ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220308.2N.4
Détails de la décision
🏛️ Hof van Cassatie
📅
🌐 NL
Matière
Strafrecht - Overige
Résumé
Artikel 215 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat, indien het vonnis
wordt tenietgedaan wegens schending of niet hersteld verzuim van vormen,
door de wet voorgeschreven op straffe van nietigheid, het hof mede over
de zaak zelf beslist; het appelgerecht doet echter geen...
Texte intégral
P.21.0583.N
Conclusie van advocaat-generaal D. Schoeters:
I. De procedurele voorgaanden.
1. De verweerder werd bij arrest van het hof van beroep, kamer van inbeschuldigingstelling, te Antwerpen, van 10 november 2016 verwezen naar de correctionele rechtbank wegens de telastleggingen A 1, a en b (valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken), A 2 (valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken), B (oplichting), C (misbruik van vertrouwen) en D (misbruik van vennootschapsgoederen).
2. Bij vonnis van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Tongeren, van 8 januari 2018, gewezen op tegenspraak, werd de verweerder op strafgebied vrijgesproken voor de telastleggingen A 1, a en b, B, C en D. De strafrechter verklaarde zich op burgerlijk gebied zonder rechtsmacht om te oordelen over de burgerlijke vorderingen.
Tegen dit vonnis tekenden de eisers (burgerlijke partijen) hoger beroep aan. Het openbaar ministerie tekende geen hoger beroep aan.
3. Bij het bestreden arrest werd onder meer vastgesteld dat door de devolutieve werking van het hoger beroep en de werking van het grievenstelsel aan het hof voorligt: de beoordeling van de burgerlijke vordering, met inbegrip van de omschrijving (kwalificatie) van de telastleggingen, de afwijzing van de gevraagde onderzoekshandelingen, het beantwoorden van conclusies en het standpunt omtrent telastlegging A.2.
Het bestreden arrest zegt voor recht dat er geen aanleiding is om een evocatie in de zin van het Wetboek van Strafvordering toe te passen, zegt dat niet ten genoege van recht wordt vastgesteld dat verweerder een fout begaan heeft bestaande in het plegen van de misdrijven die zich vereenzelvigen met het feit van de vervolging, en dat er een oorzakelijk verband is met de schade die de burgerlijke partijen voorhouden geleden te hebben, meer bepaald de misdrijven vermeld in de telastleggingen A.1, a-b, A.2, zoals gepreciseerd in het bestreden arrest, B, C en D en wijst de vorderingen tot bekomen van een schadevergoeding door de eisers ten aanzien van verweerder af.
II. Het eerste middel van eisers
4. Het eerste middel omvat vier onderdelen. De eisers voeren aan dat het bestreden arrest, door te oordelen dat de eerste rechter geen uitspaak deed over de schuld van telastlegging A.2, zowel in het motiverende als in het beschikkend gedeelte, zonder dat er werd besloten tot nietigheid van het beroepen vonnis van 8 januari 2018, de artikelen 780 Gerechtelijk Wetboek en artikel 215 Wetboek van Strafvordering schenden (eerste, tweede en derde onderdeel); de beslissing dat er geen aanleiding is om een evocatie in de zin van het Wetboek van Strafvordering toe te passen, zou niet naar recht verantwoord zijn. In hun tweede en vierde onderdeel voeren zij tevens de schending aan van artikel 149 Grondwet om reden dat het bestreden arrest geen motivering zou bevatten waarom niet wordt ingegaan op het verzoek van eisers om het beroepen vonnis nietig te verklaren (tweede onderdeel) en tegenstrijdig gemotiveerd zou zijn (vierde onderdeel).
Eisers stellen dat het beroepen vonnis geen uitspraak heeft gedaan over de grond van de zaak wat betreft de telastlegging A.2 en het bestreden arrest de nietigheid van het beroepen vonnis had moeten uitspreken en ingevolge evocatie uitspraak had moeten doen zowel op strafrechtelijk gebied al burgerrechtelijk gebied. Ook op het enkele hoger beroep van een burgerlijk partij dient immers tot evocatie te worden overgegaan.
Ter ondersteuning van hun standpunten verwijzen eisers naar arresten van het Hof van 3 september 2013(1), 1 april 2009(2) en 21 mei 2019(3).
