ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220615.2F.3
Détails de la décision
🏛️ Hof van Cassatie
📅
🌐 NL
Matière
Strafrecht
Résumé
Krachtens artikel 590, eerste lid, 4°, Wetboek van Strafvordering worden
in het strafregister de beslissingen tot internering opgenomen die overeenkomstig
de Interneringswet zijn genomen; de kamer van inbeschuldigingstelling
is niet bevoegd om uitspraak te doen over een...
Texte intégral
Nr. P.21.0034.F
PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL,
tegen
P. C.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 8 december 2020.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.
Het Hof heeft het cassatieberoep bij arrest van 24 maart 2021 verworpen, in zoverre het gegrond is op de eerste twee middelen, en heeft de uitspraak voor het overige aangehouden tot het Grondwettelijk Hof uitspraak zou hebben gedaan over een prejudiciële vraag betreffende artikel 621 Wetboek van Strafvordering.
Het Grondwettelijk Hof heeft de voormelde vraag bij arrest nr. 52/2022 van 31 maart 2022 beantwoord.
Raadsheer Eric de Formanoir heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Derde middel
1. Het middel voert schending aan van de artikelen 590 en 621 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 10, 11 en 22 Grondwet en artikel 8 EVRM. Het verwijt het arrest te beslissen dat artikel 621 Wetboek van Strafvordering de Grondwet kennelijk niet schendt en verweerders verzoek tot herstel in eer en rechten met betrekking tot de beslissing tot internering van 12 maart 1973 te verwerpen, op grond dat voormeld artikel 621 niet toestaat het herstel in eer en rechten voor een beslissing tot internering toe te kennen.
Volgens de eiser is het behoud van de beslissing tot internering in het strafregister, zonder beperking in de tijd en los van het gedrag of de evolutie van de geestelijke gezondheid van de geïnterneerde persoon, niet redelijk verantwoord ten aanzien van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.
De eiser beklemtoont dat de geïnterneerde persoon die definitief in vrijheid is gesteld, een persoon is van wie werd vastgesteld dat hij geen gevaar meer vormt voor de maatschappij. Hij voert ook aan dat de inschrijving van de beslissing tot internering in het strafregister of de vermelding ervan in een uittreksel uit dat strafregister niet alleen het strafrechtelijk verleden van die persoon aan het licht brengt maar ook zijn geestestoestand, wat een gegeven uitmaakt dat tot zijn privéleven behoort.
2. Het arrest oordeelt dat artikel 621 Wetboek van Strafvordering de Grondwet niet schendt, op grond dat “de uitwerking van het herstel in eer en rechten erin bestaat alle toekomstige gevolgen van de veroordeling voor de veroordeelde persoon te doen ophouden”, dat “de interneringsmaatregel, die een veiligheidsmaatregel is, niet enkel wordt genomen in het belang van de openbare veiligheid (het beschermen van de maatschappij) maar ook van de gezondheid van de geïnterneerde persoon (het verzorgen van de betrokkene)” en dat “de toestand van een persoon jegens wie een interneringsmaatregel wordt genomen [...], fundamenteel verschilt van die van een persoon die tot een straf werd veroordeeld”.
3. Het Hof heeft bij arrest van 24 maart 2021 de volgende prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof:
“Schendt artikel 621 van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10, 11 of 22 Grondwet, in zoverre het het herstel in eer en rechten uitsluit van de personen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing tot internering of betreffende de internering, genomen met toepassing van de Interneringswet of de Wet Bescherming Maatschappij?”.
4. Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nr. 52/2022 voor recht gezegd:
“Artikel 621 Wetboek van Strafvordering schendt de artikelen 10, 11 en 22 Grondwet niet. - De ontstentenis van een wettelijke regeling die het mogelijk maakt om, onder bepaalde voorwaarden, te vragen dat de beslissingen tot internering niet meer worden vermeld in de uittreksels uit het strafregister of toegankelijk worden gemaakt voor de in artikel 594 van het Wetboek van strafvordering bedoelde administratieve overheden, schendt de artikelen 10, 11 en 22 Grondwet.”
5. Het Grondwettelijk Hof oordeelt in essentie, tot staving van het eerste gedeelte van zijn antwoord volgens hetwelk artikel 621 de artikelen 10, 11 en 22 Grondwet niet schendt, dat de internering een maatregel is waarvan de aard en de gevolgen niet kunnen worden gelijkgesteld met die van een strafrechtelijke veroordeling. Gelet op de draagwijdte van het herstel in eer en rechten, die erin bestaat de toekomstige strafrechtelijke gevolgen van de veroordeling te doen ophouden, is het verantwoord dat die maatregel niet kan worden toegepast op een beslissing tot internering, die niet tot doel heeft over de schuld van een persoon uitspraak ten gronde te doen of hem, in voorkomend geval, een straf op te leggen, maar om de persoon die aan een geestesstoornis lijdt een maatregel op te leggen die bedoeld is om de maatschappij te beschermen en hem de nodige zorg te verstrekken met het oog op zijn sociale re-integratie.
6. Uit het eerste gedeelte van het antwoord op de prejudiciële vraag en de motivering ervan volgt dat de kamer van inbeschuldigingstelling, die oordeelt dat artikel 621 Wetboek van Strafvordering de Grondwet niet schendt en verweerders verzoek tot herstel in eer en rechten met betrekking tot de interneringsmaatregel verwerpt op grond dat die bepaling niet toestaat het herstel in eer en rechten voor een dergelijke beslissing toe te kennen, zijn beslissing aldus naar recht heeft verantwoord.
In zoverre het middel aanvoert dat het arrest artikel 621 Wetboek van Strafvordering alsook de artikelen 10, 11 en 22 Grondwet en artikel 8 EVRM schendt, kan het niet worden aangenomen.
7. Krachtens artikel 590, eerste lid, 4°, Wetboek van Strafvordering worden in het strafregister de beslissingen tot internering opgenomen die overeenkomstig de Interneringswet zijn genomen.
De kamer van inbeschuldigingstelling is niet bevoegd om uitspraak te doen over een vordering tot schrapping, uit het strafregister, van de vermelding van een beslissing tot internering die krachtens de voormelde bepaling hierin moet worden opgenomen.
Bovendien, en zoals het Grondwettelijk Hof in het tweede gedeelte van zijn antwoord beslist, komt het aan de wetgevende macht toe te voorzien in een wettelijke regeling die het mogelijk maakt om, onder bepaalde voorwaarden, te vragen dat de beslissingen tot internering niet meer zouden worden vermeld in de uittreksels uit het strafregister of toegankelijk zouden worden gemaakt voor de in artikel 594 Wetboek van Strafvordering bedoelde administratieve overheden.
In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 590 Wetboek van Strafvordering, gelezen in samenhang met de artikelen 22 Grondwet en 8 EVRM, kan het evenmin worden aangenomen.
Ambtshalve onderzoek
8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Laat de kosten ten laste van de Staat.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door voorzitter ridder Jean de Codt, als voorzitter, en raadsheren Eric de Formanoir, Tamara Konsek, Frédéric Lugentz en Ignacio de la Serna, en in openbare rechtszitting van 15 juni 2022 uitgesproken door voorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Michel Nolet de Brauwere, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Erwin Francis en overgeschreven met assistentie van griffier Kristel Vanden Bossche.