ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.24
Détails de la décision
🏛️ Hof van Cassatie
📅
🌐 NL
Matière
Strafrecht - Internationaal publiekrecht
Texte intégral
Nr. P.22.0828.N
E P,
veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd,
eiser,
met als raadsman mr. Laura Otte, advocaat bij de balie Gent.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 30 mei 2022.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.
Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 47, § 2, Wet Strafuitvoering: uit de door de eiser ingediende stukken blijkt dat hij in Albanië kan rekenen op zowel huisvesting als werk zodat anders dan het vonnis vaststelt eisers reclasseringsplan volledig is; het vonnis maakt geen melding van de neergelegde stukken; een reclasseringsplan is nochtans niet vereist voor de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied; het vonnis is niet naar recht verantwoord; het vonnis bevat tegenstrijdige motieven (eerste onderdeel); het vonnis wijst eisers verzoek af omdat bij afwezigheid van de verslagen betreffende het persoonlijkheidsonderzoek, de criminogenese en de risicotaxatie het risico op recidive niet kan worden ingeschat; de onmogelijkheid van controle van de re-integratie is geen reden om de modaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied te weigeren, zodat het ontbreken van een reclasseringsplan geen geldige reden is om de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit te weigeren; de motivering van het vonnis is vatbaar voor twee interpretaties en bijgevolg dubbelzinnig (tweede onderdeel).
2. Artikel 195 Wetboek van Strafvordering is niet van toepassing op de strafuitvoeringsrechtbanken.
3. Geen enkele bepaling verplicht de strafuitvoeringsrechtbank melding te maken van ingediende stukken. Artikel 149 Grondwet verplicht de strafuitvoeringsrechtbank evenmin om stukken te beantwoorden.
4. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
5. Het middel verduidelijkt niet welke beslissingen of redenen van het vonnis tegenstrijdig zijn. Het verduidelijkt evenmin in welke ene lezing de aangevochten beslissing wettig is en in welke andere lezing de beslissing onwettig is.
In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
6. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, of opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het vonnis, is het niet ontvankelijk.
7. Het vonnis wijst eisers verzoek om de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied niet af wegens het niet voorhanden zijn van een sociaal reclasseringsplan. Het vonnis wijst dit verzoek evenmin af wegens de onmogelijkheid van controle op de re-integratie.
In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het vonnis en mist het feitelijke grondslag.
8. Het gegeven dat voor de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied het dossier geen sociaal reclasseringsplan moet bevatten waaruit de perspectieven op reclassering van de veroordeelde blijken, belet niet dat de strafuitvoeringsrechtbank bij de beoordeling van de door artikel 47, § 2, 2°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing van het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten het ontbreken van een persoonlijkheidsonderzoek, een gefundeerde criminogenese en een risicotaxatie en dus het ontbreken van recidivebeperkende reclasseringsgegevens kan betrekken.
In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
9. Het vonnis dat oordeelt dat de psychosociale dienst haar persoonlijkheidsonderzoek nog moet afwerken en een gefundeerde criminogenese en risicotaxatie moet uitschrijven die onontbeerlijk zijn om een accurate inschatting te maken van de noodzakelijke recidivebeperkende reclasseringselementen en op die grond de tegenaanwijzing betreffende het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten aanneemt, verantwoordt die beslissing naar recht.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
Tweede middel
10. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het vonnis geeft geen motivering voor het ontbreken van de verslagen betreffende het persoonlijkheidsonderzoek en de risicotaxatie; de eiser is vragende partij voor een gesprek met de sociale dienst en heeft zich nooit dilatoir opgesteld; het ontbreken van de verslagen en het opleggen van een wachttermijn van vijf maanden voor een nieuw verzoek miskennen eisers recht op een eerlijk proces en het daarin vervatte recht op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn (eerste onderdeel); het vonnis beantwoordt niet eisers op de rechtszitting geformuleerde vraag om geen wachttermijn voor het indienen van een nieuw verzoek te bepalen (tweede onderdeel).
11. Artikel 6.1 EVRM en het daarin vervatte recht op de behandeling binnen een redelijke termijn van een ingestelde strafvordering is niet van toepassing op de strafuitvoeringsrechtbanken die uitspraak doen over een verzoek om toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied. Zij beoordelen immers niet de gegrondheid van een strafvordering.
12. Artikel 195 Wetboek van Strafvordering is niet van toepassing op de strafuitvoeringsrechtbanken.
13. Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie moet de strafuitvoeringsrechtbank de redenen voor het ontbreken van bepaalde documenten of gegevens niet vermelden.
14. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
15. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
16. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 17 mei 2022 blijkt niet dat de eiser heeft gevraagd om bij afwijzing van zijn verzoek om elektronisch toezicht geen wachttermijn op te leggen, maar wel dat hij heeft gevraagd om de datum voor een nieuw verzoek niet te ver te zetten.
In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
17. Het bepalen van een datum binnen de door artikel 57 Wet Strafuitvoering bepaalde tijdsgrenzen voor een nieuw verzoek voor de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit is een discretionaire bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechtbank. De strafuitvoeringsrechtbank moet de beslissing over het verzoek om de datum voor het indienen van een nieuw verzoek niet te ver te plaatsen niet nader met redenen omkleden.
In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
Ambtshalve onderzoek
18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten
Bepaalt de kosten op 6,11 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 28 juni 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.