC 2017, 276, met concl. van advocaat-generaal MORTIER, RABG 2017, 1046 noot W. DE PAUW; Cass. 12 februari 2013, AR P.12.0685.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130212.2 , AC 2013, nr. 98; Cass. 13 januari 2004, AR P.03.0860.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040113.13 , AC 2004, nr. 17; S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer 2022, 85-88; H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1728. (4) Cass. 12 januari 1999, RW 1999-2000, 298. In dezelfde zin Cass. 20 november 2019, AR P.19.0874.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191120.8 , AC 2019, nr. 612; Cass. 13 november 2019, AR P.19.0984.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191113.5 , AC 2019, nr. 593 over art. 204 Sv.; D. DE WOLF, Handboek correctioneel procesrecht, Intersentia 2013, 187-188; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1728. (5) Over art. 1 KB 25 juli 1893 zie E. VAN DOOREN en C. VAN DEUREN, “Strafrechtelijke noviteiten in de Potpourri IV-wet”, NC 2018, 133-140; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1705. (6) Cass. 31 mei 2022, AR P.22.0182.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220531.2N.3 , AC 2022, nr. 387; Cass. 18 januari 2022, AR P.21.1294.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.1 , AC 2022, nr. 39, met concl. OM (wat betreft het grievenschrift ingediend in de gevangenis, art. 204 Sv.); Cass. 12 oktober 2021, AR P.21.0937.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211012.2N.10 , AC 2021, nr. 634.; Cass. 20 oktober 2020, AR P.19.1255.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201020.2N.14 , AC 2020, nr. 645. (7) Cass. 31 mei 2022, AR P.22.0182.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220531.2N.3 , AC 2022, nr. 387. (8) Cass. 27 september 2017, AR P.17.0647.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170927.6 , AC 2017, nr. 506, T. Strafr. 2017, 375 noot B. MEGANCK; Cass. 12 februari 2013, AR P.12.0685.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130212.2 , AC 2013, nr. 98; Cass. 8 april 2009, AR P.08.1907.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090408.3 , AC 2009, nr. 248, met concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; Cass. 13 januari 2004, AR P.03.0860.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040113.13 , AC 2004, nr. 17; Cass. 11 april 1990, AR 7812, AC 1990, nr. 481; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 1222; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1346; S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer, 2022, 85-88 (wat betreft de verplichting van het tijdig indienen van een grievenformulier). (9) Het proces-verbaal van de rechtszitting (st. 6) vermeldt hierover: “Op vraag van het openbaar ministerie wordt genoteerd dat de brief van de toenmalige raadsman van de beklaagde, Mr. O., gedateerd op 15 juli 2021 en gericht aan de beklaagde (gevoegd in het stukkenbundel) de originele brief betreft die de beklaagde heeft ontvangen”. Dat Pv vermeldt eveneens dat eiseres op de rechtszitting verklaarde te kunnen lezen.