Aller au contenu principal

ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221004.2N.5

Détails de la décision

🏛️ Hof van Cassatie 📅 🌐 NL

Matière

Bestuursrecht - Overige

Texte intégral

Nr. P.22.0081.N J D, burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Sander Kaïret, advocaat bij de balie Gent, tegen P H T G, beklaagde, verweerder, met als raadsman mr. Maarten Vandermeersch, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8500 Kortrijk, Burgemeester Nolfstraat 5, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 17 december 2021. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 4.2.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, alsook miskenning van de bewijskracht van akten: het oordeel dat de verweerder moet worden ontslagen van rechtsvervolging voor de telastlegging B omdat er geen aanmerkelijke wijziging van het reliëf van de bodem bewezen is, is niet regelmatig met redenen omkleed en niet naar recht verantwoord; of er sprake is van een aanmerkelijke wijziging van het reliëf van de bodem moet worden beoordeeld in het licht van de wijziging van de aard of de functie van het terrein, wat door de appelrechters wordt verzuimd; de appelrechters houden immers geen rekening met de hoogte, de diepte en de oppervlakte van de wijziging, waardoor het feitelijke gebruik en het uitzicht van het terrein is gewijzigd; het arrest miskent in dit verband ook de bewijskracht van het proces-verbaal van vaststelling, waarin werd gesteld dat een vergunningsplichtige reliëfwijziging werd doorgevoerd door het één meter hoge niveau uit te breiden naar de rechter-perceelsgrens en de rooilijn toe en waaruit aldus blijkt dat de aard van het terrein wel degelijk werd gewijzigd; tevens miskent het arrest de bewijskracht van de verweernota van de verweerder van 11 maart 2019 in het kader van de administratieve procedure voor de deputatie, waarin werd erkend dat de L-keerwanden werden geplaatst omwille van verzakkingen en erosieverschijnselen, evenals de bewijskracht van de stukken 1, 9 en 10 van verweerders stukkenbundel, waaruit blijkt dat een vergunningsaanvraag werd ingediend voor een vergunningsplichtige reliëfwijziging; het arrest beperkt zich tot een louter algemene beoordeling van de reliëfwijziging van de bodem door erop te wijzen dat het bewuste onderdeel van het perceel zowel vóór als na de wijziging als tuin fungeerde; de appelrechters konden uit de vastgestelde feiten dan ook niet naar recht afleiden dat er geen sprake is van een aanmerkelijke wijziging van het reliëf van de bodem en dat uit niets volgt dat de reliëfwijziging de waterhuishouding van het perceel zou hebben gewijzigd. 2. Het arrest oordeelt niet dat het de inhoud van het door de controleur van de stad Gent opgestelde proces-verbaal van vaststelling bijtreedt. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 3. Het arrest verwijst niet naar de verweernota van 11 maart 2019 die de verweerder in de procedure voor de deputatie heeft ingediend, zoals vermeld onder nummer 3 van de stukkenbundel van de verweerder. Het arrest maakt verder wel melding van het proces-verbaal van vaststelling van de controleur van de stad Gent en van de stukken zoals vermeld onder de nummers 1, 9 en 10 van de stukkenbundel van de verweerder, maar verwijst voor de beslissing over het bestaan van een aanmerkelijke reliëfwijziging niet naar die stukken. Bijgevolg kan het de bewijskracht van al deze stukken niet miskennen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 4. Artikel 4.2.1, 4°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt dat niemand zonder voorafgaande omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen het reliëf van de bodem aanmerkelijk mag wijzigen, onder meer door de bodem aan te vullen, op te hogen, uit te graven of uit te diepen waarbij de aard of de functie van het terrein wijzigt. Uit die bepaling volgt dat niet de omvang van de hoogte- of dieptewijziging maar wel de invloed van deze wijziging op de bestemming, het feitelijk gebruik of het uitzicht van het terrein determinerend is voor de vereiste van een voorafgaande vergunning. 5. Het arrest (p. 7, nr. 7) verklaart de telastlegging B niet bewezen en oor¬deelt hierbij als volgt: - de reliëfwijziging die de verweerder uitvoerde was niet aanmerkelijk en wijzigde op geen wijze de aard en de functie van het terrein; - voor de reliëfwijziging fungeerde dat deel van het perceel als tuin, wat ook erna de functie bleef; - de aard van dat deel van het perceel, noch van het gehele perceel, is door de re¬liëf¬wijziging aanmerkelijk gewijzigd; - uit niets volgt dat de beperkte reliëfwijziging de waterhuishouding van het perceel heeft gewijzigd, laat staan op aanmerkelijke wijze. Met die redenen, die zich niet ertoe beperken dat de functie van het onderdeel van het perceel waarop de reliëfwijziging van de bodem betrekking heeft zowel vóór als na de wijziging dezelfde is gebleven en dat dit onderdeel als tuin is blijven fungeren, is het oordeel dat de aanmerkelijke wijziging van het reliëf van de bodem niet bewezen is, regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 6. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel 7. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 152, § 1, en § 2, en 209bis Wetboek van Strafvordering: door enerzijds te oordelen dat de door de eiser op 6 september 2021, dit is buiten de vastgestelde conclusietermijn, ter griffie neergelegde appelconclusie uit het debat moet worden geweerd en anderzijds vast te stellen dat de raadslieden van de partijen op de rechtszitting van 21 oktober 2021 hebben verklaard dat alle eventueel laattijdig meegedeelde en of laattijdig neergelegde conclusies in het debat mogen worden gehouden, is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd; ingevolge het akkoord van de partijen kon de laattijdig neergelegde appelconclusie van de eiser hoe dan ook in het debat worden gehouden; het oordeel dat de op 6 september 2021 ter griffie neergelegde appelconclusie van de eiser uit het debat moet worden geweerd, is dan ook niet naar recht verantwoord. 8. Het arrest (p. 8-9, nr. 10.1) oordeelt dat de op 6 september 2021, dit is buiten de bij toepassing van artikel 152, § 1, Wetboek van Strafvordering vastgelegde conclusietermijn, neergelegde appelconclusie van de eiser, die door de appelrechters ambtshalve uit het debat wordt geweerd, identiek is aan de appelconclusie van de eiser die op 3 juni (lees: september) 2021 ter griffie werd ingediend. Die laatste conclusie wordt niet uit het debat geweerd. 9. Het middel kan aldus niet tot cassatie leiden en is bij gebrek aan belang bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel 10. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek en artikel 4.3.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, alsook miskenning van het beschikkingsbeginsel: door enerzijds te oordelen dat niet moet worden geantwoord op eisers verzoekschrift tot nietigverklaring van de op 8 oktober 2020 door de deputatie verleende omgevingsvergunning en dat niet moet worden gewacht op de beslissing van de Raad voor Vergunningsbetwistingen, maar anderzijds te oordelen dat die vergunning wettig is en op draagkrachtige en concrete wijze motiveert waarom de vergunde constructies thans wél voldoen aan de vereisten van een goede ruimtelijke ordening en er bijgevolg geen grond is om die vergunning bij toepassing van artikel 159 Grondwet buiten toepassing te laten, baseren de appelrechters zich op tegenstrijdige redenen; door te motiveren waarom de omgevingsvergunning van 8 oktober 2020 wettig is hoewel geen enkele partij daarom had verzocht, doen de appelrechters aldus ook uitspraak over niet gevorderde zaken en miskennen ze het beschikkingsbeginsel; het arrest is op dit punt ook kennelijk onjuist, aangezien de Raad voor Vergunningsbetwistingen bij arrest van 2 december 2021 de op 8 oktober 2020 door de deputatie verleende omgevingsvergunning heeft vernietigd wegens een motiveringsgebrek en strijdigheid met de goede ruimtelijke ordening. 11. Redenen van eenzelfde rechterlijke beslissing zijn tegenstrijdig indien ze elkaar tenietdoen of opheffen. Dat is niet het geval met de in het middel vermelde redenen van het arrest. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 12. Het middel preciseert niet waarom het arrest artikel 4.3.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. 13. De rechter die een beklaagde schuldig verklaart aan een stedenbouwkundig misdrijf en die bij zijn oordeel over de burgerlijke rechtsvordering tot herstel in natura op grond van dit misdrijf een aan de beklaagde verleende regularisatievergunning betrekt, dient ambtshalve na te gaan of die vergunning in overeenstemming is met de wetten zoals bedoeld in artikel 159 Grondwet. De omstandigheid dat geen enkele partij de rechter heeft verzocht om over te gaan tot deze wettigheidscontrole doet hieraan geen afbreuk en houdt geen miskenning in van het beschikkingsbeginsel. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 14. In zoverre het middel aanvoert dat het arrest kennelijk onjuist is omdat de omgevings(regularisatie)vergunning van 8 oktober 2020 werd vernietigd door de Raad voor Vergunningsbetwistingen bij arrest van 2 december 2021, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Vierde middel 15. Het middel voert miskenning aan van de bewijskracht van akten: met het oordeel dat uit niets volgt dat de wederrechtelijk oprichting op zich eisers privacy miskent en dat de eiser geen bewijs levert van de schade, miskent het arrest de bewijskracht van het door de eiser onder stuk 5 van zijn stukkenbundel neergelegde fotodossier en van het door de eiser onder stuk 12 van zijn stukkenbundel neergelegde en aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen gerichte verzoekschrift tot nietigverklaring, waaruit duidelijk blijkt dat de verweerder een plateau heeft opgetrokken met een privacyschending tot gevolg. 16. Uit het door de eiser onder stuk 5 van zijn stukkenbundel neergelegde fotodossier blijkt dat dit stuk louter bestaat uit foto’s, zonder enige verwijzing naar een tekst of een geschrift. In zoverre het middel ervan uitgaat dat het voormelde fotodossier één geheel uitmaakt met door die foto’s geïllustreerde geschriften, mist het feitelijke grondslag. 17. De aanvoering dat de rechter uit een foto niet afleidt wat er volgens een procespartij moet worden uit afgeleid, levert geen miskenning van de bewijskracht van akten op. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 18. Hoewel het middel voor het overige formeel de miskenning aanvoert van de bewijskracht van het onder stuk 12 van eisers stukkenbundel neergelegde verzoekschrift tot nietigverklaring, komt het in werkelijkheid op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de appelrechters of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 87,31 euro, waarvan 52,31 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 4 oktober 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant.