ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221014.1N.9
Détails de la décision
🏛️ Hof van Cassatie
📅
🌐 NL
Matière
Internationaal publiekrecht - Overige - Handelsrecht
Texte intégral
Nr. D.21.0003.N
S. T.,
eiser,
vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest,
tegen
BEROEPSINSTITUUT VAN VASTGOEDMAKELAARS, met zetel te 1000 Brussel, Luxemburgstraat 16, bus B, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0267.300.821,
verweerder.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van de Nederlandstalige kamer van beroep van het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars van 11 december 2020.
Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.
Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste onderdeel
1. Krachtens artikel 9, § 1, 3°, van de kaderwet van 3 augustus 2007 betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen hebben de kamers van het beroepsinstituut tot taak te waken over de toepassing van het stagereglement en de voorschriften van de plichtenleer en uitspraak in tuchtzaken te doen ten opzichte van de beoefenaars, de stagiairs en de personen die gemachtigd zijn het beroep occasioneel uit te oefenen.
Krachtens artikel 9, § 6, van deze wet doen de kamers van beroep uitspraak over de beroepen ingesteld tegen de door de uitvoerende kamers met hun voertaal genomen beslissingen.
Krachtens artikel 10 van deze wet zijn de leden van een gereglementeerd beroep van wie bewezen is dat zij aan hun plichten zijn tekortgekomen, strafbaar met de volgende tuchtstraffen: de waarschuwing, de berisping, de schorsing en de schrapping. De Koning bepaalt de wijze waarop deze tuchtstraffen kunnen worden uitgesproken. Tevens stelt Hij de regels vast volgens welke gebeurlijk eerherstel wordt verleend. De schrapping brengt het verbod met zich mee om het gereglementeerd beroep in België uit te oefenen en er de beroepstitel van te voeren.
2. Krachtens artikel 13 van de wet van 11 februari 2013 houdende organisatie van het beroep van vastgoedmakelaar schikken de leden van het Instituut zich naar de deontologische normen, vastgesteld door het Instituut en algemeen verbindend verklaard door de Koning. Die deontologische normen bepalen minimaal onder meer de volgende verplichting voor de beroepsbeoefenaars: zich houden aan de beginselen van loyaliteit, onafhankelijkheid, integriteit, toewijding en waardigheid die ten grondslag liggen aan het beroep.
Krachtens artikel 14, § 1, van deze wet worden de vastgoedmakelaars van wie bewezen is dat zij hun plichten hebben verzuimd, bestraft met een of meer van de volgende tuchtstraffen: de waarschuwing, de berisping, de schorsing en de schrapping.
Krachtens artikel 14, § 2, tweede lid, van deze wet brengt de schrapping het verbod met zich om het gereglementeerde beroep in België uit te oefenen en er de beroepstitel van te voeren en heeft zij betrekking op alle activiteiten opgenomen in het artikel 2, 4° tot 7°.
Krachtens artikel 17, eerste lid, van deze wet leidt elke veroordeling voor misbruik van vertrouwen in de zin van artikel 491 Strafwetboek ambtshalve tot de schrapping van de vastgoedmakelaar door de kamer.
Krachtens artikel 62, § 1, van het koninklijk besluit van 20 juli 2012 tot bepaling van de regels inzake de organisatie en de werking van het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars, hierna KB Vastgoedmakelaars, worden alle minder zware straffen dan de schorsing na het verstrijken van een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de definitieve beslissing waarbij een tuchtstraf wordt uitgesproken, uitgewist, op voorwaarde dat het lid in die tussentijd geen schorsing noch enigerlei nieuwe sanctie heeft opgelopen.
Krachtens artikel 62, § 2, KB Vastgoedmakelaars mag ieder lid van het Instituut dat één of meer tuchtstraffen heeft opgelopen, welke niet zijn uitgewist bij toepassing van § 1, bij de kamer van beroep een aanvraag tot eerherstel indienen. Deze aanvraag is slechts ontvankelijk op voorwaarde dat een termijn van vijf jaar is verstreken sedert de datum van de definitieve beslissing waarbij de laatste tuchtstraf is uitgesproken, de betrokkene strafrechtelijk eerherstel heeft gekregen indien hij een tuchtstraf heeft opgelopen voor een feit dat tot een strafrechtelijke veroordeling aanleiding heeft gegeven en een termijn van twee jaar is verstreken sedert de beslissing van de kamer van beroep is uitgesproken, ingeval deze een vorige aanvraag heeft afgewezen.
3. Uit het geheel van de voormelde bepalingen volgt dat de kamer die overgaat tot schrapping van de vastgoedmakelaar op grond van een voorafgaande veroordeling voor misbruik van vertrouwen in de zin van artikel 491 Strafwetboek, een maatregel oplegt die met een tuchtsanctie gelijkstaat.
4. De tuchtrechter moet op grond van artikel 6 EVRM kunnen onderzoeken of het opleggen van de wettelijk voorziene sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.
Dit toetsingsrecht moet de rechter in het bijzonder in staat stellen na te gaan of de tuchtsanctie niet onevenredig is met de overtreding.
5. De kamer van beroep die oordeelt dat zij bij de toetsing van de schrapping van de eiser “enkel bevoegd [is] tot een marginale toetsing die erin bestaat [na te gaan] of de strafrechtelijke veroordeling van [de eiser] is uitgesproken op grond van art. 491 Sw” en dat zij “enkel [dient] na te gaan krachtens art. 159 GW en art. 1 aanvullend protocol EVRM of de beslissing door het bevoegde rechtscollege is genomen” en zij aldus niet beschikt over een beoordelingsbevoegdheid in geval van een strafrechtelijke veroordeling van de vastgoedmakelaar wegens misbruik van vertrouwen in de zin van artikel 491 Strafwetboek, schendt artikel 6.1 EVRM.
Het onderdeel is gegrond.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt de bestreden beslissing.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant de vernietigde beslissing.
Verwijst de zaak naar de kamer van beroep van het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars met het Nederlands als voertaal, anders samengesteld.
Veroordeelt de verweerder tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiser op 522,08 euro en op de som van 650 rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 14 oktober 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende.