ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.20
Détails de la décision
🏛️ Hof van Cassatie
📅
🌐 NL
Matière
Strafrecht - Overige
Texte intégral
Nr. P.22.0646.N
J G W D,
beklaagde,
eiser,
met als raadsman mr. Kris Vincke, advocaat bij de balie West-Vlaanderen,
tegen
Matthias GESQUIÈRE, met kantoor te 9000 Gent, Rijsenbergstraat 148, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement RLC EUROPE bv,
burgerlijke partij,
verweerder.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 29 maart 2022.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Middel
1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 489bis, 1° en 4°, Strafwetboek: het arrest leidt het voor de feiten van de telastleggingen C en D vereiste bijzonder opzet enkel af uit de materiële voltrekking van het misdrijf; het moreel element kan niet zonder meer worden gelijkgeschakeld met het materieel element; minstens is daardoor de motivering van het arrest gebrekkig; het bijzonder opzet kan worden vastgesteld wanneer de schulden van de vennootschap oplopen, terwijl er geen hoop bestaat op een verbetering van haar financiële toestand; het arrest laat na te achterhalen of er hoop bestond op verbetering van de financiële toestand; het stelt dan ook niet vast of de eiser wist dat de onderneming geen overlevingskansen had en dat hij aldus niet te goeder trouw handelde.
2. De door artikel 489bis, 1° en 4°, Strafwetboek bedoelde misdrijven vereisen als bijzonder opzet enkel het oogmerk het faillissement uit te stellen.
3. Of dit oogmerk aanwezig is, wordt onaantastbaar beoordeeld door de rechter.
4. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt, die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
5. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
6. Het arrest oordeelt als volgt:
- R. bv had volgens het eerste proces-verbaal van verificatie schuldvorderingen een totale fiscale schuld van 85.168,24 euro;
- de vennootschap werd op 3 december 2015 door het hof van beroep te Gent veroordeeld tot een geldboete van 16.500,00 euro en een bijzondere verbeurdverklaring van een bedrag van 42.748,68 euro;
- hieruit blijkt dat de fiscale schulden van de vennootschap na datum van staking van betaling aanzienlijk aangroeiden;
- op deze manier werd een kunstmatig krediet opgebouwd;
- de eiser handelde hierbij met het oogmerk om het faillissement uit te stellen;
- dit blijkt uit zijn verhoor van 18 mei 2018 waarin hij verklaarde dat hij de kosten aan de Staat uitstelde om de andere schuldeisers te kunnen betalen;
- ook verklaarde hij dat hij niet van plan was om zijn vennootschap failliet te laten gaan, maar dat hij van plan was het gebouw van de vennootschap te verkopen, iedereen te vereffenen met de opbrengst en met het overschot iets anders te gaan doen;
- artikel 489bis, 4° Strafwetboek vereist dat er wordt gehandeld met een bijzonder opzet, namelijk de bedoeling om de faillietverklaring uit te stellen; uit zijn verklaring van 18 mei 2018 blijkt dat de eiser handelde met een dergelijke bedoeling;
- de eiser had niet de bedoeling de boeken neer te leggen; hij wilde het gebouw van de vennootschap verkopen, iedereen vereffenen met de opbrengst en met het overschot iets anders gaan doen.
Op grond van die redenen, waaruit niet blijkt dat de appelrechters het vereiste bijzonder opzet louter afleiden uit de materiële gedraging van de eiser en waarmee het arrest oordeelt dat de eiser heeft gehandeld met het oogmerk om het faillissement uit te stellen, waarbij het ook te kennen geeft dat de eiser wist dat de vennootschap geen overlevingskansen had en dat hij bijgevolg niet te goeder trouw handelde, kan het wettig oordelen dat de eiser zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten van de telastleggingen C en D.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
Ambtshalve onderzoek
7. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 150,21 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 8 november 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.