5. De problematiek die hier aan de orde is betreft het spanningsveld tussen enerzijds de devolutieve werking van het hoger beroep en anderzijds de evocatie overeenkomstig artikel 215 Wetboek van Strafvordering(4).
Artikel 215 Wetboek van Strafvordering bepaalt “indien het vonnis wordt teniet gedaan wegens schending of niet hersteld verzuim van vormen, door de wet voorgeschreven op straffe van nietigheid, beslist het hof mede over de zaak zelf.”
De evocatie verplicht de appelrechter, die een beroepen vonnis vernietigt of wijzigt, de zaak aan zich te trekken en over de zaak zelf uitspraak te doen, mits die vernietiging of wijziging niet gegrond is op het feit dat de eerste rechter niet bevoegd was of niet wettelijk was geadieerd(5).
De in artikel 215 Wetboek van Strafvordering aan de rechter in hoger beroep opgelegde verplichting om uitspraak te doen over de zaak zelf is een uitzondering op de devolutieve werking van het hoger beroep, in die zin dat de rechter in beroep hierdoor verplicht is te oordelen over de grond van de zaak zonder dat het beroepen vonnis hierover een beslissing heeft gewezen en waarbij hij dus ertoe gebracht zal worden te statueren buiten en boven de devolutieve werking van het hoger beroep(6). Evenwel wordt er geen afbreuk gedaan aan de devolutieve werking van het hoger beroep in zoverre de appelrechter een vonnis slechts kan tenietdoen en overgaan tot de beoordeling van de grond van de strafvordering en de burgerlijke rechtsvordering ten aanzien van de partijen door of tegen wie hoger beroep werd ingesteld(7).
De rechtspraak vat de evocatie, waarover artikel 215 Wetboek van Strafvordering het heeft, restrictief op in deze zin dat een appelrechter slechts de zaak aan zich trekt indien hij verder gaat dan wat hij met de gewone devolutieve kracht van het hoger beroep zou kunnen doen(8).
Wanneer de appelrechter oordeelt binnen de grenzen van de devolutieve werking van het aangetekende hoger beroep, lijkt het geen uitspraak te doen bij wijze van evocatie, wat ook de bewoordingen van de appelrechters zouden zijn. Zo oordeelde het Hof dat de omstandigheid dat de appelrechters ten onrechte zeggen dat zij de zaak aan zich trekken, geen nietigheid tot gevolg heeft, wanneer zij op dezelfde wijze konden en dienden te beslissen ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep(9). In omgekeerde zin oordeelde het Hof “In strafzaken legt geen enkele wetsbepaling aan de rechter in hoger beroep die de zaak tot zich trekt, de verplichting op bij een afzonderlijke beschikking te beslissen over het tot zich trekken van de zaak vooraleer over de zaak zelf uitspraak te doen, of artikel 215 van het Wetboek van Strafvordering in zijn beslissing te vermelden”(10).
6. De evocatie heeft voor gevolg dat de appelrechter die de zaak tot zich trekt, uitspraak doet over de gehele zaak en dus niet alleen uitspraak doet hetzij over de strafvordering hetzij de burgerlijke vordering die berust op de strafvordering, en dit ongeacht de partij die hoger beroep heeft ingesteld. Zo zal op het enkele beroep van een burgerlijke partij, de appelrechter die overeenkomstig artikel 215 Wetboek van Strafvordering verplicht de zaak tot zich trekt, niet alleen uitspraak doen over burgerlijke vordering maar ook over de strafvordering(11).
7. Wat betreft de toepassing van de voor evocatie overeenkomstig artikel 215 Wetboek van Strafvordering vatbare vonnissen, lijkt de evocatie zich te beperken tot vonnissen die in eerste aanleg de strafvordering niet uitputten(12). R. VERSTRAETEN stelt dat de appelrechter enkel dan verplicht is om bij wijze van evocatie uitspraak te doen, en dus de zaak tot zich te trekken en er zelf uitspraak over te doen, wanneer hij een op een tussengeschil gewezen vonnis of vonnis alvorens recht te doen tenietdoet, wijzigt of vernietigt, mits die vernietiging of wijziging niet gegrond is op het feit dat de eerste rechter niet bevoegd was of wettelijk niet geadieerd(13).
