Aller au contenu principal

ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220923.1N.1

Détails de la décision

🏛️ Hof van Cassatie 📅 🌐 NL

Matière

Internationaal publiekrecht - Belastingrecht

Texte intégral

Nr. F.20.0145.N K. K., eiser, vertegenwoordigd door mr. Thomas Kiana Tangombo, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 526, bus 19, waar de eiser woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Bussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal, directeur van het KMO Centrum Aalst, met kantoor te 9300 Aalst, Dr. André Sierensstraat 16, bus 1, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 26 mei 2020 (rolnummer 2019/AR/236). Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 9 mei 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling (…) Tweede onderdeel Eerste subonderdeel 11. De appelrechter oordeelt dat artikel 18.3 Overeenkomst op België toepasselijk is, dit verdrag rechtstreekse werking heeft en deze rechtstreekse werking meebrengt dat het Belgische interne recht ervoor moet wijken, althans in de mate het ermee niet verzoenbaar zou zijn. 12. Anders dan waarvan het subonderdeel uitgaat, heeft de appelrechter de toepassing van artikel 18.3 Overeenkomst niet geweigerd. Hij miskent aldus noch het algemeen rechtsbeginsel inzake de voorrang van rechtsnormen van internationaal recht met rechtstreekse werking noch schendt hij artikel 167, § 2, Grondwet, de artikelen 26, 27 en 29 Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht (hierna: Verdrag van Wenen), artikel 18.3 Overeenkomst en artikel 2 instemmingswet van 24 februari 2005. In zoverre kan het subonderdeel niet worden aangenomen. 13. Artikel 31.1 Verdrag van Wenen bepaalt dat een verdrag te goeder trouw moet worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het Verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het Verdrag. Krachtens artikel 31.2 van dit Verdrag omvat de context voor de uitleg van een verdrag, behalve de tekst, met inbegrip van preambule en bijlagen: a) iedere overeenstemming die betrekking heeft op het verdrag en die bij het sluiten van het verdrag tussen alle partijen is bereikt; b) iedere akte opgesteld door een of meer partijen bij het sluiten van het verdrag en door de andere partijen erkend als betrekking hebbende op het verdrag. Krachtens artikel 31.3 van voormeld Verdrag dient behalve met de context ook rekening te worden gehouden met: a) iedere later tot stand gekomen overeenstemming tussen de partijen met betrekking tot de uitleg van het verdrag of de toepassing van zijn bepalingen; b) ieder later gebruik in de toepassing van het verdrag waardoor overeenstemming van de partijen inzake de uitleg van het verdrag is ontstaan; c) iedere ter zake dienende regel van het volkenrecht die op de betrekkingen tussen de partijen kan worden toegepast. Artikel 32 van voornoemd Verdrag bepaalt dat er een beroep kan worden gedaan op aanvullende middelen van uitleg en in het bijzonder op de voorbereidende werkzaamheden en de omstandigheden waaronder het verdrag is gesloten, om de betekenis die voortvloeit uit de toepassing van artikel 31 te bevestigen of de betekenis te bepalen indien de uitleg overeenkomstig artikel 31: a) de betekenis dubbelzinnig of duister laat; b) leidt tot een resultaat dat duidelijk ongerijmd of onredelijk is. 14. Artikel 48.1 Statuut van 17 juli 1998 van Rome inzake het Internationaal Strafgerechtshof, goedgekeurd bij wet van 25 mei 2000, bepaalt dat het Hof op het grondgebied van elke Staat die partij is de voorrechten en immuniteiten geniet die noodzakelijk zijn voor de vervulling van zijn taken. Krachtens artikel 48.2 van dit Statuut genieten de rechters, de aanklager, de substituut-aanklagers en de griffier bij de uitoefening van of met betrekking tot de werkzaamheden van het Hof dezelfde voorrechten en immuniteiten als aan hoofden van diplomatieke missies worden verleend. Krachtens artikel 48.4 van voornoemd Statuut worden raadslieden, deskundigen, getuigen en alle andere personen die aanwezig dienen te zijn op de zetel van het Hof behandeld op de wijze die noodzakelijk is voor het behoorlijk functioneren van het Hof overeenkomstig de Overeenkomst inzake voorrechten en immuniteiten van het Hof. 15. Artikel 15.6, eerste zin, Overeenkomst bepaalt dat de salarissen, emolumenten en vergoedingen die door het Hof worden betaald aan de rechters, de aanklager, de substituut-aanklagers en de griffier zijn vrijgesteld van belasting. Krachtens de tweede zin worden, voor zover het vaststellen van enige vorm van belasting wordt gebaseerd op het ingezetenschap, periodes, gedurende welke de rechters, de aanklager, de substituut-aanklagers en de griffier voor de uitoefening van hun functie aanwezig zijn in een Staat die partij is, ten behoeve van de belastingheffing niet aangemerkt als periodes van ingezetenschap. Krachtens de derde zin kunnen de Staten die partij zijn met deze salarissen, emolumenten en vergoedingen rekening houden bij de vaststelling van de belasting die wordt geheven over inkomsten uit andere bronnen. 16. Krachtens artikel 18.3 Overeenkomst worden, voor zover de vaststelling van enige vorm van belasting wordt gebaseerd op het ingezetenschap, periodes, gedurende welke raadslieden in een Staat die partij is aanwezig zijn ter vervulling van hun functies, niet aangemerkt als periodes van ingezetenschap. De authentieke tekst van dit artikel 18.3 luidt in het Engels: “where the incidence of any form of taxation depends upon residence, periods during which counsel is present in a State Party for the discharge of his or her functions shall not be considered as periods of residence” en in het Frans: “lorsque l’assujettissement à un impôt est fonction de la résidence, les périodes pendant lesquelles les conseils se trouvent sur le territoire d’un État Partie pour l’exercice de leurs fonctions ne sont pas considérées comme des périodes de résidence.” 17. Uit de termen van artikel 18.3 Overeenkomst, in het bijzonder zoals vervat in voormelde authentieke teksten, zoals uitgelegd in de context van het gehele verdrag, meer bepaald in samenhang met artikel 15.6 Overeenkomst, en in het licht van het doel van dit verdrag, blijkt dat dit artikel 18.3 uitsluitend inhoudt dat, wanneer de heffingsbevoegdheid afhangt van ingezetenschap, de periodes waarin raadslieden in een Staat die verdragspartij is verblijven ter vervulling van hun functies, niet in rekening mogen worden gebracht om te bepalen of zij in die Staat onderworpen zijn aan belasting. Deze bepaling heeft niet tot gevolg dat de erelonen die door het Internationaal Strafgerechtshof aan de raadslieden worden betaald, zijn vrijgesteld van belasting, in tegenstelling tot de salarissen, emolumenten en vergoedingen die door voornoemd Hof aan de rechters, de aanklager, de substituut-aanklagers en de griffier worden betaald. Deze worden, krachtens artikel 15.6, eerste zin, Overeenkomst uitdrukkelijk van belasting vrijgesteld, terwijl artikel 15.6, tweede zin, een aan artikel 18.3 Overeenkomst identieke bepaling bevat. Krachtens artikel 48.1 Statuut van Rome, waarnaar de Overeenkomst in zijn preambule verwijst, heeft dit verdrag immers tot doel aan de rechters, de aanklager, de substituut-aanklagers en de griffier bij de uitoefening van of met betrekking tot de werkzaamheden van het Hof dezelfde voorrechten en immuniteiten te verlenen als aan hoofden van diplomatieke missies, terwijl de raadslieden, deskundigen, getuigen en alle andere personen die aanwezig dienen te zijn op het Hof, krachtens artikel 48.4 Statuut van Rome, slechts worden behandeld op de wijze die noodzakelijk is voor het behoorlijk functioneren van het Hof. 18. Hieruit volgt dat artikel 18.3 Overeenkomst er niet aan in de weg staat dat een raadsman belast wordt op de erelonen die hij heeft verkregen van het Internationaal Strafgerechtshof, in de Staat die verdragspartij is waarin hij in elk geval aan belasting onderworpen is, niet omwille van een verblijf aldaar ter vervulling van zijn functies bij voormeld Hof, maar omdat hij daar zijn vaste fiscale woonplaats heeft op grond van de interne wetgeving. 19. In zoverre het subonderdeel ervan uitgaat dat de erelonen die door het Internationaal Strafgerechtshof aan raadslieden worden betaald, krachtens artikel 18.3 Overeenkomst, algemeen zijn vrijgesteld van belasting, ook in de Staat die verdragspartij is waarin zij in elk geval aan belasting onderworpen zijn, niet op grond van een verblijf aldaar ter vervulling van hun functies bij voormeld Hof, maar omdat zij daar hun vaste fiscale woonplaats hebben op grond van de interne wetgeving, faalt het naar recht. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 448,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman, François Stévenart Meeûs en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 23 september 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende.