Aller au contenu principal

ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221212.3F.4

Détails de la décision

🏛️ Hof van Cassatie 📅 🌐 NL

Matière

Arbeidsrecht - Burgerlijk recht - Unierecht

Résumé

De werknemers beschikken over het stakingsrecht en dat recht kan worden beperkt (1). (1) Zie concl. OM. in Pas. 2022, nr. 815.

Texte intégral

Nr. C.18.0533.F SKEYES, voorheen Belgocontrol genaamd, autonoom overheidsbedrijf, Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen RYANAIR DESIGNATED ACTIVITY COMPANY, vennootschap naar Iers recht, Mr. Huguette Geinger en mr. Bruno Maes, advocaten bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 7 november 2017. Advocaat-generaal Hugo Mormont heeft op 23 november 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd op de griffie. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 24 november 2022 verwezen naar de derde kamer. Sectievoorzitter Mireille Delange heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Hugo Mormont heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert de twee volgende middelen aan: Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 3 van de wet van 10 februari 2003 betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen; - voor zover als nodig, artikel 1384, meer bepaald derde lid, Oud Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen 1. Het arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres ontvankelijk maar niet gegrond. Het bevestigt het beroepen vonnis, verwijst de zaak naar de eerste rechter met toepassing van artikel 1068, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek en veroordeelt de eiseres tot de kosten van het hoger beroep van de verweerster, vastgesteld op 1.440,00 euro, en laat de kosten van het hoger beroep van de eiseres, vastgesteld op 1.650 in toto, voor haar rekening. Het arrest steunt die beslissing op de redenen die worden uiteengezet in het gedeelte “II. Bespreking”, vermeld op de bladzijden 4 tot 8, en die, voor zover als nodig, geacht worden hierna volledig te zijn weergegeven. 2. Het arrest dat het bestaan van een fout vanwege de beambten van de eiseres aanneemt, oordeelt vervolgens dat de bijzondere voorwaarden van artikel 1384, derde lid, Oud Burgerlijk Wetboek, zijn vervuld. In dit opzicht oordeelt het met name dat de beambten van de eiseres zich ten aanzien van haar in een band van ondergeschiktheid bevonden toen de schadeverwekkende handeling van de staking werd uitgevoerd en dat ze werd verricht binnen de bediening waartoe die beambten werden gebezigd. Om tot die beslissing te komen, vermeldt het arrest in het bijzonder dat: “De band van ondergeschiktheid bestaat zodra een persoon zijn gezag en toezicht op de daden van een ander in feite kan uitoefenen. De toepassing van artikel 1384, derde lid, vereist dat die band bestaat op het tijdstip dat het schadeverwekkende feit zich voordoet. Het is niet vereist dat de aansteller zijn prerogatief daadwerkelijk heeft uitgeoefend, het is voldoende dat hij dit kon doen. Op het tijdstip waarop de luchtverkeersleiders op onrechtmatige wijze tot de staking hebben beslist, hadden zij dienst en bevonden zij zich onder het gezag en het toezicht van [de eiseres]. Zij hebben de luchtverkeersleiding verder verzekerd tot 28 september te 14 uur en de arbeidsverhoudingen met [de eiseres] waren pas vanaf dat ogenblik geschorst. Hieruit volgt dat de stelling van [de eiseres] volgens welke de staking als geheel moet worden beschouwd en dus moet worden aangenomen dat de arbeidsverhoudingen al vanaf de aankondiging van de staking waren geschorst, niet overeenstemt met de feiten zoals ze zich hebben voorgedaan. Evenmin kan worden aangenomen dat een werkgever het vermogen om de controle en de leiding uit te oefenen over zijn personeelsleden verliest zodra zij een staking aankondigen, à fortiori wanneer deze onrechtmatig is. De aard van de door de personeelsleden begane fout heeft in beginsel geen invloed op de beoordeling van de band van ondergeschiktheid en het feit dat de luchtverkeersleiders, wanneer zij op 27 september 2010 tot de organisatie van een staking hebben beslist, de door het vakbondsstatuut bepaalde procedures niet hebben nageleefd, heeft hen niet onttrokken aan die band van ondergeschiktheid ten aanzien van [de eiseres]. Zij voert tevergeefs aan dat, wat betreft de uitoefening van het stakingsrecht door de luchtverkeersleiders, die band van ondergeschiktheid niet effectief was omdat zij ‘op geen enkele handeling van haar aangestelden in het kader van de organisatie en de uitvoering van de staking’, hiërarchisch gezag heeft kunnen uitoefenen, zoals de eerste rechter heeft erkend. Immers, het gaat er niet om te weten of [de eiseres] ten aanzien van de luchtverkeersleiders gezag had om hen hetzij te verbieden daags nadien het werk neer te leggen hetzij te verplichten om te werken, maar om na te gaan of de luchtverkeersleiders op het tijdstip van de fout dienst hadden en dus onder het effectief of potentieel gezag van hun werkgever stonden, wat inderdaad het geval was. Aangezien dit het geval was, is het vermoeden van aansprakelijkheid van de werkgever voor de onrechtmatige daden van zijn beambten onweerlegbaar, net als dat van de aansteller voor de fout van zijn aangestelde in het kader van artikel 1384, derde lid, Oud Burgerlijk Wetboek. Voor het overige dient te worden opgemerkt dat, hoewel staken een recht is, de uitoefening van dat recht onrechtmatig kan zijn en tot sancties kan leiden. [De eiseres] had vóór de werkelijke aanvang van de staking een tuchtvervolging kunnen instellen tegen de personeelsleden die tot een wilde staking hadden beslist. Die vaststelling is niet tegenstrijdig met de overwegingen van de eerste rechter volgens welke [de eiseres] ‘geen bevelen kon geven aan de luchtverkeersleiders tijdens de staking om een doeltreffende luchtverkeersleiding te organiseren en ‘evenmin over dwangmiddelen, zoals een opvordering, beschikte om de effecten van de staking te verzachten’. Bovendien heeft hij erop gewezen dat [de eiseres] had kunnen ‘proberen om de stakingsdrang om te buigen’, zelfs al kon ze de staking niet vooraf verbieden. Uit de voormelde overwegingen volgt dat de personeelsleden van [de eiseres] zich bevonden in een band van ondergeschiktheid op het tijdstip waarop de schadeverwekkende handeling werd uitgevoerd. Opdat [de eiseres] aansprakelijk kan worden gesteld, is eveneens vereist dat ‘de schadeverwekkende handeling werd verricht binnen het raam van de bediening waartoe de aangestelde werd gebezigd’, wat betekent dat de handeling werd verricht tijdens de bediening en, zij het onrechtstreeks en occasioneel, daarop betrekking heeft. De onrechtmatige beslissing van 27 september 2010 werd genomen tijdens de diensturen en tijdens de uitoefening van de bediening van de personeelsleden van [de eiseres], aangezien is vastgesteld dat de arbeidsverhoudingen slechts vanaf 28 september 2010 te 14 uur waren geschorst. Het is bijgevolg van geen belang dat de beslissing om daags nadien te staken ertoe strekte zich ‘buiten de bediening’ te plaatsen. De litigieuze beslissing stond daarenboven in rechtstreeks verband met de uitgeoefende bediening aangezien ze betrekking had op arbeidsvoorwaarden van die bediening. [De eiseres] is bijgevolg aansprakelijk voor de fout van haar personeelsleden, zonder dat moet worden nagegaan of de voorwaarden van artikel 1384, derde lid, Oud Burgerlijk Wetboek ook tijdens de werkonderbreking op 28 september 2010 tussen 14 uur en 22 uur waren vervuld, aangezien [de verweerster] aanvoert dat zij haar gehele schade heeft geleden vóór de werkelijke aanvang van de staking”. Grieven 1. Krachtens artikel 3 van de wet van 10 februari 2003 betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen, zijn openbare rechtspersonen aansprakelijk voor de schade die hun personeelsleden aan derden berokkenen bij de uitoefening van hun dienst, op de wijze waarop aanstellers aansprakelijk zijn voor de schade aangericht door hun aangestelden, en dit ook wanneer de toestand van deze personeelsleden statutair is geregeld of zij gehandeld hebben in de uitoefening van de openbare macht. Hieruit volgt dat de aansprakelijkheid van de openbare werkgever voor feiten en daden van zijn personeelsleden niet anders is geregeld dan overeenkomstig artikel 1384, derde lid, Oud Burgerlijk Wetboek. 