De casus die thans voorligt is bijzonder in die zin dat de eerste rechter uitspraak heeft gedaan over de bij hem aanhangige strafvordering, en dit zowel op strafgebied en als over de burgerlijke vorderingen gestoeld op de aanhangig gemaakte telastleggingen. De eerste rechter sprak de verweerder op strafgebied vrij maar zag over het hoofd om zich uit te spreken over de schuld van telastlegging A.2., zowel in het motiverend als het beschikkend onderdeel van het beroepen vonnis. Op burgerrechtelijk gebied verklaarde de eerste rechter zich zonder rechtsmacht om te oordelen over de burgerlijke vorderingen. Het bestreden vonnis veroordeelde de eisers tot de kosten en hield geen enkele verdere beslissing aan.
Enkel de burgerlijke partijen tekenden hoger beroep aan tegen het eerste vonnis, volgens de akte van beroep tegen al de schikkingen van het vonnis. In hun grievenformulier werd onder meer als grief aangeduid bij de rubriek “procedure” dat geen standpunt ten gronde werd ingenomen over de telastlegging A.2. Het bestreden arrest verklaarde het hoger beroep van de eisers ontvankelijk en oordeelde dat de door hen aangevoerde grieven nauwkeurig zijn bepaald, met uitzondering van de grief over de schuld van de verweerder op strafgebied, welke grief niet ontvankelijk werd geacht bij gebrek aan hoedanigheid van eisers.
Het feit dat de eerste rechter vergat uitspraak te doen op strafgebied doet mijns inziens geen afbreuk aan het feit dat de eerste rechter uitspraak heeft gedaan over de grond van de zaak en zijn rechtsmacht uitgeput is. De eerste rechter hield niets aan om verder over te oordelen. Een andere visie zou betekenen dat de strafvordering m.b.t. telastlegging A.2. nog aanhangig zou zijn bij de eerste rechter en deze bijvoorbeeld opnieuw zou kunnen gevat door het openbaar ministerie.
In deze is het arrest van het Hof van 31 oktober 2017(14) waarop de appelrechter zich steunt, wel degelijk relevant. Het Hof oordeelde dat wanneer het openbaar ministerie een ontvankelijk hoger beroep instelt tegen alle beschikkingen op strafgebied van het beroepen vonnis, de devolutieve werking van dat hoger beroep tot gevolg heeft dat de appelrechter, met een beslissing die in de plaats komt van deze van het beroepen vonnis, dient te oordelen over alle telastleggingen die ook aan het oordeel van de eerste rechter waren onderworpen; het feit dat het beroepen vonnis geen uitspraak heeft gedaan over een van de telastleggingen, heeft in dat geval niet tot gevolg dat de appelrechter moet overgaan tot evocatie omdat de appelrechter dan immers enkel uitspraak dient te doen over die telastlegging wegens de devolutieve werking van het hoger beroep.
Deze rechtspraak lijkt mij evenzeer van toepassing voor het geval een burgerlijke partij een ontvankelijk hoger beroep instelt.
8. Door het ingesteld hoger beroep wordt de zaak bij de appelrechter aanhangig wordt gemaakt binnen de grenzen van de ingestelde hogere beroepen(15).
De saisine van de appelrechter wordt in de eerste plaats bepaald door de verklaring van hoger beroep. Ingevolge het grievenstelsel, ingevoerd bij wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie(16), zal de saisine vervolgens bepaald worden door de in een verzoekschrift of grievenformulier opgegeven grieven. Dit vloeit voort uit de artikelen 203 en 204 Wetboek van Strafvordering(17). Wanneer de appelrechter aldus uitspraak doet over de aangevoerde grieven, oordeelt hij binnen de grenzen van de devolutieve werking van het aangetekende hoger beroep.
Een procespartij kan slechts voor zichzelf hoger beroep instellen. Zo heeft de burgerlijke partij in beginsel geen hoedanigheid om op te komen tegen de beslissing op strafrechtelijk gebied (artikel 202 Wetboek van Strafvordering)(18).
Behoudens het geval van evocatie (cfr. supra), is er nog een uitzondering op deze regel. De rechtspraak neemt aan dat de beperkingen m.b.t. de werking van het hoger beroep niet gelden wanneer de rechter in eerste aanleg besloot tot zijn onbevoegdheid of wanneer hij de strafvordering en de daaraan gekoppelde burgerlijke vordering niet- ontvankelijk verklaart. In zulk geval zal de appelrechter, indien hij van oordeel is dat die beslissing dient hervormd te worden, zowel uitspraak moeten doen over de strafvordering als over de burgerlijke vordering, ook al werd hoger beroep enkel ingesteld door hetzij het openbaar ministerie, hetzij de burgerlijke partij(19)-(20).
