ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221130.2F.14
Détails de la décision
🏛️ Hof van Cassatie
📅
🌐 NL
Matière
Strafrecht - Overige - Unierecht
Résumé
Het onderzoeksgerecht dat uitspraak moet doen over de tenuitvoerlegging
van een Europees aanhoudingsbevel, beoordeelt op onaantastbare wijze of
de mededeling van de beslissingsstaat volstaat om de vragen te beantwoorden
die in het verzoek om bijkomende inlichtingen zijn...
Texte intégral
Nr. P.22.1529.F
N. D.,
Mr. Pascal Rodeyns, advocaat bij de balie Luik-Hoei.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest met rolnummer C1676 van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 17 november 2022.
De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.
Raadsheer Frédéric Lugentz heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
De eiseres die volgens het bestreden arrest geboren is op 12 juli 1933, vereenzelvigt zich met D.N., geboren op ... , zoals hierboven vermeld.
Eerste middel
Het middel voert schending aan van artikel 2, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel en artikel 8 van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten. Het verwijt de appelrechters te hebben geoordeeld dat de kwestie van de discrepantie tussen de straffen bedoeld in de drie Europese aanhoudingsbevelen betreffende de eiseres, waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd aan België, en het – hogere – totaal bedoeld in de beslissing van het parket van Turijn die de samenvoeging van die straffen heeft bevolen, was opgelost door de mededeling, door de uitvaardigende staat, van een inlichting over een vierde aanhoudingsbevel, dat overigens niet werd overgelegd en dat betrekking zou hebben op een straf waarmee de beslissing tot voeging ook rekening heeft gehouden.
Het onderzoeksgerecht dat uitspraak moet doen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, beoordeelt op onaantastbare wijze of de mededeling van de uitvaardigende staat volstaat om de vragen te beantwoorden die in het verzoek om bijkomende inlichtingen zijn gesteld of dat er bijkomende inlichtingen moeten worden ingewonnen.
Het middel dat enkel tegen die feitelijke beoordeling opkomt of daarvoor een onderzoek van feitelijke gegevens vereist, waarvoor het Hof niet bevoegd is, is niet ontvankelijk.
Tweede en derde middel samen
De middelen voeren respectievelijk schending aan van artikel 38, § 1, Wet Erkenning Vrijheidsbenemende Straffen en artikel 6, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel, gelezen in samenhang met de artikelen 12, 6°, en 38, § 1, Wet Erkenning Vrijheidsbenemende Straffen, artikel 92 Strafwetboek en de artikelen 10 en 11 Grondwet.
De eiseres verwijt de appelrechters in essentie dat ze haar verzoek om haar straf in België te ondergaan hebben verworpen, op grond dat, overeenkomstig de Belgische wet en met name de bepalingen betreffende de verjaringstermijn van straffen, op zijn minst één van de straffen bedoeld in de drie Europese aanhoudingsbevelen die door de vordering tot uitvoerbaarverklaring bij het hof van beroep aanhangig zijn gemaakt, niet meer in België zou kunnen worden uitgevoerd. Volgens de eiseres had de Italiaanse rechterlijke beslissing die de samenvoeging van de straffen heeft bevolen, beschouwd moeten worden als de beslissing waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevorderd, en niet elke beslissing die de afzonderlijke straffen heeft opgelegd, die daarna werden samengevoegd.
Enerzijds is de mogelijke toepassing van de regels betreffende de samenloop tussen verschillende veroordelingen die in de uitvaardigende staat zijn uitgesproken en waarvan sommige het voorwerp uitmaken van een Europees aanhoudingsbevel, een kwestie die op de strafuitvoering betrekking heeft en die dus uitsluitend door de autoriteiten van die staat kan worden beoordeeld.
Hieruit volgt dat het onderzoeksgerecht dat uitspraak moet doen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf, geen rekening dient te houden met de samenloop tussen die veroordeling en andere veroordelingen die in de uitvaardigende staat zijn uitgesproken.
De middelen falen in zoverre naar recht.
Anderzijds bepaalt artikel 38, § 1, Wet Wederzijdse Erkenning Vrijheidsbenemende Straffen dat indien het onderzoeksgerecht artikel 6, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel toepast, haar beslissing de erkenning en de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbenemende straf of maatregel omvat die vermeld wordt in de rechterlijke beslissing waarvoor een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd en dat de procureur des Konings zich door de staat die het Europees aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd het vonnis, vergezeld van het certificaat, laat bezorgen.
Krachtens artikel 3, 1°, Wet Wederzijdse Erkenning Vrijheidsbenemende Straffen wordt onder “vonnis” een door een rechtscollege van de beslissingsstaat in strafzaken gewezen onherroepelijke beslissing verstaan waarbij een vrijheidsbenemende straf of maatregel wordt opgelegd.
Die bepaling vormt de omzetting, in de Belgische rechtsorde, van artikel 1, a), van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie, dat bepaalt dat onder “vonnis” een door een rechter van de beslissingsstaat gewezen onherroepelijke uitspraak of beschikking wordt verstaan waarbij aan een natuurlijke persoon een sanctie wordt opgelegd.
Volgens het arrest werd de beslissing tot voeging van 3 februari 2022 genomen door de procureur van de Republiek te Turijn en had ze tot doel vier eerdere, door de Italiaanse strafgerechten uitgesproken veroordelingen samen te voegen.
Een dergelijke beslissing die geen veroordeling uitspreekt, vormt bijgevolg geen vonnis in de zin van de voormelde bepalingen.
Die bepalingen kunnen evenmin tot gevolg hebben dat er in België een volgens de Belgische wet verjaarde straf zou kunnen worden uitgevoerd.
Hieruit volgt dat de appelrechters, die volgens het bestreden arrest enkel uitspraak doen over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel dat slechts één van de in de beslissing tot voeging vermelde straffen betreft, hun beslissing naar recht verantwoorden.
De middelen kunnen in zoverre niet worden aangenomen.
Er dient geen prejudiciële vraag te worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, aangezien de juiste toepassing van het gemeenschapsrecht zo evident is dat er redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel kan bestaan over de betekenis van de toepasselijke regel.
Er bestaat evenmin grond om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, aangezien de aan het einde van het derde middel gestelde vraag uitgaat van de onjuiste veronderstelling dat de beslissing van de procureur van de Republiek om de regels betreffende de samenloop tussen verschillende in de beslissingsstaat uitgesproken veroordelingen toe te passen een vonnis is waarvoor een Europees aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd.
Ambtshalve onderzoek
De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door voorzitter ridder Jean de Codt, als voorzitter, en de raadsheren Tamara Konsek, Frédéric Lugentz, François Stévenart Meeûs en Ignacio de la Serna, en in openbare rechtszitting van 30 november 2022 uitgesproken door voorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van voorzitter Filip Van Volsem en overgeschreven met assistentie van griffier Kristel Vanden Bossche.