ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220802.VAK.2
Détails de la décision
🏛️ Hof van Cassatie
📅
🌐 NL
Matière
Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige
Texte intégral
Nr. P.22.1002.N
J F,
inverdenkinggestelde, aangehouden,
eiser,
met als raadsman mr. Brian Stuckens, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1060 Sint-Gillis, Afrikastraat 92, waar de eiser woonplaats kiest.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 19 juli 2022.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.
Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
1. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 744, eerste lid, 3° en 4°, en 780, eerste lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest dat eisers verzoek om uitstel van behandeling van de zaak afwijst en zijn voorlopige hechtenis handhaaft, is niet naar recht verantwoord; het onderzoeksgerecht moet bij een tussentijdse beoordeling van de voorlopige hechtenis steeds en te allen tijde het recht op een eerlijk proces met inbegrip van het recht van verdediging van de inverdenkinggestelde waarborgen; indien een inverdenkinggestelde bij een tussentijdse beoordeling om een redelijk uitstel van behandeling verzoekt dat is ingegeven door de eerbiediging van het recht van verdediging, rust op het onderzoeksgerecht een bijzondere motiveringsplicht; het onderzoeksgerecht moet op straffe van nietigheid de afwijzing van een dergelijk verzoek in concreto beantwoorden; de eiser heeft de kamer van inbeschuldigingstelling verzocht gelet op het op 20 juli 2022 voorziene confrontatieverhoor en het doorslaggevend belang dat dit verhoor heeft voor de te nemen beslissing, de behandeling van de zaak op 19 juli 2022 uit te stellen naar de rechtszitting van 22 juli 2022; het onderzoeksgerecht heeft eisers verzoek om een redelijk uitstel zonder meer terzijde geschoven en zonder dat concreet wordt aangegeven op welke wijze eisers recht van verdediging kan worden geëerbiedigd; het arrest grondt door overname van de redenen van de vordering van de procureur-generaal het gevaar voor collusie op het gegeven dat eerst nog een confrontatieverhoor moet plaatsvinden; het arrest is daardoor intern tegenstrijdig gemotiveerd.
2. Artikel 6.1 EVRM is in de regel niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis.
3. Artikel 149 Grondwet en de artikelen 744, eerste lid, 3° en 4°, en 780, eerste lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek zijn niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis.
4. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
5. De Voorlopige Hechteniswet beperkt tijdens het gerechtelijk onderzoek de geldigheid van een vrijheidsberovende titel in de tijd en de voorlopige hechtenis wordt bovendien onderworpen aan een periodieke controle door de onderzoeksgerechten waarbij die gerechten en ook het Hof op korte en binnen de wet vastgelegde termijnen overeenkomstig de artikelen 21, § 1, en § 6, 22, eerste en tweede lid, 30, § 3, tweede lid, en § 4, en 31, § 3, tweede lid, § 4 en § 5, Voorlopige Hechteniswet uitspraak moeten doen over de handhaving van de voorlopige hechtenis en dit op straffe van invrijheidstelling van de inverdenkinggestelde bij een niet-tijdige beslissing.
6. Het onderzoeksgerecht moet bij de beslissing over de handhaving van de voorlopige hechtenis rekening houden met de op dat ogenblik beschikbare gegevens.
7. De Voorlopige Hechteniswet waarborgt aldus in het belang van een inverdenkinggestelde de in artikel 5.3 en 5.4 EVRM vermelde rechten, meer bepaald om ingeval van arrestatie of gevangenhouding overeenkomstig artikel 5.1.c) EVRM onmiddellijk voor een rechter te worden geleid, binnen een redelijke termijn te worden berecht of in vrijheid te worden gesteld en om voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van de gevangenhouding of de invrijheidstelling beveelt indien de gevangenhouding onrechtmatig is.