9. In zoverre de onderdelen van het eerste middel zouden uitgaan van andere rechtsopvattingen dan hiervoor uiteengezet, lijken mij deze te falen naar recht.
10. Het bestreden arrest stelde vast dat de eerste rechter over het hoofd zag om zich uit te spreken over de schuld van telastlegging A.2. Het oordeelde dat wanneer de burgerlijke partijen, zoals hier, een ontvankelijk hoger beroep instellen tegen alle beschikkingen van het beroepen vonnis, de devolutieve werking van dat hoger beroep tot gevolg heeft dat de appelrechter, met een beslissing die in de plaats komt van deze van het beroepen vonnis, dient te oordelen over alle telastleggingen die ook aan het oordeel van de eerste rechter waren onderworpen en de omstandigheid dat in het beroepen vonnis geen uitspraak werd gedaan over één van de telastleggingen niet tot gevolg heeft dat de appelrechter moet overgaan tot evocatie omdat de appelrechter dan immers enkel uitspraak dient te doen over die telastlegging wegens de devolutieve werking van het hoger beroep.
Over de grond van de zaak oordeelde het bestreden arrest dat niet ten genoegde van recht wordt vastgesteld dat verweerder een fout begaan heeft bestaande in het plegen van de misdrijven vermeld in de telastleggingen A.1, a-b, A.2, B, C en D.
Ik ben van oordeel dat het bestreden arrest naar recht vaststelt dat het ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep van eisers uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvordering van de eisers tegen de verweerder, ook in zoverre die gebaseerd is op de telastlegging A 2 en dat er geen aanleiding is tot evocatie.
In zoverre lijkt het middel niet te kunnen worden aangenomen.
De overige grieven die worden aangevoerd in het tweede, derde en vierde onderdeel van het eerste middel, lijken mij te zijn afgeleid uit de vergeefs aangevoerde onwettigheden en bijgevolg niet ontvankelijk te zijn.
III. (…)
CONCLUSIE: verwerping van de cassatieberoepen.
(1) Cass. 3 september 2013, AR
P.12.1645.N
ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130903.9
, AC 2013, nr. 416.
(2) Cass. 1 april 2009, AR
P.08.1925.F
ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090401.3
, AC 2009, nr. 227, met concl. van advocaat-generaal J. LECLERCQ op datum in Pas., nr. 227; Rev.dr.pén. 2009, afl. 12, 1221, noot R. SWENNEN.
(3) Cass. 21 mei 2019, AR
P.18.0989.N
ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190521.1
, AC 2019, nr. 302.
(4) Over de evocatie: N. BAUWENS, “Evocatie ingevolge artikel 215 van het Wetboek van Strafvordering: een weinig vastomlijnd begrip”, RW 1983-1984, 753-776; J. KERKHOFS, “Evocatie ingevolge artikel 215 van het Wetboek van Strafvordering: het begrip iets vaster omlijnd?”, T.Strafr. 2007/1, 14-20; M.-A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 9° ed., 2021, II, p. 1744-1746; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 6° ed., 2014, p. 1377-1379; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, p. 1238-1241.
(5) Cass. 3 september 2013, AR
P.12.1645.N
ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130903.9
, AC 2013, nr. 416; Cass. 4 september 2012, AR
P.12.0344.N
ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120904.9
, AC 2012, nr. 444; Cass. 20 februari 1990, AR nr. 3175, AC 1989-90, nr. 371.
(6) Cass. 2 maart 2021, AR
P.20.1057.N
ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.22
, AC 2021, nr. 148 met concl. van advocaat-generaal A. WINANTS; M.-A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 9° ed., 2021, II, p. 1745; contra J. KERKHOFS, “Evocatie ingevolge artikel 215 van het Wetboek van Strafvordering: het begrip iets vaster omlijnd ?”, T.Strafr. 2007/1, p. 20.
(7) Cass. 4 april 2006, AR
P.05.1704.N
ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060404.7
, AC 2006, nr. 197.
