Aller au contenu principal

ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220531.2N.5

Détails de la décision

🏛️ Hof van Cassatie 📅 🌐 NL

Matière

Strafrecht

Texte intégral

Nr. P.21.1648.N K. S., burgerlijke partij, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen 1. Ch. E. C. V., inverdenkinggestelde, 2. Ch. M. S., inverdenkinggestelde, 3. Ch. R. J. M. S., inverdenkinggestelde, verweersters, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de verweersters woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 23 november 2021. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 226 Strafwetboek en de artikelen 1175 en 1183 Gerechtelijk Wetboek: de appelrechters oordelen ten onrechte dat het door de eerste verweerster aan de tweede en derde verweersters op 12 maart 2012 overgemaakte bedrag van 16.000,00 euro niet diende te worden aangegeven bij de boedelbeschrijving van de nalatenschap van wijlen C.S., bij leven echtgenoot van de eerste verweerster en vader van de tweede en derde verweersters; dit bedrag maakte echter deel uit van het gemeenschappelijk vermogen van de eerste verweerster en wijlen haar echtgenoot; de door de appelrechters vastgestelde elementen die betrekking hebben op de motieven van de voormelde transactie en de beweerde terugbetaling van het kwestieus bedrag verhinderen niet dat dit bedrag diende te worden vermeld met het oog op de samenstelling van de fictieve boedel, zodat het arrest niet naar recht is verantwoord; deze motieven laten het Hof niet toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen gezien hieruit niet blijkt dat de verrichting van 16.000,00 euro geen invloed kon uitoefenen op de samenstelling van de fictieve massa; het arrest dat enkel vaststelt dat de derde verweerster niet betrokken was bij deze transactie, maar niet dat zij niet ervan op de hoogte was, verantwoordt niet naar recht de beslissing dat er onvoldoende bezwaren bestaan tegen de derde verweerster. Grond van niet-ontvankelijkheid van het middel met betrekking tot de eerste en tweede verweersters 2. De eerste en tweede verweersters voeren aan dat het middel wat hen betreft niet ontvankelijk is omdat het opkomt tegen het op de geloofwaardigheid van hun aanvoering gesteunde oordeel over de afwezigheid van bezwaren voor dit onderdeel van de feiten van de telastlegging A en dus tegen een feitelijke beoordeling. 3. Het middel komt wat de eerste en tweede verweersters betreft niet louter op tegen een beoordeling van feiten, maar voert wel aan dat de redenen die het arrest aanneemt om te beslissen tot de afwezigheid van bezwaren voor dit onderdeel van de feiten van de telastlegging A die beslissing niet naar recht verantwoorden. De grond van niet-ontvankelijkheid wordt verworpen. Gegrondheid van het middel met betrekking tot de eerste en tweede verweersters 4. Een boedelbeschrijving als bedoeld in de artikelen 1175 en 1183 Gerechtelijk Wetboek heeft als doel de omvang van een nalatenschap, een gemeenschap of een onverdeeldheid vast te stellen om aldus de basis te vormen voor een latere verdeling. 5. Onder verduistering in de zin van artikel 1183, 11°, Gerechtelijk Wetboek moet worden verstaan iedere daad of iedere nalatigheid die ertoe strekt een goed aan de boedel te onttrekken. 6. De partijen bij een boedelbeschrijving die wordt opgesteld naar aanleiding van een nalatenschap zijn niet alleen ertoe gehouden melding te maken van de goederen die tot het vermogen in de strikte zin van de erflater behoren, maar ook van alle goederen die de erflater hen heeft geschonken, alsook van alle andere verrichtingen die een invloed kunnen hebben op de samenstelling van de boedel, ongeacht de motieven die aan de grondslag van die verrichtingen liggen. De loutere omstandigheid dat een erfgenaam voorhoudt dat een geldbedrag dat kort vóór het overlijden van de erflater aan hem werd gestort, ertoe strekte bepaalde kosten van de open te vallen nalatenschap te dekken, ontslaat de partijen bij een boedelbeschrijving niet ervan hiervan aangifte te doen bij de boedelbeschrijving. 7. Het arrest oordeelt met betrekking tot de niet-opgave van het bedrag van 16.000,00 euro bij de boedelbeschrijving door de eerste en tweede verweersters als volgt: - er wordt door de eiseres gesteld dat er op 12 maart 2012 door de eerste verweerster een schenking van 16.000,00 euro werd gedaan aan de tweede verweerster die niet werd aangegeven bij de boedelbeschrijving; - de eerste en tweede verweersters stellen dat deze gelden, welke werden gestort op de rekening van het echtpaar F.G.-tweede verweerster waren bestemd om de begrafeniskosten en andere kosten ten gevolge van het wellicht nakend over¬lijden van C.S. te ondervangen; - de eerste verweerster had immers schrik dat alle rekeningen bij overlijden van C.S. zouden worden geblokkeerd; - vaststaat dat de eerste verweerster slechts zeer beperkte eigen inkomsten had met een pensioen van 720,70 euro per maand; - uit de rekening van de tweede verweerster blijkt dat er in de periode van 20 september 2012 tot 15 december 2012 een bedrag van 7.000,00 euro terug werd overgeschreven naar de rekening van de eerste verweerster, zo ook een bedrag van 1.000,00 euro door F.G. op 7 november 2012; - de tweede verweerster verklaarde dat de rest van het bedrag in schijven en in contanten werd teruggeven aan de eerste verweerster en dat er voor de rouwmaaltijd 1.026,30 euro werd betaald; - er zijn onvoldoende bezwaren voorhanden om te stellen dat er met het gemeenschappelijk vermogen van de eerste verweerster en C.S. een schenking werd gedaan aan de tweede verweerster die bij de boedelbeschrijving diende te worden vermeld; - de door de eerste en tweede verweersters gegeven uitleg is best geloofwaardig; - dat de begrafeniskosten ten bedrage van 4.208,37 euro werden betaald met de rekening van C.S. doet daaraan geen afbreuk. Op grond van die redenen oordeelt het arrest niet naar recht dat er lastens de eerste en tweede verweersters onvoldoende bezwaren zijn voor de feiten van de telastlegging A en meer bepaald het onderdeel betreffende het bedrag van 16.000,00 euro. In zoverre is het middel gegrond. Gegrondheid van het middel met betrekking tot de derde verweerster 8. Met het oordeel dat de derde verweerster bij de transactie van 16.000,00 euro niet was betrokken, geeft het arrest te kennen dat zij daarvan niet op de hoogte was en in haren hoofde geen opzet kan worden aangenomen. Met die redenen verantwoordt het arrest zonder het Hof te beletten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen de beslissing tot buitenvervolgingstelling van deze verweerster voor dit onderdeel van de feiten van de telastlegging A naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Omvang van de cassatie 9. De vernietiging van beslissing tot buitenvervolgingstelling van de eerste en tweede verweersters voor de feiten van de telastlegging A en meer bepaald het onderdeel betreffende het bedrag van 16.000,00 euro leidt tot de vernietiging van de beslissing om de eiseres te veroordelen tot betaling aan de drie verweersters van een rechtsplegingsvergoeding voor de procedures in eerste aanleg en in hoger beroep, haar veroordeling tot de kosten en haar veroordeling tot betaling van een bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de Juridische Tweedelijnsbijstand, gelet op het nauw verband tussen die beslissingen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het: - door bevestiging van het beroepen vonnis de buitenvervolgingstelling beveelt van de eerste en tweede verweersters voor de feiten van de telastlegging A en meer bepaald het onderdeel betreffende het bedrag van 16.000,00 euro; - de eiseres veroordeelt tot betaling aan de drie verweersters van een rechtsplegingsvergoeding voor de procedures in eerste aanleg en in hoger beroep; - de eiseres veroordeelt tot de kosten en tot een bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de Juridische Tweedelijnsbijstand. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiseres tot twee derden van de kosten van haar cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Bepaalt de kosten in het geheel op 649,77 euro, waarvan 197,01 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 31 mei 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.