Aller au contenu principal

ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221116.2F.5

Détails de la décision

🏛️ Hof van Cassatie 📅 🌐 NL

Matière

Internationaal publiekrecht - Overige

Texte intégral

Nr. P.22.1028.F C. B., Mr. Gust Detienne, advocaat bij de balie Leuven, en mr. Pierre Lothe, advocaat bij de balie Namen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Namen van 14 juni 2022. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM. De eiseres komt op tegen het vonnis in zoverre het weigert de overschrijding van de redelijke termijn aan te nemen, terwijl het gepleegde misdrijf en het vonnis in hoger beroep meer dan vier jaar uit elkaar liggen. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat: - de eiseres werd vervolgd wegens overdreven snelheid; - de overtreding werd begaan op 10 april 2018; - het proces-verbaal naar de overtreder werd verzonden op 20 april 2018; - de dagvaarding om voor de politierechtbank te verschijnen haar werd betekend op 26 februari 2020; - de eerste rechter uitspraak heeft gedaan op 5 juni 2020; - de eiseres hoger beroep heeft ingesteld op 6 juli 2020; - de correctionele rechtbank de zaak heeft behandeld op 26 april 2022 en haar vonnis binnen de maand heeft gewezen. Of de redelijke termijn van een rechtspleging is overschreden, moet worden beoordeeld volgens de omstandigheden van de zaak, waarbij acht moet worden geslagen op de complexiteit van de zaak, de houding van de verzoeker en van de gerechtelijke overheden, alsook het belang van de zaak. De aan de eiseres verweten overdreven snelheid, die door een snelheidsradar werd vastgesteld, heeft zij zonder voorbehoud erkend. Het onderzoek van de zaak vereiste geen andere opdrachten dan een verhoor van de bestuurster die de overtreding had begaan en de voeging van een uittreksel uit haar strafregister en een afschrift van het vonnis. Het vonnis verwijt de beklaagde geen enkel vertragingsmanoeuvre dat tot doel heeft het verloop van het proces te vertragen. De eiseres kent aan haar zaak weliswaar geen enkel belang toe dat van de vervolgende en oordelende autoriteiten een bijzondere spoed zou vereisen. Uit de chronologie van de rechtspleging blijkt evenwel een dubbele vertraging, aangezien de betekening van de oorspronkelijke dagvaarding aan de beklaagde meer dan tweeëntwintig maanden na de verzending van het proces-verbaal heeft plaatsgevonden en de correctionele rechtbank de zaak meer dan eenentwintig maanden na de datum van het hoger beroep heeft behandeld. In antwoord op de conclusie van de eiseres waarin zij aanvoerde dat die gecumuleerde termijnen overdreven zijn, vermeldt het vonnis enkel dat het traject van het dossier, zoals het dat uitgebreid toelicht, geen enkele overschrijding vertoont. Op grond van die vaststelling hebben de appelrechters niet wettig kunnen beslissen dat de redelijke termijn niet was overschreden. Het middel is gegrond. De substantiële en op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is, met uitzondering van de door het middel aangevochten onwettigheid, overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het beslist dat de zaak binnen een redelijke termijn werd behandeld en in zoverre het uitspraak doet over de straf. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiseres tot een vierde van de kosten van haar cassatieberoep en houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat deze over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Namen, anders samengesteld, rechtszitting houdend in hoger beroep. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door voorzitter ridder Jean de Codt, als voorzitter, en raadsheren Françoise Roggen, Eric de Formanoir, François Stévenart Meeûs en Ignacio de la Serna, en in openbare rechtszitting van 16 november 2022 uitgesproken door voorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Michel Nolet de Brauwere, met bijstand van Fabienne Gobert. Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Van Dooren en overgeschreven met assistentie van griffier Kristel Vanden Bossche.