(8) R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 6° ed., 2014, p. 1377.
(9) Cass. 21 december 2010, AR
P.10.0965.N
ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101221.6
, AC 2010, nr. 758; Cass. 15 mei 2001, AR
P.01.0050.N
ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010515.7
, AC 2001, nr. 285.
(10) Cass. 19 oktober 1976, AC 1977, 209.
(11) Cass. 1 april 2009, AR
P.08.1925.F
ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090401.3
, AC 2009, nr. 227, met concl. van advocaat-generaal J. LECLERCQ op datum in Pas.; Rev.dr.pén. 2009, afl 12, 1221, noot R. SWENNEN; M.-A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 9° ed., 2021, II, p. 1746.
(12) In de rechtspraak van het Hof m.b.t. de gevallen van evocatie komen verschillende situaties aan bod die m.i. op hetzelfde neerkomen, zoals “een vonnis dat geen uitspraak deed over de grond van de zaak” (Cass. 10 september 1980, Rev.dr.pén., 1981, p. 87), “een vonnis dat niet over de zaak zelf heeft beslist” (Cass. 24 juni 2014, AR
P.13.0352.N
ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140624.2
, AC 2014, nr. 451; Cass. 22 september 1993, AR
P.93.0420.F
ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930922.12
, AC 1993, nr. 365), “een vonnis dat nog geen volledige uitspraak heeft gedaan over de bij de eerste rechter aanhangige zaak” (Cass. 4 april 2006, AR
P.05.1704.N
ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060404.7
, AC 2006, nr. 197), “een vonnis dat over geen van de regelmatig bij de eerste rechter aanhangig gemaakte rechtsvorderingen uitspraak heeft gedaan” (Cass. 1 april 2009, AR
P.08.1925.F
ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090401.3
, AC 2009, nr. 227), “een vonnis alvorens recht te doen” (Cass. 3 september 2013, AR
P.12.1645.N
ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130903.9
, AC 2013, nr. 416), “een vonnis dat geen uitspraak doet over de gegrondheid van de strafvordering maar alvorens recht te doen” (Cass. 2 maart 2021, AR
P.20.1057.N
ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.22
, AC 2021, nr. 148).
(13) R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, p. 1239. Zie ook: J. KERKHOFS, “Evocatie ingevolge artikel 215 van het Wetboek van Strafvordering: het begrip iets vaster omlijnd ?”, T.Strafr. 2007/1, p. 18.
(14) Cass. 31 oktober 2017, AR
P.16.1150.N
ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171031.2
, AC 2017, nr. 601.
(15) Over de devolutieve werking en de aanhangigmaking in hoger beroep: M.-A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 9° ed., 2021, II, p. 1733-1743; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 6° ed., 2014, p. 1350 -1366; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, p. 1225-1237.
(16) BS 19 februari 2016.
(17) Cass. 11 mei 2021, AR
P.21.0278.N
ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210511.2N.13
, AC 2021, nr. 342; Cass. 1 december 2020, AR
P.19.1024.N
ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.11
, AC 2020, nr. 732, met concl. van advocaat-generaal B. DE SMET; Cass. 23 oktober 2019, AR
P.19.0802.F
ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191023.2
, AC 2019, nr. 540; S. VAN OVERBEKE, “Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (“Potpourri II”) (tweede deel)”, RW 2015-16, afl. 37, 1449.
(18) M.-A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 9° ed., 2021, II, p. 1745.
(19) Cass. 14 juni 2005, AR
P.04.1596.N
ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050614.8
, AC 2005, nr. 338; Cass. 18 september 2001, AR
P.99.1841.N
ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010918.15
, AC 2001, nr. 467; Cass. 4 april 2001, AR
P.01.0042.F
ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010404.12
, AC 2001, nr. 200, met concl. van advocaat-generaal R. LOOP, op datum in Pas.; Cass. 9 december 1997, AR
P.96.0448.N
ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971209.6
, AC 1997, nr. 543, met concl. van advocaat-generaal BRESSELEERS.
(20) Ook ingeval van hoger beroep van een burgerlijke partij tegen een beslissing van het onderzoekgerecht tot buitenvervolgingstelling, zal de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak doen over de strafvordering die aanhangig is gemaakt door het instellen van een gerechtelijk onderzoek. Dit lijkt mij een specifieke situatie die die voorzien is in artikel 135 Wetboek van Strafvordering.