2. Opdat een aansteller, zoals een openbare werkgever, aansprakelijk kan worden gesteld voor de schade die door de fout van een aangestelde werd berokkend, is vereist dat de aansteller, op het tijdstip waarop de fout werd begaan, zijn gezag, leiding en toezicht in feite heeft kunnen uitoefenen op die aangestelde en dat die aangestelde heeft gehandeld binnen de grenzen van zijn bediening en niet daarbuiten. Dit is niet het geval wanneer, zoals in deze zaak, de personeelsleden van een openbare werkgever beslissen tot een wilde staking, zonder naleving van het vakbondsstatuut voor het personeel, na een stakingsaanzegging van vierentwintig uur zonder voorafgaand overleg met hun syndicale organisaties. Immers, door hun handelswijze hebben die beambten, zoals de eiseres heeft aangevoerd in haar laatste syntheseconclusie in hoger beroep, 1° een daad gesteld die tegen het ondergeschikt verband indruist aangezien de eiseres over geen enkel middel beschikte om zich tegen de staking, die een fundamenteel recht uitmaakt, te verzetten en, bijgevolg, haar hiërarchisch gezag niet kon uitoefenen en 2° als gevolg hiervan, door te staken zonder voorafgaande aankondiging en zonder mededeling van enige verzuchting van professionele aard, zichzelf buiten de bediening geplaatst waarvoor ze worden gebezigd. 3. Hieruit volgt dat het arrest, dat oordeelt dat de aansprakelijkheid van de eiseres in het gedrang was, in zoverre de personeelsleden die tot de betwiste staking hebben beslist, hadden gehandeld tijdens hun diensturen, in hoedanigheid van aangestelden, en hun beslissingen verband hielden met hun bediening aangezien ze betrekking hadden op de arbeidsvoorwaarden van die bediening, de artikelen 1384, derde lid, Oud Burgerlijk Wetboek en 3 van de in het middel vermelde wet van 10 februari 2003, schendt. […] III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Artikel 6.4 Herziening Europees Sociaal Handvest bepaalt dat, teneinde de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen te waarborgen, de Partijen het recht van werknemers en werkgevers op collectief optreden in gevallen van belangengeschillen erkennen, met inbegrip van het stakingsrecht, behoudens verplichtingen uit hoofde van reeds eerder gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten. Krachtens artikel G van het Handvest kan de doeltreffende uitoefening van dat stakingsrecht buiten de in deel I en deel II vermelde gevallen generlei beperkingen ondergaan, met uitzondering van die welke bij de wet zijn voorgeschreven en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen en voor de bescherming van de openbare orde, de nationale veiligheid, de volksgezondheid of de goede zeden; de krachtens dit Handvest geoorloofde beperkingen op de daarin vermelde rechten en verplichtingen kunnen uitsluitend worden toegepast voor het doel waarvoor zij zijn bestemd. De bijlage bij het Handvest, die, krachtens artikel N, hiervan een integrerend deel vormt, bepaalt, wat betreft artikel 6.4, dat elke Partij zelf het stakingsrecht bij wet kan regelen, mits elke eventuele verdere beperking van dit recht verantwoording vindt in de bepalingen van artikel G en, wat betreft deel III, dat het Handvest juridische verplichtingen van internationale aard inhoudt, waarvan de toepassing uitsluitend is onderworpen het toezicht zoals bedoeld in het Handvest. Uit die bepalingen volgt dat de werknemers over het stakingsrecht beschikken en dat dit recht kan worden beperkt. De beslissing om te staken kan een fout uitmaken. De werkgever kan voor die fout aansprakelijk worden gesteld indien de overige voorwaarden van artikel 1384, derde lid, Oud Burgerlijk Wetboek, waarnaar artikel 3 van de wet van 10 februari 2003 betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen verwijst, zijn vervuld. Het middel dat geheel ervan uitgaat dat elke staking, zelfs wanneer die onrechtmatig is, de uitoefening vormt van een fundamenteel recht die de band van ondergeschiktheid uitsluit, faalt naar recht. […] Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Christian Storck, als voorzitter, sectievoorzitters Koen Mestdagh en Mireille Delange, en de raadsheren Antoine Lievens en Eric de Formanoir, en in openbare terechtzitting van 12 december 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Hugo Mormont, met bijstand van griffier Lutgarde Body. Vertaling opgemaakt onder toezicht van sectievoorzitter Koen Mestdagh en overgeschreven met assistentie van griffier Wim Vanderputten.