Aller au contenu principal

ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991102.6

Détails de la décision

🏛️ Hof van Cassatie 📅 🌐 NL

Matière

Overige - Constitutioneel recht - Strafrecht

Résumé

Het middel dat uitgaat van de miskenning van eisers recht van verdediging, wegens schending van de artikelen 31 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en 332 Wetboek van Strafvordering, daar hij niet in elke stand van de strafrechtspleging...

Texte intégral

HET HOF, Gelet op het bestreden arrest, op 8 oktober 1998 door het Hof van Beroep te Antwerpen gewezen; I. In zoverre de voorziening gericht is tegen de beslissing op de tegen eiser ingestelde strafvordering: Gelet op de namens eiser neergelegde memorie, verzoekschrift genoemd,(...) Over het eerste middel: Overwegende dat het middel geheel ervan uitgaat dat eisers recht van verdediging, wegens schending van de artikelen 31 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en 332 Wetboek van Strafvordering, werd miskend daar hij niet in elke stand van de strafrechtspleging, vanaf het strafonderzoek tot de procedure in hoger beroep, bijgestaan werd door een tolk teneinde hem toe te laten de taal van zijn keuze aan te wenden; Overwegende dat eiser dit verweer noch voor de eerste rechter noch voor het hof van beroep heeft aangevoerd en dit niet voor de eerste maal voor het Hof kan doen; Dat het middel niet ontvankelijk is; Over het tweede middel: Overwegende dat artikel 149 Grondwet aan de rechter een formele motiveringsplicht oplegt; Dat het middel, in zoverre het aanvoert dat het bestreden arrest niet regelmatig is gemotiveerd daar het niet op adequate wijze eisers conclusie beantwoordt, faalt naar recht vermits zelfs een onjuist of ongepast motief aan het vormvereiste van artikel 149 Grondwet kan voldoen; Overwegende dat het middel, in zoverre het opkomt tegen de beoordeling van feiten door de rechter of in zoverre dit het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, niet ontvankelijk is; Overwegende, voor het overige, dat krachtens artikel 375, eerste lid, Strafwetboek, verkrachting elke daad van seksuele penetratie is, van welke aard en met welk middel ook, gepleegd op een persoon die daar niet in toestemt; dat het tweede lid van dit artikel bepaalt dat toestemming er met name niet is wanneer de daad opgedrongen is door middel van geweld, dwang of list of mogelijk is gemaakt door een onvolwaardigheid of een lichamelijk of een geestelijk gebrek van het slachtoffer; Dat uit deze bepalingen volgt dat de persoon op wie de strafbare daad wordt gesteld geacht wordt zijn toestemming niet te hebben verleend wanneer één van de in het tweede lid van voornoemd artikel opgesomde voorwaarden vervuld is; dat, in strijd met hetgeen het middel aanvoert, deze voorwaarden beperkend noch cumulatief worden opgesomd; Overwegende dat de rechter op grond van de hem regelmatig overgelegde feitelijke gegevens, mits eerbiediging van het recht van verdediging, onaantastbaar oordeelt of de daad opgedrongen werd door middel van geweld, dwang of list of mogelijk is gemaakt door een onvolwaardigheid of een lichamelijk of geestelijk gebrek van het slachtoffer; Overwegende dat de appèlrechters, na te hebben vastgesteld dat eiser op de dag der feiten geslachtsbetrekkingen heeft onderhouden met verweerster en dat deze laatste een persoon is die een geestelijk gebrek vertoont en daardoor bijzonder kwetsbaar is, op grond van de hen regelmatig overgelegde feitelijke gegevens die zij op de pagina's 6, 7 en 8 van het bestreden arrest vermelden en waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, oordelen dat eiser "misbruik heeft gemaakt van de door hem gekende toestand van geestelijke zwakbegaafdheid van het uiterst kwetsbaar slachtoffer en deze gemakkelijke prooi bij verrassing en tegen haar wil heeft aangerand"; dat zij zodoende het strijdige verweer van eiser verwerpen, hierdoor zijn conclusie beantwoorden, en de beslissing naar recht verantwoorden; Dat het middel in zoverre niet kan worden aangenomen; En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; II. In zoverre de voorziening gericht is tegen de beslissingen op de tegen eiser ingestelde burgerlijke rechtsvorderingen: Overwegende dat Mr. Piet Ickx, advocaat bij de balie te Antwerpen, verklaart namens eiser afstand zonder berusting te doen; OM DIE REDENEN, Verleent akte van de afstand; Verwerpt de voorziening voor het overige; Veroordeelt eiser in de kosten.