ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221123.2F.10
Détails de la décision
🏛️ Hof van Cassatie
📅
🌐 NL
Matière
Bestuursrecht - Overige
Texte intégral
Nr. P.22.1443.F
A. E. A.,
Mr. Wajdi Khalifa en mr. Mehdi Abbes, advocaten bij de balie Brussel.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 18 oktober 2022.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
Raadsheer Tamara Konsek heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Michel Nolet de Brauwere heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Op 25 juli 2022 werd de eiser in kennis gesteld van een beslissing tot vasthouding in een welbepaalde plaats, genomen op grond van artikel 74/6, § 1, 3° en 4°, Vreemdelingenwet. Op 23 september 2022 werd die maatregel verlengd voor een duur van twee maanden, met toepassing van artikel 74/6, § 1, vijfde lid, van de voormelde wet.
Volgens het middel, dat schending aanvoert van artikel 42 Taalwet Bestuurszaken, is de voormelde beslissing tot verlenging onwettig omdat de motivering van de vrijheidsbeneming in het Nederlands is opgemaakt, terwijl de eiser, via zijn raadsman, de Vreemdelingendienst te kennen had gegeven het Frans te kiezen als taal waarin hij zijn verzoek om internationale bescherming wou laten onderzoeken.
Volgens de eiser heeft het hof van beroep, door te oordelen dat het in de Taalwet Gerechtszaken vastgelegde beginsel van de eenheid van taal enkel van toepassing is op de akten van de gerechtelijke procedure, een onjuiste wettelijke grondslag toegepast, aangezien artikel 42 Taalwet Bestuurszaken de keuze van de taal toestaat.
De eiser heeft in zijn conclusie in hoger beroep de motiverings- en proportionaliteitsvereiste van de vasthoudingsmaatregel aangevoerd. In dat verband voerde hij aan dat, gelet op het gebruik van het Nederlands, noch hij noch het onderzoeksgerecht in staat waren de motivering van de administratieve beslissing te begrijpen en leidde hij hieruit af dat de kamer van inbeschuldigingstelling niet in staat was het haar opgedragen wettigheidstoezicht uit te oefenen.
In zoverre het middel aanvoert dat de eiser zich op de nietigheid van de administratieve beslissing heeft beroepen wegens schending van de Taalwet Bestuurszaken, faalt het naar recht.
Krachtens artikel 1, § 1, 1°, Taalwet Bestuurszaken, is die wet met name van toepassing op de gecentraliseerde openbare diensten van de Staat, voor zover zij inzake taalgebruik niet beheerst worden door een andere wet.
Overeenkomstig artikel 51/4, § 2, Vreemdelingenwet dient de vreemdeling op het moment van het indienen van zijn verzoek om internationale bescherming onherroepelijk en schriftelijk aan te geven of hij bij het onderzoek van dit verzoek de hulp van een tolk nodig heeft. Indien de vreemdeling niet verklaart de hulp van een tolk te verlangen, kan hij volgens dezelfde regels het Nederlands of het Frans kiezen als taal van het onderzoek. Indien de vreemdeling geen van die talen heeft gekozen of heeft verklaard de hulp van een tolk te verlangen, bepaalt de minister of zijn gemachtigde de taal van het onderzoek, naargelang van de noodwendigheden van de diensten en instanties. Tegen die beslissing kan geen afzonderlijk beroep worden ingesteld.
Aangezien voormeld artikel 51/4, § 2, een specifieke wetsbepaling is, is artikel 42 Taalwet Bestuurszaken niet van toepassing op de procedure inzake het verzoek om internationale bescherming.
In zoverre het middel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht.
Voor het overige is het middel niet ontvankelijk in zoverre het voor het eerst voor het Hof wordt aangevoerd en voor het onderzoek ervan een onderzoek van feitelijke gegevens vereist, waarvoor het Hof niet bevoegd is.
De substantiële en op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door voorzitter ridder Jean de Codt, als voorzitter, en raadsheren Françoise Roggen, Eric de Formanoir, Tamara Konsek en Ignacio de la Serna, en in openbare rechtszitting van 23 november 2022 uitgesproken door voorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Michel Nolet de Brauwere, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Peter Hoet en overgeschreven met assistentie van griffier Kristel Vanden Bossche.