Aller au contenu principal

ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.11

Détails de la décision

🏛️ Hof van Cassatie 📅 🌐 NL

Matière

Overige - Strafrecht - Internationaal publiekrecht

Texte intégral

Nr. P.22.0417.N A. C., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Gelu Buzincu, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 10 maart 2022 (dossiernummer 22N000319). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 6.3.d EVRM, alsmede miskenning van het rechtsbegrip van “het vermoeden van de mens”: het bestreden vonnis grondt de afwijzing van eisers verweer dat niet hij maar V.B. de bestuurder was op het ogenblik van de feiten op de verklaring die door deze laatste werd afgelegd voor de eerste rechter; de betrokkene is evenwel de taal van de rechtspleging niet machtig en heeft ook maar een beperkte kennis van het Frans, wat maakt dat hij de inhoud van de door de eerste rechter gestelde vragen niet heeft begrepen; de verschijning van deze vrijwillig verschenen derde is ook niet vermeld op het proces-verbaal van de rechtszitting en uit de akten van de rechtspleging blijkt evenmin dat de betrokkene werd bijgestaan door een beëdigd tolk; de eerste rechter had de zaak in voortzetting moeten stellen om het verhoor te laten plaatsvinden met de nodige waarborgen; het appelgerecht heeft dit niet gecorrigeerd. 2. In zoverre het middel is gericht tegen het beroepen en dus niet tegen het bestreden vonnis, is het niet ontvankelijk. 3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor het appelgerecht heeft aangevoerd dat tijdens de procedure in eerste aanleg de bepalingen van de Taalwet Gerechtszaken betreffende het horen van getuigen, de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering betreffende de eedaflegging en het horen van getuigen op de rechtszitting in strafzaken en het door artikel 6.3.d EVRM gewaarborgde recht op bijstand zijn geschonden. Hij kan op grond van artikel 40, eerste en tweede lid, Taalwet Gerechtszaken, artikel 407 Wetboek van Strafvordering en artikel 2 van de wet van 29 april 1806 waarbij maatregelen worden voorgeschreven met betrekking tot de procedure in criminele en correctionele zaken dit thans voor het Hof niet meer aanvoeren. In zoverre is het middel evenmin ontvankelijk. Tweede middel 4. Het middel voert miskenning aan van de bewijskracht van akten: het bestreden vonnis verklaart het stuk betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid van de schoonzoon van V.B. niet relevant omdat het betrekking had op een periode tot 30 oktober 2018, terwijl de overeenkomst werd gesloten op 30 juli 2018 en de overeenkomst liep tot 30 juli 2019; de datum van 30 oktober 2018 had enkel betrekking op de termijn van de bijgevoegde uitnodiging tot betaling; aldus miskent het bestreden vonnis de bewijskracht van dit stuk. 5. Uit het door de eiser als stuk 1 aan de appelrechters overgelegde document blijkt niet dat de overeenkomst liep tot 30 juli 2019. Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel 6. Het middel voert schending aan van de artikelen 21 en 67bis Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de weerlegging van het vermoeden van artikel 67bis Wegverkeerswet enkel kan worden geleverd door toezending van het bij het aanvankelijk proces-verbaal gevoegde formulier binnen de vijftien dagen na ontvangst ervan; dit formulier is evenwel niet het enige middel om het vermoeden te weerleggen; de bewijslast voor de naleving van de in artikel 67bis, derde lid, Wegverkeerswet bedoelde termijn ligt niet bij de eiser, maar wel bij het openbaar ministerie; met het oordeel van de appelrechters wordt het door artikel 67bis Wegverkeerswet bedoelde vermoeden feitelijk onweerlegbaar gemaakt, wat in strijd is met de bedoeling van de wetgever; het vermoeden geldt bovendien enkel voor overtredingen die werkelijk en tastbaar zijn vastgesteld, terwijl het feit voorwerp van de telastlegging B, namelijk sturen van een motorvoertuig zonder te beschikken over het vereiste rijbewijs, niet concreet werd vastgesteld. 7. Artikel 67bis, eerste tot en met derde lid, Wegverkeerswet bepaalt: “Wanneer een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten is begaan met een motorvoertuig, ingeschreven op naam van een natuurlijke persoon, en de bestuurder bij de vaststelling van de overtreding niet geïdentificeerd werd, wordt vermoed dat deze is begaan door de houder van de kentekenplaat van het voertuig. De houder van de kentekenplaat kan dit vermoeden weerleggen door met elk middel te bewijzen dat hij niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten. In dat geval is hij ertoe gehouden om de identiteit van de onmiskenbare bestuurder kenbaar te maken, behalve wanneer hij diefstal, fraude of overmacht kan bewijzen. De kennisgeving van de identiteit van de bestuurder dient te gebeuren binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de dag waarop de houder van de kentekenplaat kan bewijzen dat hij niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten.” 8. Het bestreden vonnis oordeelt niet dat de eiser het door artikel 67bis Wegverkeerswet bedoelde vermoeden van toerekening enkel kan weerleggen door middel van het bij het aanvankelijk proces-verbaal gevoegde formulier, maar het wijst wel op de laattijdigheid van eisers aanvoeringen. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag. 9. In zoverre het middel aanvoert dat het bestreden vonnis het door artikel 67bis Wegverkeerswet bedoelde vermoeden feitelijk onweerlegbaar maakt, is het afgeleid uit die onjuiste lezing en is het bijgevolg niet ontvankelijk. 10. Uit de tekst van artikel 67bis Wegverkeerswet en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat het daarin vastgelegde vermoeden van toerekening van de met een motorvoertuig begane overtreding aan de houder van de kentekenplaat van het voertuig een algemene draagwijdte heeft en dus geldt voor alle overtredingen van de Wegverkeerswet en de uitvoeringsbesluiten ervan. Dit vermoeden van toerekening geldt bijgevolg ook voor de overtreding op de artikelen 21 en 30, § 1, 1°, Wegverkeerswet. De toepassing van het vermoeden van toerekening is niet afhankelijk van het werkelijk en tastbaar vaststellen van een dergelijke overtreding. Anders oordelen zou een niet door de wetgever gewilde inperking inhouden van artikel 67bis Wegverkeerswet. 11. Het bewijs van het verenigd zijn van de constitutieve bestanddelen van de overtredingen op de Wegverkeerswet en de uitvoeringsbesluiten ervan moet, behoudens wettelijk bepaalde uitzondering, wel worden geleverd door het openbaar ministerie. Daarvoor geldt het door artikel 67bis Wegverkeerswet bedoelde vermoeden niet. 12. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Ambtshalve onderzoek 13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 21 juni 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant.