Aller au contenu principal

ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221130.2F.9

Détails de la décision

🏛️ Hof van Cassatie 📅 🌐 NL

Matière

Strafrecht

Résumé

De door een magistraat van de beslissingsstaat genomen beschikking tot tenuitvoerlegging die drie veroordelingen voegt en die enkel de uitvoeringsduur van de drie in een Europees aanhoudingsbevel vermelde en aldus gevoegde gevangenisstraffen vaststelt, spreekt geen stra...

Texte intégral

Nr. P.22.1511.F K. K., Mr. Séverine Solfrini, advocaat bij de balie Luik-Hoei en mr. Jacques Willocq, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 14 november 2022. De eiser voert in de memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Tamara Konsek heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel De eiser maakt het voorwerp uit van een Europees aanhoudingsbevel dat op 5 september 2017 werd uitgevaardigd door de procureur-generaal bij het hof van beroep te Perugia. Het aanhoudingsbevel betreft een beschikking van 8 mei 2017 die voorziet in de tenuitvoerlegging van de samengevoegde straffen, opgelegd door drie arresten die in kracht van gewijsde zijn gegaan, namelijk een arrest van het hof van beroep te Aquila van 30 oktober 2013 dat een gevangenisstraf van negen jaar oplegt, een arrest van het hof van beroep te Ancona dat een gevangenisstraf van tien maanden en twintig dagen oplegt en een arrest van het hof van beroep te Perugia van 1 juli 2016 dat een gevangenisstraf van vier jaar oplegt. Het Europees aanhoudingsbevel preciseert dat, volgens de voormelde beschikking, de totale duur van de nog te ondergane straf werd vastgesteld op twaalf jaar, tien maanden en twintig dagen, rekening houdend met de duur van de reeds ondergane gevangenisstraf. Het middel voert schending aan van artikel 38, § 1, Wet Wederzijdse Erkenning Vrijheidsbenemende Straffen. Het verwijt het arrest te beslissen dat er geen reden is om de tenuitvoerlegging te weigeren op grond van artikel 6, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel, aangezien de gevangenisstraf van tien maanden en twintig dagen niet in België kan worden uitgevoerd, daar ze volgens het Belgisch recht is verjaard. De eiser voert aan dat de kamer van inbeschuldigingstelling in haar onderzoek van deze facultatieve weigeringsgrond rekening had moeten houden met de beschikking tot tenuitvoerlegging van 8 mei 2017 die, volgens hem, opnieuw een straf uitspreekt en aldus de door de voormelde hoven van beroep uitgesproken straffen vervangt door één enkele straf. Krachtens de aangevoerde bepaling bevat de beslissing van het onderzoeksgerecht, indien dat gerecht artikel 6, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel toepast, de erkenning en de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbenemende straf of maatregel vermeld in de rechterlijke beslissing waarvoor een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd. Volgens artikel 3, 1°, Wet Wederzijdse Erkenning Vrijheidsbenemende Straffen is een vonnis een door een rechtscollege van de beslissingsstaat in strafzaken gewezen onherroepelijke beslissing waarbij een vrijheidsbenemende straf of maatregel wordt opgelegd. Het Europees aanhoudingsbevel vermeldt dat, in geval van weigering met betrekking tot een van de beslissingen die in de maatregel tot samenvoeging zijn vervat, de Italiaanse rechterlijke autoriteit de uit te voeren straf opnieuw zal vaststellen, waarbij ze de straf waarvoor de overlevering werd geweigerd zal opheffen overeenkomstig het specialiteitsbeginsel. Hieruit volgt dat de beschikking tot tenuitvoerlegging geen straf oplegt maar enkel de uitvoeringsduur van de drie in het Europees aanhoudingsbevel vermelde en aldus samengevoegde gevangenisstraffen vaststelt. Die bepalingen kunnen evenmin tot gevolg hebben dat er in België een volgens het Belgisch recht verjaarde straf zou kunnen worden uitgevoerd. Het bestreden arrest dat vaststelt dat de gevangenisstraf van tien maanden en twintig dagen, uitgesproken door het arrest van het hof van beroep van Ancona van 13 juni 2014, is verjaard volgens het Belgisch recht, verantwoordt zijn beslissing bijgevolg naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel De eiser heeft de kamer van inbeschuldigingstelling verzocht haar uitspraak over de vordering tot uitvoerbaarverklaring aan te houden zolang de procedure die hij voor een Italiaanse