Aller au contenu principal

ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220913.2N.6

Détails de la décision

🏛️ Hof van Cassatie 📅 🌐 NL

Matière

Arbeidsrecht

Résumé

De rechter die moet nagaan of de Wet Welzijn Werknemers toepasselijk is moet niet onderzoeken of aan de voorwaarden van artikel 2, § 1, tweede lid, 1°, a), Wet Welzijn Werknemers is voldaan, indien hij vaststelt dat de tewerkgestelde personen als werknemer zijn tewerkge...

Texte intégral

Nr. P.22.0356.N I T J T D W, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Len Augustyns, advocaat bij de balie Antwerpen, II FEDERALE VERZEKERINGEN cv, met zetel te 1000 Brussel, Stoofstraat 12, vrijwillig tussengekomen partij, eiseres, met als raadsman mr. Koen Dermaut, advocaat bij de balie Antwerpen, III M V, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joost Huysmans, advocaat bij de balie Antwerpen, IV 1. ROOF G.V. bv, met zetel te 2160 Wommelgem, Herentalsebaan 605, beklaagde, 2. RAMENPLAATSER vof, met zetel te 2160 Wommelgem, Herentalsebaan 605, beklaagde, eiseressen, met als raadsman mr. Joost Huysmans, advocaat bij de balie Antwerpen, V J. D W bv, met zetel te 2550 Kontich, Koningin Astridlaan 54, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Jan De Nef, advocaat bij de balie te Antwerpen, alle cassatieberoepen tegen A-V B, in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijke beheerder van haar zoon G B, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 24 februari 2022. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiseres II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eisers IV voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiseres V voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie van de eiseres V 1. Uit artikel 429 Wetboek van Strafvordering volgt voor een beklaagde de verplichting om zijn memorie ter kennis te brengen van de burgerlijke partij, alsook om de bewijstukken van die kennisgeving in te dienen ter griffie van het Hof binnen de termijn van het indienen van een memorie. 2. De stukken waaruit de kennisgeving van de memorie van de eiseres V aan de verweerster blijkt, werden volgens de door de griffie op de stukken aangebrachte vermeldingen ontvangen ter griffie van het Hof op maandag 30 mei 2022 en nogmaals op 18 juli 2022, dit is telkens buiten de door artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn van twee maanden voor het indienen van een memorie, die een einde nam op 10 mei 2022. In zoverre die ook betrekking heeft op de beslissingen over de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerster, is de memorie van de eiseres V niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen 3. Uit artikel 427, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt voor een beklaagde de verplichting om zijn cassatieberoep te laten betekenen aan de burgerlijke partij, alsook om de stukken van betekening in te dienen ter griffie van het Hof binnen de termijn van het indienen van een memorie. 4. De stukken waaruit de betekening van het cassatieberoep van de eiseres V aan de verweerster blijkt, werden volgens de door de griffie op de stukken aangebrachte vermeldingen ontvangen ter griffie van het Hof op maandag 30 mei 2022 en nogmaals op 18 juli 2022, dit is telkens buiten de door artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn van twee maanden voor het indienen van een memorie die een einde nam op 10 mei 2022. In zoverre ook gericht tegen de beslissing over de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerster, is het cassatieberoep van de eiseres V niet ontvankelijk. 5. Het arrest houdt de beslissing over de kosten wat betreft de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster in eigen naam aan. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, zijn de cassatieberoepen voorbarig en bijgevolg niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser I Eerste onderdeel 6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest motiveert niet waarom er een causaal verband wordt aangenomen tussen een fout van de eiser I en het ongeval; het arrest motiveert evenmin waarom het slachtoffer op de stelling aanwezig had moeten zijn of waarom geen eigen fout van het slachtoffer wordt aangenomen, niettegenstaande de eiser I daarover heeft geconcludeerd en aangevoerd dat het slachtoffer wegens eigen fouten minstens voor 75 procent aansprakelijk had moeten worden gesteld; het arrest beperkt zich tot een verwijzing naar getuigenverklaringen en een verslag van Mensura, verslag dat vervolgens buiten beschouwing wordt gelaten, om te oordelen dat het slachtoffer wel degelijk noodzakelijk aanwezig moest zijn op de rolstelling om het raam naar binnen te trekken; de veroordeling van de eiser tot betaling van schadevergoeding aan de verweerster is aldus niet naar recht gemotiveerd. 7. Het arrest (p. 55, ro rr en p. 56 ro tt) oordeelt als volgt: - het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid houdt alle fouten in die tot de onopzettelijke doding van het slachtoffer hebben kunnen leiden; - bij een correct uitgevoerde en geïmplementeerde risicoanalyse van het werk en voldoende toezicht hierop vanuit de firma J. D W en door de eiser III zouden de feiten zich nooit hebben voorgedaan zoals ze zich in concreto hebben voorgedaan; - het slachtoffer beging geen fout. Indien een passende risicoanalyse was uitgevoerd en dus bij de werken zou gebruik gemaakt zijn van een adequate collectieve en individuele valbescherming en er op zou zijn toegezien dat deze beveiligingsmaatregelen adequaat en daadwerkelijk zouden worden nageleefd, namelijk door gebruik te maken van enerzijds een veilige, stabiele, verankerde en gekeurde stelling en anderzijds van een individuele valbeveiliging met ankerpunten en de beklaagden het nodige toezicht hadden georganiseerd om er voor te zorgen dat deze maatregelen daadwerkelijk zouden worden nageleefd, zou het dodelijk ongeval nooit hebben plaatsgevonden, zelfs al zou het slachtoffer geen valharnas hebben gedragen. Met die redenen geeft het arrest te kennen dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het ongeval en de fouten van de firma J. D W, waarmee de eisers I en V worden bedoeld, alsook van de eiser III. In zoverre mist het onderdeel grondslag. 8. Het arrest (p. 49-50, ro gg) oordeelt als volgt: - het is duidelijk dat de aanwezigheid op het moment van de feiten van het slachtoffer op de stelling noodzakelijk was bij het plaatsen van het raam; - toen het ongeval gebeurde werd een groot raamkader van ongeveer 5 meter op 3 meter schuin naar binnen getrokken; - wil men zo’n groot raamkader vervolgens verticaal aan de muur bevestigen, is het noodzakelijk dat iemand op een stelling staat om dit proces tot een goed einde te brengen; - de opsteller van het omstandig verslag van Mensura vergist zich wanneer deze stelt dat het slachtoffer plots en zonder enige aanwijzing de rolstelling besteeg tot op een hoogte van twee meter. Het arrest (p. 62, ro e) oordeelt wat betreft de burgerrechtelijke rechtsvorderingen van de verweerster verder als volgt: - het slachtoffer ontving geen enkele instructie zodat hij deze niet kon negeren en deed op het moment van de feiten gewoon zijn werk, namelijk op een niet-conforme stelling aan de bovenzijde van het open raam het kader positioneren; - zoals hierboven reeds werd gesteld kan aan het slachtoffer zelf geen fout worden verweten die in causaal verband staat met het arbeidsongeval en zijn dodelijke gevolgen: er waren op de werf slechts twee volledige sets valharnassen met bijbehorende stop-chute aanwezig die reeds door andere personen werden gebruikt. Met die redenen beantwoordt het arrest het verweer van de eiser I betreffende de voorgehouden fouten van het slachtoffer en de gevolgen ervan voor de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerster en is de beslissing naar recht verantwoord, zonder dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat is aangevoerd tot staving van een verweer, maar dat geen zelfstandig verweer uitmaakt. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek: het arrest beantwoordt niet het verweer dat het slachtoffer naast de fout om op de rolstelling te kruipen waar hij niets te zoeken had, bovendien een inbreuk beging op de algemene zorgvuldigheidsplicht door niet er voor te zorgen dat hij zijn evenwicht niet verloor. 10. Met het antwoord op het eerste onderdeel geeft het arrest te kennen dat het feit dat het slachtoffer zijn evenwicht verloor niet het gevolg is van enige fout van het slachtoffer en beantwoordt dit het bedoelde verweer en verantwoordt het de beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser I en eerste middel van de eiseres II 11. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt in strijd met het verslag van Mensura dat het slachtoffer wel degelijk noodzakelijk aanwezig moest zijn op de rolstelling om het raam naar binnen te trekken; bovendien wordt het besluit van Mensura met geen enkel stuk van het strafdossier tegengesproken; aldus geeft het arrest een uitlegging van het bedoelde verslag die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan en miskent het de bewijskracht ervan. 12. Met de bekritiseerde redenen geeft het arrest geen uitlegging van het verslag van Mensura, maar beoordeelt het enkel de bewijswaarde ervan. Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel van de eiser I, de eiseres II en de eiseres V 13. Het middel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van het wettelijk begrip oorzakelijk verband: het arrest verwerpt de fout van het slachtoffer door te verwijzen naar de fout van de eisers I en V; nochtans belet een fout van deze eisers niet dat het slachtoffer zelf een fout heeft begaan in causaal verband met het ongeval, zoals het niet-naleven van de veiligheidsvoorschriften en het niet-dragen van een individuele valbescherming; de fout van het slachtoffer kan slechts niet in causaal verband staan met het ongeval indien zonder die fout het ongeval zich niet op dezelfde manier zou hebben voorgedaan, wat het arrest niet vaststelt. 14. In zoverre het middel is gericht tegen de beslissing over de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerster, behoeft het wat betreft de eiseres V, van wie het cassatieberoep en de memorie met betrekking tot de burgerlijke rechtsvorderingen van deze eiseres niet ontvankelijk zijn, geen antwoord. 15. Het arrest verwerpt het bestaan van een fout van het slachtoffer niet louter door te verwijzen naar de fout van de eisers I en V, maar het verantwoordt met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel van het eerste middel van de eiser I naar recht waarom geen fout van het slachtoffer kan worden aangenomen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiseres II 16. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek: het arrest beantwoordt niet het verweer dat het slachtoffer naast de fout om op de rolstelling te kruipen waar hij niets te zoeken had, bovendien een inbreuk beging op de algemene zorgvuldigheidsplicht door niet er voor te zorgen dat hij zijn evenwicht niet verloor. 17. Het middel heeft dezelfde strekking als het tweede onderdeel van het eerste middel van de eiser I en is om de redenen vermeld in het antwoord op dat onderdeel te verwerpen. Eerste middel van de eiser III 18. Het middel voert schending aan van de artikelen 418 en 419 Strafwetboek, artikel 127 Sociaal Strafwetboek, de artikelen 2, § 1 en 5, § 1, tweede lid, k), Wet Welzijn Werknemers, artikel IV.5-2, § 4, van de Codex van 28 april 2017 over het Welzijn op het werk (hierna Codex Welzijn Werk), de artikelen 333 en 337/2 Arbeidsrelatiewet, artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juni 2013 tot uitvoering van artikel 337/2, § 3, van de programmawet (I) van 27 december 2006 wat betreft de aard van de arbeidsrelaties die bestaan in het kader van de uitoefening van sommige onroerende werkzaamheden (hierna KB 7 juni 2013): het arrest stelt vast dat de eiser III op de plaats van tewerkstelling geen personen tewerkstelde die met hem waren verbonden met een arbeidsovereenkomst; bijgevolg dienen de appelrechters het bestaan van gezag in de zin van artikel 2, § 1, tweede lid, 1°, a), Wet Welzijn Werknemers vast te stellen; het arrest stelt dat niet vast, maar gaat uit van veronderstellingen gelet op de aanname dat het slachtoffer van het ongeval werd tewerkgesteld op dezelfde wijze als de andere verhoorde personen op de werf; het arrest vermeldt niet de redenen op grond waarvan het dit aanneemt; het arrest stelt aldus niet afdoende vast dat minstens de helft van de criteria van artikel 2 KB 7 juni 2013 zijn vervuld; het arrest stelt feiten vast die onverenigbaar zijn met het vereiste van de mogelijkheid om hiërarchische controle uit te oefenen, zijnde het vierde criterium van artikel 333 Arbeidsrelatiewet; aangezien de eiser III aldus geen werkgever van het slachtoffer is, diende hij ook niet te voldoen aan de verplichtingen bepaald in artikel 5, § 1, k) Wet Welzijn Werknemers en artikel IV.5-2, § 4, Codex Welzijn Werk; het arrest stelt niet vast dat de in de telastleggingen F en G bedoelde gedragingen tevens een inbreuk op de algemene zorgvuldigheidsnorm zouden uitmaken; aldus is de schuldigverklaring aan die telastleggingen niet naar recht verantwoord; aangezien de burgerlijke rechtsvorderingen steunen op de telastlegging H, kunnen die vorderingen slechts naar recht verantwoord zijn indien het bestaan van een gezagsband ten aanzien van het slachtoffer afdoende wordt vastgesteld. 19. Artikel 2, § 1, eerste lid, Wet Welzijn Werknemers bepaalt dat deze wet toepasselijk is op de werkgevers en de werknemers. Artikel 2, § 1, tweede lid, 1°, a), Wet Welzijn Werknemers bepaalt: “Voor de toepassing van deze wet worden gelijkgesteld met werknemers, de personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon, behoudens de personen die prestaties verrichten in de zin van de wet van 24 december 2020 betreffende het verenigingswerk, voor zover is voldaan aan de voorwaarden van artikel 42 van voormelde wet.” 20. De rechter die moet nagaan of de Wet Welzijn Werknemers toepasselijk is moet niet onderzoeken of aan de voorwaarden van artikel 2, § 1, tweede lid, 1°, a), Wet Welzijn Werknemers is voldaan, indien hij vaststelt dat de tewerkgestelde personen als werknemer zijn tewerkgesteld krachtens een arbeidsovereenkomst. 21. Het arrest stelt niet vast dat de eiser III op de plaats van tewerkstelling geen personen tewerkstelde die met hem waren verbonden via een arbeidsovereenkomst, maar geeft enkel te kennen dat de eiser III zijn arbeidsrelatie met de tewerkgestelde personen zelf heeft gekwalificeerd als een zelfstandige arbeidsrelatie. Het stelt (p. 54-55, ro mm, nn en oo) integendeel gemotiveerd vast dat de personen die voor de eiser III arbeid presteerden en die door de eiser III werden gekwalificeerd als zelfstandigen, onder gezag van de eiser III arbeid presteerden en dat ze worden vermoed werknemers te zijn. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 22. De omstandigheid dat een werkgever zijn rechtsband met door hem tewerkgestelde personen kwalificeert als een zelfstandige activiteit, sluit niet uit dat er in werkelijkheid een arbeidsovereenkomst bestaat. Om dit uit te maken moet toepassing worden gemaakt van de Arbeidsrelatiewet en zijn uitvoeringsbesluiten. 23. Artikel 331 Arbeidsrelatiewet bepaalt: “Zonder de openbare orde, de goede zeden en de dwingende wetten te kunnen overtreden, kiezen de partijen vrij de aard van hun arbeidsrelatie waarbij de effectieve uitvoering van de overeenkomst moet overeenkomen met de aard van de arbeidsrelatie. Er moet voorrang worden gegeven aan de kwalificatie die uit de feitelijke uitoefening blijkt indien deze de door de partijen gekozen juridische kwalificatie uitsluit.” Krachtens artikel 332, eerste lid, Arbeidsrelatiewet, wordt hetzij wanneer de uitoefening van de arbeidsrelatie voldoende elementen naar voor brengt die, beoordeeld overeenkomstig de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, onverenigbaar zijn met de kwalificatie die door de partijen aan de arbeidsrelatie wordt gegeven, hetzij wanneer de kwalificatie die door de partijen wordt gegeven niet overeenstemt met de aard van de arbeidsrelatie zoals deze wordt vermoed overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk V/1 en dit vermoeden niet wordt weerlegd, gebeurt er een herkwalificatie van de arbeidsrelatie. Krachtens artikel 332, tweede lid, Arbeidsrelatiewet worden de elementen die in het eerste lid worden bedoeld, beoordeeld op basis van de algemene criteria zoals gedefinieerd in artikel 333 en, desgevallend, van de specifieke criteria van juridische of socio-economische aard die overeenkomstig de adviesprocedure van hoofdstuk V worden vastgesteld. Artikel 333, § 1, Arbeidsrelatiewet bepaalt: “De algemene criteria waarvan sprake in vorig artikel en die het mogelijk maken het bestaan of de afwezigheid van een gezagsband te beoordelen zijn: - de wil der partijen die in hun overeenkomst werd uitgedrukt, voor zover deze laatste overeenkomstig de bepalingen van artikel 331 wordt uitgevoerd; - de vrijheid van organisatie van de werktijd; - de vrijheid van organisatie van het werk; - de mogelijkheid een hiërarchische controle uit te oefenen.” Krachtens artikel 334, § 1, Arbeidsrelatiewet kan de Koning een lijst opstellen met specifieke criteria die eigen zijn aan één of meerdere sectoren, één of meerdere beroepen, één of meerdere categorieën of één of meerdere beroepsactiviteiten die de Koning bepaalt. Deze lijst vult de criteria aan die in artikel 333 worden beoogd. Krachtens artikel 337/2, § 1, Arbeidsrelatiewet worden arbeidsrelaties voor werken in onroerende staat weerlegbaar vermoed een arbeidsovereenkomst te zijn wanneer uit de analyse van de arbeidsrelatie blijkt dat meer dan de helft van de criteria zijn vervuld, zoals ze zijn vervangen bij artikel 2 KB 7 juni 2013. Artikel 337/2, § 2, Arbeidsrelatiewet bepaalt: “Wanneer blijkt dat meer dan de helft van de criteria, vermeld in de eerste paragraaf niet zijn vervuld, wordt de arbeidsrelatie, weerlegbaar vermoed een zelfstandigenovereenkomst te zijn. Dit vermoeden kan worden weerlegd door alle middelen van recht, onder andere op basis van de in deze wet bepaalde algemene criteria.” Artikel 337/2, § 3, Arbeidsrelatiewet bepaalt: “De Koning kan volgens dezelfde procedure als deze bepaald in artikel 335, specifieke criteria bepalen die eigen zijn aan één of meerdere sectoren, één of meerdere beroepen of één of meerdere categorieën van beroepen of één of meerdere beroepsactiviteiten die Hij bepaalt, en die de in de eerste paragraaf bepaalde criteria vervangen of aanvullen. Deze criteria dienen elementen te bevatten die verband houden met een socio-economische afhankelijkheid of juridische ondergeschiktheid.” 24. De bepalingen van artikel 337/2 Arbeidsrelatiewet bevatten een weerlegbaar vermoeden, die niet uitsluiten dat de aard van een arbeidsrelatie sluitend wordt bepaald op grond van de algemene criteria. 25. Het staat aan de rechter na te gaan of de gegevens die worden aangevoerd om het bestaan van een gezagsrelatie te staven een toepassing of de mogelijkheid tot toepassing van gezag op de uitvoering van de arbeid zoals in een arbeidsovereenkomst aantonen, die onverenigbaar is met de loutere uitvoering van controle en het geven van instructies in het kader van een overeenkomst voor zelfstandige arbeid. 26. Het arrest (p. 53-55) oordeelt als volgt: - uit de verhoren van S.F.-T. en T.E. blijkt zeer duidelijk dat de eiser III werkt met personen die onder zijn gezag staan; - de personen werken actief op de werf met het materiaal van de firma’s van de eiser III; - ze hebben enkel uitvoerende taken; - zij beschikken niet over een eigen opslagplaats van materiaal en materieel, maar gebruiken deze van de eiseres IV.2; - ze rijden met wagens van de firma’s van de eiser III en krijgen hun opdrachten en taken van hem die bepaalt waar, wanneer en hoe lang ze dienen te werken; - ze werkten niet voor andere firma’s dan deze van de eiser III; - zij leveren enkel hun arbeid, wanneer de eiser III deze nodig heeft en de eiser III houdt hier toezicht op; - ze dienen regelmatig hun gewerkte uren aan de eiser III te rapporteren en worden per gepresteerd uur betaald aan een vast uurloon en lopen geen bedrijfsrisico: elke zelfstandige krijgt 15,00 euro per gepresteerd uur; - bij ziekte dienen ze dit te melden aan de eiser III; - ook al behoren ze tot verschillende juridische ondernemingen, op de werkplaats werken ze samen onder leiding van de eiser III of in zijn afwezigheid van het slachtoffer; - er is afwezigheid van enig financieel of economisch risico bij diegene die de werken uitvoert; - er is garantie op betaling van een vaste vergoeding, ongeacht de bedrijfsresultaten of de omvang van de prestaties geleverd door diegene die de werkzaamheden uitvoert; - ze doen zich niet voor als een onderneming ten overstaan van andere personen of van de medecontractant, zoals met name het geval is wanneer geen gebruik wordt gemaakt van bepaalde zichtbare elementen die kenmerkend zijn voor de onderneming, zoals logo’s, belettering op voertuigen, uithangborden of publicitaire slogans; - ze werken hoofdzakelijk of gewoonlijk voor één medecontractant; - ze werken met materiaal en voertuigen waarvan men geen eigenaar is en die door de eiser III ter beschikking worden gesteld; - ze werken niet onafhankelijk ten overstaan van de werkploegen van de medecontractant; - het bovenstaande geldt ook voor het slachtoffer. Met die redenen stelt het arrest geen feiten vast die onverenigbaar zijn met het vereiste van de mogelijkheid om hiërarchische controle uit te oefenen. Het geeft integendeel te kennen dat niet enkel is voldaan aan meer dan de helft van de criteria van artikel 337/2, § 1, Arbeidsrelatiewet, zodat wordt vermoed dat de bedoelde arbeidsrelaties arbeidsovereenkomsten zijn, maar ook dat de bedoelde personen waren tewerkgesteld onder het hiërarchische gezag van de eiser III, zodat het voormeld vermoeden ook niet wordt weerlegd aan de hand van de algemene criteria. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. Bijgevolg diende het arrest niet na te gaan of toepassing kon worden gemaakt van de uitbreidingsregel van artikel 2, § 1, tweede lid, 1°, a), Wet Welzijn Werknemers. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 27. Het arrest (p. 55, ro qq en rr) oordeelt dat er gezamenlijke fouten zijn van zowel de eisers I, III, IV als V die de dood van het slachtoffer hebben veroorzaakt, dat hun fouten de misdrijven opgesomd onder de telastleggingen D, F en G betreffen en dat het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid alle fouten inhoudt die tot de onopzettelijke doding van het slachtoffer hebben kunnen leiden. Aldus stelt het arrest vast dat de met de telastleggingen F en G bedoelde gedragingen tevens een inbreuk op de algemene zorgvuldigheidsnorm uitmaken. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Tweede middel van de eiser III 28. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.a EVRM en artikel 14 IVBPR, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest steunt de schuldigverklaring van de eiser III aan de telastleggingen F en G, los van de vraag of hij te aanzien is als werkgever, mede op de reden dat de eiser III ook in zijn hoedanigheid van aannemer of onderaannemer de in artikel 5 en in artikel IV.5-2, § 4, Codex Welzijn Werk bepaalde verplichtingen diende na te leven; het arrest steunt de schuldigverklaring op die grond zonder de eiser III de gelegenheid te hebben gegeven hierover verweer te voeren; de eiser III werd vervolgd om de feiten van de telastleggingen F en G te hebben gepleegd, niet als aannemer of onderaannemer, maar als werkgever, zijn aangestelde of lasthebber. 29. Uit het antwoord op het eerste middel van de eiser III volgt dat het arrest de eiser III niet schuldig verklaart aan de telastleggingen F en G in zijn hoedanigheid van aannemer, maar als werkgever. Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel van de eiser III en de eisers IV 30. Het middel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek en de artikelen 44 en 45 Strafwetboek: anders dan de eerste rechter oordeelt het arrest dat het slachtoffer geen eigen fout heeft begaan in oorzakelijk verband met zijn dodelijk ongeval en dat de aansprakelijkheid niet moet worden verdeeld; het arrest leidt uit de feiten die het vaststelt niet naar recht af dat het slachtoffer geen fout heeft begaan in oorzakelijk verband met het dodelijk ongeval; het arrest stelt niet vast dat ook zonder de fout van het slachtoffer de schade zich zou hebben voorgedaan zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan; aldus verwerpt het arrest ten onrechte een verdeling van de aansprakelijkheid tussen de eiser III en het slachtoffer. 31. De rechter oordeelt in feite of het slachtoffer van een ongeval een fout heeft begaan die in oorzakelijk verband staat met dat ongeval. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen. 32. Het arrest (p. 49-50, ro gg) oordeelt als volgt: - het is duidelijk dat de aanwezigheid op het moment van de feiten van het slachtoffer op de stelling noodzakelijk was bij het plaatsen van het raam; - toen het ongeval gebeurde werd een groot raamkader van ongeveer 5 meter op 3 meter schuin naar binnen getrokken. Wil men zo’n groot raamkader vervolgens verticaal aan de muur bevestigen, is het noodzakelijk dat iemand op een stelling staat om dit proces tot een goed einde te brengen; - de opsteller van het omstandig verslag van Mensura vergist zich wanneer deze stelt dat het slachtoffer plots en zonder enige aanwijzing de rolstelling besteeg tot op een hoogte van twee meter. Het arrest (p. 62, ro e) oordeelt wat betreft de burgerrechtelijke rechtsvorderingen van de verweerster verder als volgt: - het slachtoffer ontving geen enkele instructie, zodat hij deze niet kon negeren en deed op het moment van de feiten gewoon zijn werk, namelijk op een niet-conforme stelling aan de bovenzijde van het open raam het kader positioneren; - zoals hierboven reeds werd gesteld kan aan het slachtoffer zelf geen fout worden verweten die in causaal verband staat met het arbeidsongeval en zijn dodelijke gevolgen: er waren op de werf slechts twee volledige sets valharnassen met bijbehorende stop-chute aanwezig die reeds door andere personen werden gebruikt. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat het slachtoffer geen fout heeft begaan in oorzakelijk verband met het ongeval. Het middel kan niet worden aangenomen. Eerste middel van de eisers IV 33. Het middel voert schending aan van de artikelen 418 en 419 Strafwetboek, artikel 127 Sociaal Strafwetboek, de artikelen 2, § 1 en 5, § 1, tweede lid, k), Wet Welzijn Werknemers, artikel IV.5-2, § 4, Codex Welzijn Werk, de artikelen 333 en 337/2 Arbeidsrelatiewet en artikel 2 KB 7 juni 2013: het arrest stelt vast dat de eiseressen IV en de eiser III op de plaats van tewerkstelling geen personen tewerkstelden die met hen waren verbonden met een arbeidsovereenkomst; bijgevolg dienen de appelrechters het bestaan van gezag in de zin van artikel 2, § 1, tweede lid, 1°, a), Wet Welzijn Werknemers vast te stellen; het arrest stelt dat niet vast, maar gaat uit van veronderstellingen, met het oordeel dat het hof van beroep aanneemt dat het slachtoffer van het ongeval werd tewerkgesteld op dezelfde wijze als de andere verhoorde personen op de werf; het arrest vermeld de redenen niet waarom het dit aanneemt; het stelt aldus niet afdoende vast dat minstens de helft van de criteria van artikel 2 KB 7 juni 2013 zijn vervuld; het arrest stelt feiten vast die onverenigbaar zijn met het vereiste van de mogelijkheid om hiërarchische controle uit te oefenen, dit is het vierde criterium van artikel 333 Arbeidsrelatiewet; aangezien de eisers aldus niet aan te nemen zijn als werkgever van het slachtoffer, dienden zij ook niet te voldoen aan de verplichtingen bepaald in artikel 5, § 1, k), Wet Welzijn Werknemers en artikel IV.5-2, § 4 Codex Welzijn Werk; het arrest stelt niet vast dat de in de telastleggingen F en G bedoelde gedragingen tevens een inbreuk op de algemene zorgvuldigheidsnorm zouden uitmaken; aldus is de vaststelling van een burgerrechtelijke fout van de eisers bestaande in de feiten van de telastlegging H, dit is de onopzettelijke doodslag, niet naar recht verantwoord; aangezien de burgerlijke rechtsvorderingen steunen op de telastlegging H, kunnen die vorderingen slechts naar recht verantwoord zijn indien het bestaan van een gezagsband ten aanzien van het slachtoffer afdoende wordt vastgesteld. 34. In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het eerste middel van de eiser III, dient het om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen te worden verworpen. 35. In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het eerste onderdeel van het eerste middel van de eiser I, dient het om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen te worden verworpen. Tweede middel van de eisers IV 36. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.a en b EVRM en artikel 14 IVBPR, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest steunt de schuldigverklaring van de eiser III aan de telastleggingen F en G en daaruit volgend de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de eiseressen IV voor de betaling van zijn geldboete en gerechtskosten op strafgebied en het bestaan van een burgerrechtelijke fout, mede op de reden dat de eiser III ook in zijn hoedanigheid van aannemer of onderaannemer de in artikel 5 Wet Welzijn Werknemers en artikel IV.5-2, § 4, Codex Welzijn Werk bepaalde verplichtingen diende na te leven; het arrest steunt de schuldigverklaring op die grond zonder de eiser IV de gelegenheid te geven hierover verweer te voeren; de eiser III werd vervolgd om de feiten van de telastleggingen F en G te hebben gepleegd, niet als aannemer of onderaannemer, maar als werkgever, zijn aangestelde of lasthebber; aldus is ook de beslissing over de telastlegging H, die steunt op de feiten van de telastleggingen F en G, niet naar recht verantwoord. 37. Uit het antwoord op het tweede middel van de eiser III volgt dat deze niet werd schuldig verklaard aan de telastleggingen F en G in zijn hoedanigheid van aannemer of onderaannemer, maar als werkgever. Het middel mist feitelijke grondslag. Eerste middel van de eiseres V 38. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt in strijd met het verslag van Mensura dat het slachtoffer wel degelijk noodzakelijk aanwezig moest zijn op de rolstelling om het raam naar binnen te trekken; bovendien wordt het besluit van Mensura met geen enkel stuk van het strafdossier tegengesproken: aldus geeft het arrest een uitlegging van het verslag van Mensura die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan en miskent het de bewijskracht ervan; het arrest miskent de contractuele overdracht van aansprakelijkheid tussen de eiseres V en de eiseres IV.1 en miskent de bewijskracht van artikel 7-1 van de overeenkomst tussen de eiseres V en de eiseres IV.1 door er een ontoelaatbare uitlegging van te geven; deze contractuele bepaling vermeldt dat de onderaannemer zijn verplichtingen inzake veiligheid en gezondheid op tijdelijke of mobiele werven moet naleven en vooral die welke voortvloeien uit de Wet Welzijn Werknemers en haar uitvoeringsbesluiten, zoals het koninklijk besluit van 25 januari 2001 betreffende de tijdelijke of mobiele werken, alsmede uit de Codex Welzijn Werk en het ARAB. 39. Het arrest (p. 53) oordeelt als volgt: - de eisers I en V voeren ten onrechte aan dat ze hun verplichtingen inzake veiligheid contractueel zouden hebben overgedragen op de eiseres IV.1 op basis van artikel 7.1 van hun overeenkomst. Men dient dit artikel echter volledig te lezen: “7-1 De onderaannemer moet zijn verplichtingen inzake veiligheid en gezondheid op tijdelijke of mobiele werven naleven en vooral degene die voortvloeien uit de wet van 4 augustus 1996 en haar uitvoeringsbesluiten, zoals het koninklijk besluit van 25 januari 2001 betreffende de tijdelijke of mobiele werven alsmede uit de Codex over het Welzijn op het werk en het ARAB. De collectieve beschermingsmaatregelen zijn zonder meer ten laste van de hoofdaannemer. Persoonlijke beschermingsmaatregelen zijn ten laste van de onderaannemer. De partijen zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de instandhouding van de collectieve voorzieningen”; - artikel 7.1 van de overeenkomst bevestigt dat de onderaannemer zijn eigen verplichtingen dient na te leven en stelt bovendien dat de hoofdaannemer dient in te staan voor het nemen van collectieve beschermingsmaatregelen. Met die redenen geeft het arrest een uitlegging van de bedoelde contractuele bepaling die niet onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 40. Voor het overige heeft het middel dezelfde strekking als het tweede middel van de eiser I en het eerste middel van de eiseres II en is het om de in het antwoord op die middelen vermelde redenen te verwerpen. Tweede middel van de eiseres V 41. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eiseres V dat het slachtoffer, naast zijn fout om zich op de rolstelling te begeven waar hij niets te zoeken had, een inbreuk heeft begaan op de algemene zorgvuldigheidsplicht; het arrest verwijst enkel naar de getuigenverklaringen en het verslag van Mensura, om vervolgens dit verslag buiten beschouwing te laten en te oordelen dat het slachtoffer wel degelijk noodzakelijk aanwezig moest zijn op de rolstelling; het vermeldt niet de redenen waarom het slachtoffer op de stelling aanwezig had moeten zijn of waarom geen eigen fout van het slachtoffer wordt aangenomen; de eiseres IV heeft geconcludeerd voor de appelrechters dat elk oorzakelijk verband tussen de beweerde inbreuken van de eiseres IV en het overlijden van het slachtoffer ontbreekt, minstens dat dit is doorbroken door de eigen fout van het slachtoffer; aldus verstrekt het arrest geen duidelijkheid over de reden waarom de eiseres V wordt veroordeeld tot schadevergoeding. 42. In zoverre het middel betrekking heeft op de beslissing over de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerster, waartegen het cassatieberoep en de memorie van de eiseres V niet ontvankelijk zijn, behoeft het geen antwoord. 43. Voor het overige heeft het middel dezelfde strekking als het eerste en tweede onderdeel van het eerste middel van de eiser I en is het om de in het antwoord op die onderdelen vermelde redenen te verwerpen. Ambtshalve onderzoek 44. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 456,00 euro, waarvan de eisers I, III, IV, V 91,20 euro zijn verschuldigd en de eiseres II 52,70 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en in openbare rechtszitting van 13 september 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters met bijstand van griffier Ayse Birant.