ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220513.1F.1
Détails de la décision
🏛️ Hof van Cassatie
📅
🌐 NL
Matière
Belastingrecht
Texte intégral
Nr. F.21.0115.F
STAD LUIK, vertegenwoordigd door haar gemeentecollege,
Mr. Gilles Genicot en mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaten bij het Hof van Cassatie,
tegen
LEEN BAKKER BELGIE nv.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 12 februari 2021.
Raadsheer Sabine Geubel heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Middel
Beide onderdelen samen
Het arrest stelt vast dat “de aanhef van de verordening van 28 april 2008 geen specifiek doel vermeldt, zodat het enkel een strikt budgettair doel lijkt na te streven, wat eigen is aan de invoering van een belasting”, en dat “de verordening van 6 september 2010 dat doel dan wel weer uitdrukkelijk vermeldt, aangezien ze erop wijst dat ‘de stad nood heeft aan inkomsten om de uitgaven van haar algemeen beleid en haar opdrachten van openbare dienst te kunnen financieren’”.
Uit het onderzoek van de “zogenaamde ‘beknopte handleiding’ die aan de gemeenteraad werd voorgelegd in het kader van de invoering van de belasting”, leidt het arrest af dat “men de stukken van de [eiseres] niet ernstig zou nemen of de bewijskracht ervan zou miskennen als men ervan zou uitgaan dat de gemeentelijke wetgever niet enkel een strikt financieel doel maar ook andere doelen zou hebben nagestreefd, zoals de bescherming van het milieu, het terugdringen van de afvalberg, het aanmoedigen van gericht adverteren of het ontmoedigen van de folderbedeling” en dat, bijgevolg, “de twee betrokken verordeningen een strikt budgettair doel nastreven”.
De beide onderdelen die geheel uitgaan van de opvatting dat het doel van financiering van de opdrachten van openbare dienst, dat eigen is aan elk gemeentebudget, impliceert dat de eiseres met de invoering van de twee litigieuze verordeningen voorrang heeft gegeven aan een van haar opdrachten van openbare dienst, namelijk het verwerken van het papierafval dat voortkomt uit de bedeling van reclamedrukwerk, zodat de hoeveelheid papier die door de ene of de andere distributiemethode van reclamedrukwerk wordt voortgebracht een relevant criterium van onderscheid zou zijn, maar geen kritiek uitoefent op de beslissing van het arrest dat de twee litigieuze belastingverordeningen enkel met een budgettair doel zijn uitgevaardigd, zonder dat ze daarenboven zouden dienen om de toenemende afvalberg tegen te gaan of de folderbedeling te ontraden, kunnen niet leiden tot cassatie.
Bij gebrek aan belang is geen van de twee onderdelen ontvankelijk.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door sectievoorzitter Christian Storck, als voorzitter, sectievoorzitter Mireille Delange, en de raadsheren Marie-Claire Ernotte, Sabine Geubel en Ariane Jacquemin, en in openbare rechtszitting van 13 mei 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van sectievoorzitter Geert Jocqué en overgeschreven met assistentie van griffier Elien Van Isterdael.