strafuitvoeringsrechtbank had ingeleid op grond van artikel 671 van het Italiaanse Wetboek van Strafvordering niet was afgerond, met het oog op de samenvoeging van de straffen die tegen hem waren uitgesproken, wegens een samenloop van misdrijven of het voortdurende karakter van die misdrijven. Het middel voert aan dat de Italiaanse strafuitvoeringsrechter met name de straf kan beperken en dat zijn beslissing een onherroepelijke beslissing is in de zin van artikel 92 (lees: 3, 1°) Wet Wederzijdse Erkenning Vrijheidsbenemende Straffen. Volgens de eiser kan niet worden aangenomen dat er uitspraak wordt gedaan “over een beslissing tot tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel indien er nog geen onherroepelijke beslissing is gewezen”. Hij verzoekt in ondergeschikte orde om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag te stellen “over de werkelijke inhoud van het begrip ‘rechterlijke beslissing van een lidstaat’ en de wederzijdse erkenning die hieraan gegeven moet worden”. De mogelijke toepassing van de regels betreffende de samenloop tussen verschillende veroordelingen die in de beslissingsstaat zijn uitgesproken en waarvoor een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, is een kwestie waarover de autoriteiten van die staat moeten oordelen. Hieruit volgt dat het onderzoeksgerecht dat uitspraak moet doen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van drie, aldus samengevoegde straffen, de samenloop tussen de voormelde, in de beslissingsstaat uitgesproken veroordelingen niet in aanmerking dient te nemen. In zoverre het middel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht. Voorts, en zoals de eiser in het eerste onderdeel zelf preciseert, neemt het arrest in zijn beslissing over de vordering tot uitvoerbaarverklaring de drie veroordelende arresten in aanmerking, waarvan het bovendien vaststelt dat ze onherroepelijk zijn geworden. In zoverre het middel uitgaat van de opvatting dat het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft op de beslissing tot tenuitvoerlegging, mist het feitelijke grondslag. De prejudiciële vraag die van een onjuiste bewering uitgaat, dient niet aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te worden gesteld. Tweede middel Het middel voert schending aan van artikel 6, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel, gelezen in samenhang met de artikelen 12, 6°, en 38 Wet Wederzijdse Erkenning Vrijheidsbenemende Straffen, artikel 92 Strafwetboek en de artikelen 10 en 11 Grondwet. De eiser voert aan dat de autoriteiten van de beslissingsstaat de beslissing van het gerecht van de tenuitvoerleggingsstaat kunnen beïnvloeden door meerdere beslissingen te voegen die op verschillende tijdstippen en op verschillende locaties zijn gewezen, aangezien laatstgenoemd gerecht op een andere wijze uitspraak zou doen indien het over elke beslissing afzonderlijk zou moeten oordelen. Hij voert aan dat er bijgevolg een verschil in behandeling bestaat tussen een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd waarin drie titels zijn gevoegd en de persoon tegen wie drie onderscheiden aanhoudingsbevelen zijn uitgevaardigd, in welk geval het onderzoeksgerecht over elke vordering tot uitvoerbaarverklaring, los van de andere, uitspraak zou moeten doen. Hij verzoekt om hierover een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Zoals in het onderzoek van het eerste middel wordt uiteengezet, gaat het middel uit van de onjuiste opvatting dat de beschikking tot tenuitvoerlegging een straf uitspreekt en een vonnis zou zijn waarvoor een Europees aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd, terwijl ze enkel de uitvoeringsduur van de drie in dat bevel vermelde en aldus samengevoegde gevangenisstraffen vaststelt. Het middel faalt naar recht. Aangezien het middel niet kan leiden tot cassatie, dient de prejudiciële vraag niet te worden gesteld. Ambtshalve onderzoek De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer samengesteld uit voorzitter ridder Jean de Codt, als voorzitter, de raadsheren Tamara Konsek, Frédéric Lugentz, François Stévenart Meeûs en Ignacio de la Serna, en in openbare rechtszitting van 30 november 2022 uitgesproken door voorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert. Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Peter Hoet en overgeschreven met assistentie van griffier Kristel Vanden Bossche.