ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220517.2N.15
Détails de la décision
🏛️ Hof van Cassatie
📅
🌐 NL
Matière
Strafrecht - Overige
Texte intégral
Nr. P.22.0623.N
T. G.,
persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd,
eiser,
met als raadsman mr. Bram Casier, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8820 Torhout, Lichterveldestraat 36A, waar de eiser woonplaats kiest.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 3 mei 2022.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Middel
Eerste onderdeel
1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 17, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het oordeel dat een heropening van het debat niet nodig is omdat het in het verzoekschrift tot heropening van het debat vermelde gegeven geen wettelijk beletsel is voor de beoordeling van de tenuitvoerlegging van het tegen de eiser afgeleverde Europees aanhoudingsbevel van de Spaanse overheid, is niet regelmatig met redenen omkleed en miskent eisers recht van verdediging; nadat de zaak op de rechtszitting van 29 maart 2022 werd behandeld en in beraad werd genomen, diende de eiser op 25 april 2022 een verzoekschrift tot heropening van het debat in ter griffie, waarin hij, gestaafd met stukken, aanvoerde dat zijn Spaanse raadsman op 4 april 2022 bij de Spaanse overheid een verzoek had ingediend tot overdracht van de strafvordering ten voordele van de Belgische rechtbanken, welk verzoek door de Spaanse overheid op 20 april 2022 in behandeling werd genomen; dit gegeven kan wel degelijk een invloed hebben op de te nemen beslissing; het verzoek tot heropening van het debat strekte er precies toe om hierover tegenspraak te kunnen voeren.
2. De rechter oordeelt in strafzaken in beginsel onaantastbaar over een door een partij ingediend verzoek tot heropening van het debat. De loutere omstandigheid dat het onderzoeksgerecht bij de beoordeling van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel een na het sluiten van het debat neergelegd verzoekschrift tot heropening van het debat verwerpt, houdt dan ook geen miskenning in van het recht van verdediging, noch van de verplichting van dat onderzoeksgerecht om de beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel met redenen te omkleden.
Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
Tweede onderdeel
3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6, 1°, Wet Europees Aanhoudingsbevel: het oordeel dat een heropening van het debat niet nodig is omdat het in het verzoekschrift tot heropening van het debat vermelde gegeven, namelijk eisers tot de Spaanse overheid gerichte verzoek tot overdracht van de strafvordering ten voordele van de Belgische rechtbanken, geen wettelijk beletsel is voor de beoordeling van de tenuitvoerlegging van het tegen de eiser afgeleverde Europees aanhoudingsbevel van de Spaanse overheid, is niet naar recht verantwoord; het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel is ertoe gehouden na te gaan of er geen sprake is van een weigeringsgrond voor die tenuitvoerlegging, met inbegrip van de facultatieve weigeringsgronden, waaronder het geval waarbij de betrokkene in België wordt vervolgd wegens het feit dat aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt.
4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de strafvordering tegen de eiser werd overgedragen aan de Belgische overheid.
In zoverre het onderdeel uitgaat van een overdracht van rechtsmacht aan de Belgische overheid, mist het feitelijke grondslag.
5. Bij toepassing van artikel 17, § 4, eerste lid, Wet Europees Aanhoudingsbevel verricht de kamer van inbeschuldigingstelling die moet oordelen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, de verificaties omschreven in artikel 16, § 1, tweede lid, van die wet, waarbij onder meer wordt nagegaan of de weigeringsgrond van artikel 6, 1°, van diezelfde wet moet worden toegepast. Noch die bepaling, noch enige andere bepaling verplichten de kamer van inbeschuldigingstelling om het resultaat af te wachten van een in het land van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit gevoerde betwisting of om het debat daarom te heropenen.
In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
Ambtshalve onderzoek
6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 80,91 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 17 mei 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.