8. Noch uit artikel 5 EVRM, noch uit de voormelde bepalingen van de Voorlopige Hechteniswet, noch uit artikel 32 Voorlopige Hechteniswet dat erin voorziet dat de in de artikelen 21, § 1, 22, 30, § 3 en 31, § 3, bepaalde termijnen worden geschorst tijdens de duur van een uitstel op verzoek van de verdachte of van zijn raadsman, noch uit het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging, kan worden afgeleid dat een verdachte recht heeft op een uitstel van de periodieke controle door het onderzoeksgerecht indien hij meent dat de uitvoering van in het vooruitzicht gestelde onderzoekshandelingen de beslissing over de handhaving kan beïnvloeden.
9. Het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar of wordt ingegaan op een verzoek om uitstel van behandeling van de periodieke beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis dat wordt ingegeven door een in het vooruitzicht gestelde uitvoering van een onderzoekshandeling, waarvan het resultaat noodzakelijkerwijze nog niet is gekend. Voor het verwerpen van een dergelijk verzoek geldt geen bijzondere motiveringsplicht.
10. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
11. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt:
- de zaak was vastgesteld op de rechtszitting van de kamer van inbe-schuldigingstelling van 19 juli 2022 en dit ingevolge het hoger beroep van de eiser van 6 juli 2022 tegen de raadkamerbeschikking van 5 juli 2022 tot handhaving van zijn hechtenis;
- de raadsman van de eiser heeft met een aan de griffie toegestuurd mail- en faxbericht van 18 juli 2022 om een uitstel van behandeling van de zaak verzocht omwille van het confrontatieverhoor dat op 20 juli 2022 zou plaatsvinden. In dit bericht heeft hij verwezen naar de schriftelijke vordering van de procureur-generaal en aangevoerd dat dit confrontatieverhoor van doorslaggevend belang zou zijn voor de beslissing over de handhaving van de voorlopige hechtenis. Hij heeft verder verzocht de behandeling van de zaak uit te stellen naar de rechtszitting van 22 juli 2022, aangezien dit de enige mogelijke datum was waarop hijzelf beschikbaar was;
- namens de eiser werd op de rechtszitting van 19 juli 2022 het verzoek om uitstel herhaald;
- het arrest vermeldt dat de kamer van inbeschuldigingstelling na beraad over het verzoek om uitstel heeft beslist de zaak te behandelen, waarop de behandeling van de zaak werd geschorst tot de komst van een andere raadsman van de eiser, die vervolgens namens de eiser heeft gepleit;
- het arrest beslist met overname van de redenen van de vordering van de procureur-generaal tot de handhaving van eisers voorlopige hechtenis.
12. Het is niet tegenstrijdig om eensdeels een verzoek om uitstel ingegeven door een gepland confrontatieverhoor af te wijzen en anderdeels bij de handhaving van de voorlopige hechtenis het gevaar voor collusie onder meer te gronden op in het vooruitzicht gestelde confrontatieverhoren.
In zoverre mist het middel feitelijk grondslag.
13. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling door het arrest van het verzoek tot uitstel en is het dus niet ontvankelijk.
Tweede middel
14. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 16, § 1, en § 5, 22, zesde en zevende lid, 23, eerste lid, 4°, en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet en de artikelen 744, eerste lid, 3° en 4°, en 780, eerste lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest moet concreet antwoorden op de door de eiser in zijn conclusie aangevoerde middelen; het arrest beperkt zich louter tot een verwijzing naar de vordering van het openbaar ministerie, zonder enige bijkomende motivering; het oordeel dat de vordering alle elementen bevat op grond waarvan de voorlopige hechtenis moet worden gehandhaafd en dat de in conclusie voorgestelde voorwaarden en borgsom onvoldoende garantie bieden naar de openbare veiligheid toe en onvoldoende het recidive-, collusie- en onttrekkingsgevaar neutraliseren, kan niet volstaan als een antwoord op de zeer uitgebreide schriftelijke conclusie van de eiser met inbegrip van een allesomvattend bijhorend stukkenbundel betreffende strikte voorwaarden en een borgsom om de vermelde gevaren en het gevaar voor het verder onderzoek te neutraliseren; bovendien is het arrest op identieke wijze geformuleerd als het arrest van 7 juni 2022, waardoor er sprake is van een verboden automatisme.
15. Artikel 149 Grondwet en de artikelen 744, eerste lid, 3° en 4°, en 780, eerste lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek zijn niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis.
16. Het onderzoeksgerecht moet niet antwoorden op stukken, maar enkel op een regelmatig ingediende conclusie.
17. Het onderzoeksgerecht dat op korte termijn moet beslissen over de handhaving van de voorlopige hechtenis, moet niet elk detail van in een conclusie aangevoerde middelen beantwoorden.
18. Geen enkele bepaling belet het onderzoeksgerecht een conclusie van een inverdenkinggstelde te beantwoorden door loutere overname van de redenen van de vordering van de procureur-generaal, indien de in de conclusie aangevoerde middelen daarmee zijn ontmoet.
19. Bij de beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis mag het onderzoeksgerecht geen blijk geven van enig automatisme dat onverenigbaar is met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis. Dit verbod op automatisme houdt evenwel niet in dat het onderzoeksgerecht bij een hernieuwde en dus geactualiseerde beoordeling geen rekening mag houden met de elementen die het voorheen in aanmerking heeft genomen. Het staat immers aan het onderzoeksgerecht te oordelen of uit die elementen, desgevallend aangevuld met andere, rekening houdend met de voortgang van het onderzoek en het verstreken tijdsverloop, nog steeds gevaren voor recidive, collusie en onttrekking kunnen worden afgeleid die een verdere handhaving van de voorlopige hechtenis noodzakelijk maken.
20. Het onderzoeksgerecht kan de met feitelijke gegevens gestaafde betwistingen betreffende het gevaar voor recidive, collusie en onttrekking en de noodzaak van de handhaving van de voorlopige hechtenis voor het verder onderzoek en het neutraliseren van die gevaren door het opleggen van een borgsom of voorwaarden beantwoorden en verwerpen door met verwijzing naar de dossiergegevens vast te stellen dat die gevaren wel degelijk bestaan en niet door een borgsom of voorwaarden kunnen worden geneutraliseerd.
21. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
22. Het thans bestreden arrest dat de redenen van de vordering van de procureur-generaal van 14 juli 2022 overneemt, oordeelt weliswaar in gelijkaardige bewoordingen als het arrest van 7 juni 2022 dat met overname van de redenen van de vordering van de procureur-generaal van 2 juni 2022 eveneens de voorlopige hechtenis van de eiser had gehandhaafd, maar de beide vorderingen zijn niet gelijkluidend. De vordering van 14 juli 2022 bevat immers niet enkel de gegevens die reeds waren opgenomen in de vordering van 2 juni 2022, maar het doet op pagina 7 ook opgave van de resultaten van het verder onderzoek. Derhalve is het thans bestreden arrest niet op identieke wijze gemotiveerd als het arrest van 2 juni 2022.
In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
23. Met het geheel van de in de vordering van de procureur-generaal overgenomen redenen en met eigen redenen vermeldt het arrest op concrete wijze de feitelijke omstandigheden van de zaak en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de eiser die de voorlopige hechtenis wettigen, de ernstige aanwijzingen van schuld en de feitelijke gegevens waaruit het gevaar voor recidive, onttrekking, collusie en de belemmering van het onderzoek blijken op het ogenblik van de beslissing. Het stelt ook vast dat op de datum van de beslissing die gevaren niet kunnen worden geneutraliseerd door het opleggen van een borgsom of voorwaarden. Aldus beantwoordt en verwerpt het arrest de door de eiser in zijn conclusie aangevoerde middelen en verantwoordt het de handhavingsbeslissing naar recht.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
Ambtshalve onderzoek
24. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 87,51 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit sectievoorzitter Christian Storck, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Sabine Geubel, Steven Van Overbeke en Ignacio de la Serna, en in openbare rechtszitting van 2 augustus 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.