Aller au contenu principal

ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.5

Détails de la décision

🏛️ Hof van Cassatie 📅 🌐 NL

Matière

Strafrecht

Texte intégral

Nr. P.22.0373.N 1. M. A. E. H., beklaagde, 2. F. O., burgerrechtelijk aansprakelijke partij, eisers, met als raadsman mr. Nelson Vanlocke, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 22 februari 2022. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen 1. In zoverre de cassatieberoepen van de eisers ook gericht zijn tegen de beslissing die de verjaring van de strafvordering voor de telastlegging A vaststelt, zijn ze bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. 2. Krachtens artikel 427 Wetboek van Strafvordering moet de partij die cassatieberoep instelt, het cassatieberoep laten betekenen aan de partij tegen wie het gericht is. Krachtens deze bepaling is de vervolgde partij daartoe alleen verplicht in zoverre zijn cassatieberoep is gericht tegen de beslissing over de tegen hem ingestelde burgerlijke rechtsvordering. 3. De eiseres die burgerrechtelijk aansprakelijk werd verklaard voor de kosten van beide aanleggen voor het feit van de telastlegging B en voor de geldboetes en de kosten van de beide aanleggen voor de feiten van de telastleggingen C en D waartoe de eiser werd veroordeeld, heeft haar cassatieberoep niet laten betekenen aan het openbaar ministerie bij het appelgerecht. In zoverre is het cassatieberoep van de eiseres niet ontvankelijk. Middel 4. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet, artikel 47bis Wetboek van Strafvordering en de Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht van een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren. Eerste onderdeel 5. Het onderdeel voert aan dat de eiser, die op het ogenblik van de feiten minderjarig was, geen bijstand van een advocaat heeft genoten tijdens zijn verhoor door de politie; het bestreden vonnis mag dan ook zijn schuldigverklaring niet steunen op dit verhoor. 6. Het bestreden vonnis (p. 8-12, punten 4.2 en 4.3) steunt eisers schuldigverklaring en veroordeling tot straf niet op door de eiser afgelegde verklaringen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 7. Het onderdeel voert aan dat het bestreden vonnis verwijst naar getuigenissen van partijdige getuigen, dat de moeder van de andere minderjarige dader rechtstreeks belanghebbende is gezien ze zelf burgerrechtelijk aansprakelijk is voor de daden van haar zoon en dat het bestreden vonnis niet mag verwijzen naar partijdige getuigen en het anders gebruik maakt van strijdige motivering. 8. Geen enkele wetsbepaling verbiedt de rechter bij zijn beoordeling over de schuld rekening te houden met verklaringen afgelegd door belanghebbende partijen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 9. Het aangevoerde motiveringsgebrek dat is afgeleid uit deze onjuiste rechtsopvatting, is niet ontvankelijk. Derde onderdeel 10. Het onderdeel voert aan dat de plaatsvervangend rechter het vonnis niet heeft ondertekend, zonder dat een reden wordt opgegeven waarvoor de situatie van overmacht geldt; evenmin toont het bestreden vonnis aan dat hij geen digitale handtekening heeft kunnen plaatsen. 11. Artikel 785, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt: “Indien de voorzitter of een van de rechters in de onmogelijkheid verkeert om het vonnis te ondertekenen, maakt de griffier daarvan melding onderaan op de akte en de beslissing is geldig met de handtekening van de overige rechters die ze hebben uitgesproken.” 12. Niet is vereist dat deze onmogelijkheid nader wordt omschreven, toegelicht of verklaard. Evenmin volgt uit deze of enig andere bepaling dat deze onmogelijkheid niet kan worden vastgesteld als de rechter in de mogelijkheid is om het vonnis digitaal te ondertekenen. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek 13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 104,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 21 juni 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant.