Aller au contenu principal

ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220517.2N.10

Détails de la décision

🏛️ Hof van Cassatie 📅 🌐 NL

Matière

Strafrecht - Unierecht - Constitutioneel recht

Texte intégral

Nr. P.21.1510.N I E. B., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen 1. REEMTSMA CIGARETTENFABRIKEN GmbH, vennootschap naar Duits recht, met zetel te 22761 Hamburg (Duitsland), Max-Born-Strasse 4, burgerlijke partij, 2. PHILIP MORRIS PRODUCTS sa, vennootschap naar Zwitsers recht, met zetel te 2000 Neuchâtel (Zwitserland), Quai Jeanrenaud 3, burgerlijke partij, 3. PHILIP MORRIS BRANDS sarl, vennootschap naar Zwitsers recht, met zetel te 2000 Neuchâtel (Zwitserland), Quai Jeanrenaud 3, burgerlijke partij, 4. COTY GERMANY GmbH, vennootschap naar Duits recht, met zetel te 55116 Mainz (Duitsland), Rheinstrasse 4E, burgerlijke partij, 5. GROUPE CLARINS, vennootschap naar Frans recht, met zetel te 92200 Neuilly-sur-Seine (Frankrijk), rue Berteaux Dumas 4, burgerlijke partij, 6. GUCCIO GUCCI SpA, vennootschap naar Italiaans recht, met zetel te 50123 Florence (Italië), Via Tornabuoni 73/R, burgerlijke partij, 7. CHANEL, vennootschap naar Frans recht, met zetel te 92200 Neuilly-sur-Seine (Frankrijk), avenue Charles de Gaulle 135, burgerlijke partij, 8. L’OREAL sa, vennootschap naar Frans recht, met zetel te 75008 Parijs (Frankrijk), rue Royale 14, burgerlijke partij, 9. PRADA sa, vennootschap naar Luxemburgs recht, met zetel te L-1118 Luxembourg (Groot Hertogdom Luxemburg), rue Aldringen 23, burgerlijke partij, 10. BURBERRY Ltd, vennootschap naar Engels recht, met zetel te SW1P 2AW Londen (Verenigd Koninkrijk), Horseferry House, Horseferry Road, burgerlijke partij, 11. DIESEL SpA, vennootschap naar Italiaans recht, met zetel te 36042 Breganze (VI) (Italië), Via dell’Industria 4-6, burgerlijke partij, 12. GIORGIO ARMANI SpA, vennootschap naar Italiaans recht, met zetel te 20121 Milaan (Italië), Via Borgonuovo 11, burgerlijke partij, 13. GUERLAIN sa, vennootschap naar Frans recht, met zetel te 75008 Parijs (Frankrijk), avenue des Champs-Elysées 68, burgerlijke partij, 14. JEAN CACHAREL sa, vennootschap naar Frans recht, met zetel te 75009 Parijs (Frankrijk), rue Tronchet 34/36, burgerlijke partij, 15. KENZO sa, vennootschap naar Frans recht, met zetel te 75002 Parijs (Frankrijk), rue Vivienne 18, burgerlijke partij, 16. LVMH FLAGRANCE BRANDS, vennootschap naar Frans recht, met zetel te 92300 Levallois Perret (Frankrijk), rue Anatole France 77, burgerlijke partij, 17. PARFUMS CHRISTIAN DIOR, vennootschap naar Frans recht, met zetel te 75008 Parijs (Frankrijk), avenue Hoche 33, burgerlijke partij, 18. YVES SAINT LAURENT PARFUMS, vennootschap naar Frans recht, met zetel te 75007 Parijs (Frankrijk), rue de Bellechasse 37-39, burgerlijke partij, 19. BELGISCHE STAAT, fod Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen van de provincie Antwerpen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Ellermanstraat 21, Noordster gebouw 10de verdieping, vervolgende partij, verweerders. II M. A., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie Limburg, tegen 1. REEMTSMA CIGARETTENFABRIKEN GmbH, reeds vermeld, burgerlijke partij, 2. PHILIP MORRIS PRODUCTS sa, reeds vermeld, burgerlijke partij, 3. PHILIP MORRIS BRANDS sarl, reeds vermeld, burgerlijke partij, 4. COTY GERMANY GmbH, reeds vermeld, burgerlijke partij, 5. GROUPE CLARINS, reeds vermeld, burgerlijke partij, 6. GUCCIO GUCCI SpA, reeds vermeld, burgerlijke partij, 7. CHANEL, reeds vermeld, burgerlijke partij, 8. PUIG FRANCE sas, vennootschap naar Frans recht, met zetel te 75008 Parijs (Frankrijk), avenue des Champs-Elysées 65-67, burgerlijke partij, 9. L’OREAL sa, reeds vermeld, burgerlijke partij, 10. PRADA sa, reeds vermeld, burgerlijke partij, 11. GAULME, vennootschap naar Frans recht, met zetel te 75003 Parijs (Frankrijk), rue Saint Martin 325, burgerlijke partij, 12. BURBERRY Ltd, reeds vermeld, burgerlijke partij, 13. DIESEL SpA, reeds vermeld, burgerlijke partij, 14. GIORGIO ARMANI SpA, reeds vermeld, burgerlijke partij, 15. GUERLAIN sa, reeds vermeld, burgerlijke partij, 16. JEAN CACHAREL sa, reeds vermeld, burgerlijke partij, 17. KENZO sa, reeds vermeld, burgerlijke partij, 18. LVMH FLAGRANCE BRANDS, reeds vermeld, burgerlijke partij, 19. PARFUMS CHRISTIAN DIOR, reeds vermeld, burgerlijke partij, 20. YVES SAINT LAURENT PARFUMS, reeds vermeld, burgerlijke partij, 21. BELGISCHE STAAT, reeds vermeld, vervolgende partij, verweerders. III K. C. F. D. R., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joke Bleys, advocaat bij de balie Antwerpen. IV 22. M. R. D., beklaagde, 23. S. G., beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Koen Vaneecke, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen 24. GAULME, reeds vermeld, burgerlijke partij, 25. PHILIP MORRIS PRODUCTS sa, reeds vermeld, burgerlijke partij, 26. PHILIP MORRIS BRANDS sarl, reeds vermeld, burgerlijke partij, 27. PUIG FRANCE sas, reeds vermeld, burgerlijke partij, 28. BELGISCHE STAAT, fod Financiën, reeds vermeld, vervolgende partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 4 november 2021. De eiser I doet afstand van zijn cassatieberoep in zoverre gericht tegen de beslissingen op de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders en in zoverre dit geen eindbeslissingen zijn in de zin van artikel 420 Wetboek van Strafvordering. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert geen middel aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eisers IV voeren geen middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen 1. Het arrest verklaart de fiscale vordering van de verweerder I.19-II.21-IV.5 zonder voorwerp. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, zijn de cassatieberoepen van de eisers I, II en IV bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. 2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser I zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweersters I.1 tot en met I.4 en I.6 tot en met I.18, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid voor wat betreft de burgerlijke rechtsvorderingen van deze verweersters, is het cassatieberoep I niet ontvankelijk. 3. De beslissingen betreffende de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweersters II.1 tot en met II.20 zijn geen eindbeslissingen in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen die beslissingen is het cassatieberoep II wegens voorbarigheid niet ontvankelijk. 4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser II zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweersters II.1 tot en met II.4 en II.6 tot en met II.20, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid voor wat betreft de burgerlijke rechtsvorderingen van deze verweersters, is het cassatieberoep II niet ontvankelijk. 5. De beslissingen betreffende de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweersters IV.1 tot en met IV.4 zijn geen eindbeslissingen in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen die beslissingen zijn de cassatieberoepen IV wegens voorbarigheid niet ontvankelijk. Middelen van de eiser I Eerste middel 6. Het middel voert schending aan van de artikelen 324bis en 324ter, § 4, Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser I schuldig aan het misdrijf van leidend persoon van een criminele organisatie; een leidend persoon moet autonome bestuursfuncties uitoefenen; het arrest oordeelt evenwel dat de eiser I onder de hiërarchie van de eiser II stond, aan wie hij rekenschap was verschuldigd; de persoon die onder toezicht staat van een hiërarchie waaraan hij rekenschap is verschuldigd, kan geen leidend persoon zijn zoals bedoeld door die wetsbepalingen. 7. Om overeenkomstig artikel 324ter, § 4, Strafwetboek strafbaar te zijn als leidend persoon van de criminele organisatie volstaat het dat die persoon daarin een leidinggevende functie heeft en dus de werking van die criminele organisatie in zekere mate aanstuurt en controleert. Het is daarbij niet vereist dat hij de enige leidinggevende persoon is van de criminele organisatie noch dat hij in de hiërarchie van de criminele organisatie de hoogste functie heeft, waaraan andere leiders rekenschap verschuldigd zijn. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel 8. Het middel voert schending aan van artikel 3.5 van het Kaderbesluit 2008/675/JBZ van de Raad van 24 juni 2008 betreffende de wijze waarop bij een nieuwe strafrechtelijke procedure rekening wordt gehouden met veroordelingen in andere lidstaten van de Europese Unie (hierna Kaderbesluit 2008/675/JBZ) en van de overwegingen 5, 8 en 9 bij dit Kaderbesluit: de eiser I werd in Duitsland door het Landgericht Hagen bij vonnis van 13 december 2012 wegens beroepsmatige fiscale heling en belastingontduiking veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van vier jaren en drie maanden; het arrest oordeelt ten onrechte dat de door de eiser I gevraagde toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek niet geldt ten aanzien van veroordelingen uitgesproken door strafgerechten van de andere lidstaten van de Europese Unie; artikel 3.5 Kaderbesluit 2008/675/JBZ beoogt immers enkel te vermijden dat de nationale rechter geen enkele straf meer kan opleggen, maar het sluit in het licht van de ratio van de wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen van andere EU-lidstaten geenszins de toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek uit ten aanzien van die beslissingen. Het middel verzoekt vervolgens het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: “Moet artikel 3.5 Kaderbesluit 2008/675/JBZ in samenhang gelezen met de overwegingen 5, 8 en 9 bij dit Kaderbesluit aldus worden uitgelegd dat het enkel beoogt te vermijden dat de tweede rechter geen enkele straf meer zou kunnen opleggen en dat in het licht van de ratio van de wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen gewezen in verschillende EU-lidstaten geenszins de toepassing uitsluit van een nationaal voorschrift dat in geval de eerste en de tweede feiten de uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet enerzijds de nationale rechter ertoe verplicht bij de straftoemeting rekening te houden met de reeds uitgesproken straffen en anderzijds voorziet voor de nationale rechter om, indien de reeds uitgesproken straffen voor een juiste bestraffing van al de misdrijven voor hem voldoende lijken, zich uit te spreken over de schuldvraag en in zijn beslissing te verwijzen naar de reeds uitgesproken straffen, waarbij in beide gevallen het geheel van de straffen die wordt uitgesproken het maximum van de zwaarste straf niet mag te boven gaan?” 9. Artikel 3.1 Kaderbesluit 2008/675/JBZ bepaalt: “Elke lidstaat zorgt ervoor dat in een strafrechtelijke procedure tegen een persoon rekening wordt gehouden met in andere lidstaten tegen de betrokkene uitgesproken, eerdere veroordelingen wegens andere feiten, waarover krachtens de geldende rechtsinstrumenten inzake wederzijdse rechtsbijstand of inzake de uitwisseling van gegevens uit het strafregister informatie is verkregen, zulks voor zover in de lidstaat zelf met eerdere veroordelingen rekening wordt gehouden, en dat aan die andere lidstaten uitgesproken eerdere veroordelingen rechtsgevolgen worden verbonden, gelijkwaardig aan die welke de nationale wetgeving verbindt aan eerdere veroordelingen in de lidstaat zelf.” 10. Artikel 3.5, eerste alinea, Kaderbesluit 2008/675/JBZ bevat een eventueel door het nationaal recht te regelen uitzondering op het in artikel 3.1 geformuleerde principe, namelijk: “Indien het strafbare feit waarover de nieuwe procedure wordt gevoerd, gepleegd is voordat de eerdere veroordeling is uitgesproken of volledig ten uitvoer is gelegd, hebben de leden 1 en 2 niet tot gevolg dat vereist wordt dat de lidstaten hun nationale voorschriften betreffende het opleggen van straffen toepassen, wanneer het toepassen van die voorschriften op in een andere lidstaat uitgesproken veroordeling voor de rechter een beperking zou inhouden bij het opleggen van een straf in de nieuwe procedure.” 11. De tweede alinea van artikel 3.5 Kaderbesluit 2008/675/JBZ bepaalt evenwel: “De lidstaten zien er evenwel op toe dat eerdere, in andere lidstaten uitgesproken veroordelingen door rechters in dergelijke gevallen anderszins in aanmerking kunnen worden genomen.” 12. De overweging 9 bij het Kaderbesluit 2008/675/JBZ licht de regeling van artikel 3.5 als volgt toe: “Artikel 3, lid 5, dient onder andere in het licht van overweging 8 zodanig te worden geïnterpreteerd dat indien de nationale rechter, op grond van een in een andere lidstaat uitgesproken eerdere veroordeling, oordeelt dat een bepaalde strafmaat gezien de omstandigheden van de dader binnen de grenzen van het nationale recht onevenredig hard voor de dader zou zijn en het doel van de sanctie met een lagere straf kan worden bereikt, hij de strafmaat kan verminderen, indien een dergelijke strafmaatvermindering in louter nationale zaken mogelijk zou zijn.” 13. Dit Kaderbesluit werd omgezet in het Belgische recht met de wet van 25 april 2014 ter omzetting van het Kaderbesluit 2008/675/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 24 juni 2008 betreffende de wijze waarop bij een nieuwe strafrechtelijke procedure rekening wordt gehouden met veroordelingen in andere lidstaten van de Europese Unie in het Belgische recht. 14. Als gevolg daarvan bepaalt artikel 99bis Strafwetboek: “De veroordelingen uitgesproken door de strafgerechten van een andere Lid-Staat van de Europese Unie worden in aanmerking genomen onder dezelfde voorwaarden als de veroordelingen uitgesproken door de Belgische strafgerechten en hebben dezelfde rechtsgevolgen als deze veroordelingen. De in het eerste lid vermelde regel is niet van toepassing op het geval bedoeld in artikel 65, tweede lid.” 15. Het tweede lid van artikel 99bis Strafwetboek heeft de in artikel 3.5 Kaderbesluit 2008/675/JBZ bepaalde uitzondering in het Belgische recht omgezet. 16. Uit de wetsgeschiedenis van de omzettingswet van 25 april 2014 blijkt dat de Belgische rechter voor wat betreft de toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek zijn beoordelingsvrijheid behoudt om de straf te bepalen die hij gepast en gerechtvaardigd acht in het licht van de desbetreffende omstandigheden. De wetgever wilde vermijden dat het systematisch in aanmerking nemen van eerdere buitenlandse veroordelingen tot absurde resultaten zou leiden. 17. Met de arresten nr. 6/2020 en nr. 8/2020 van 16 januari 2020 oordeelt het Grondwettelijk Hof met verwijzing naar artikel 3.5 Kaderbesluit 2008/675/JBZ dat het recht van de Europese Unie niet vereist dat de in artikel 65, tweede lid, Strafwetboek bepaalde regels inzake straftoemeting onverkort van toepassing zijn op personen die in een andere lidstaat van de Europese Unie zijn veroordeeld, maar wel dat die veroordelingen op een andere wijze in aanmerking worden genomen. 18. Artikel 3.5 Kaderbesluit 2008/675/JBZ dat gewaagt van “een beperking (…) bij het opleggen van een straf in de nieuwe procedure”, beoogt niet enkel te vermijden dat de nationale rechter geen enkele straf meer kan opleggen in geval van een eerdere veroordeling uitgesproken door een strafgerecht van een andere EU-lidstaat, maar viseert ook nog andere situaties. Volgens die bepaling volstaat het dat de nationale rechter de buitenlandse veroordeling “anderszins” in aanmerking neemt. 19. Uit het voorgaande volgt dat artikel 3.5 Kaderbesluit 2008/675/JBZ zo moet worden uitgelegd dat de Belgische rechter wel degelijk rekening moet houden met een strafrechtelijke veroordeling uit een andere EU-lidstaat, maar niet onder dezelfde voorwaarden als een veroordeling uitgesproken door een Belgisch strafgerecht en dus zonder verplicht te zijn er dezelfde rechtsgevolgen aan te verbinden. Artikel 99bis, Strafwetboek is daarmee in overeenstemming. 20. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 21. Aangezien er geen redelijke twijfel bestaat over de juiste uitlegging van artikel 3.5 Kaderbesluit 2008/675/JBZ wordt de prejudiciële vraag niet gesteld. 22. Het arrest (p. 254-256) oordeelt dat de veroordeling door het Landgericht Hagen van 13 december 2012 op grond van artikel 99bis Strafwetboek uit het toepassingsgebied van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek is gesloten, maar dat dit niet belet dat bij het bepalen van de straf rekening wordt gehouden met de zware straf van vier jaar en drie maanden die door de Duitse justitie aan de eiser I is opgelegd. Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middelen van de eiser III Eerste middel 23. Het middel voert schending aan van artikel 65 Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de feiten waaraan het de eiser III schuldig verklaart niet voortkomen uit eenzelfde opzet waarmee ook de feiten waarvoor hij bij arrest van 21 februari 2018 van het hof van beroep te Antwerpen werd veroordeeld; de omstandigheid dat de feiten niet van dezelfde aard zijn, is niet bepalend om te oordelen of er al dan niet sprake is van eenheid van opzet. 24. De rechter oordeelt onaantastbaar of er eenheid van opzet bestaat tussen de feiten waaraan hij een beklaagde schuldig verklaart en deze waarvoor diezelfde beklaagde bij een eerder in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke beslissing tot straf is veroordeeld. Hij kan de afwezigheid van eenheid van opzet afleiden uit alle hem regelmatig overgelegde feitelijke gegevens, zoals onder meer de verschillende aard van de feiten. 25. Op grond van de reden dat gelet op de volledig verschillende aard van de feiten die het voorwerp uitmaakten van de eerdere beslissing, namelijk diefstal met braak, en de huidige feiten, kunnen de appelrechters wettig oordelen dat ze geen deel uitmaken van eenzelfde strafbaar opzet en dat geen rekening wordt gehouden met de reeds uitgesproken straf bij toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel 26. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat de redelijke termijn is overschreden, maar legt voor het beroepsverbod exact dezelfde straf op als deze die zou worden opgelegd indien er geen overschrijding van de redelijke termijn zou zijn geweest, namelijk de maximumstraf. 27. De rechter bepaalt bij overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting van de zaak het meest passende herstel voor het door de beklaagde hierdoor geleden nadeel. Hij houdt hierbij rekening met de ernst van de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn. Dit meest passende herstel kan bestaan in het uitspreken van de bij wet bepaalde straffen voor zover de rechter al die straffen of een of meerdere van die straffen op een reële en duidelijke wijze vermindert in vergelijking met de straffen die hij zou hebben opgelegd zonder overschrijding van de redelijke termijn. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de remediëring van de overschrijding van de redelijke termijn vereist dat alle aan een beklaagde opgelegde straffen worden verminderd, faalt het naar recht. 28. Het arrest veroordeelt de eiser III tot een hoofdgevangenisstraf van 18 maanden, een geldboete van 3.000,00 euro en een beroepsverbod van 10 jaar en het oordeelt verder: “Zo de redelijke termijn niet overschreden zou geweest zijn, zou het hof van beroep een hoofdgevangenisstraf van 2 jaar, een geldboete van 5.000 euro en een beroepsverbod van 10 jaar hebben opgelegd”. Aldus vermindert het arrest de opgelegde bestraffing ingevolge de overschrijding van de redelijke termijn op een duidelijke en reële wijze en verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 29. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding 30. Ingevolge de hierna uit te spreken verwerping van de cassatieberoepen tegen de beslissingen op de strafvordering, hebben deze beslissingen kracht van gewijsde. De cassatieberoepen ingesteld tegen de beslissingen waarbij de onmiddellijke aanhouding wordt bevolen van de eisers II en IV.1, hebben derhalve geen bestaansreden meer. Dictum Het Hof, Verleent de afstand zoals voormeld. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 1.216,09 euro, waarvan de eisers I, II en III elk 303,20 euro zijn verschuldigd en de eisers IV 306,49 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 17 mei 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.