ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220509.3N.6
Détails de la décision
🏛️ Hof van Cassatie
📅
🌐 NL
Matière
Bestuursrecht
Résumé
Uit de tekst en de wetsgeschiedenis van artikel 3.10.4.6.1 VCF blijkt
dat het opschorten van de gedwongen invordering van de belasting, anders
dan wat voor de inkomstenbelastingen in artikel 410 WIB92 is bepaald,
als een mogelijkheid is ingeschreven, zodat de bevoegde e...
Texte intégral
Nr. C.21.0329.N
H.M.,
eiser,
vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de eiser woonplaats kiest,
tegen
OPENBARE VLAAMSE AFVALSTOFFENMAATSCHAPPIJ (afgekort OVAM), met zetel te 2800 Mechelen, Stationsstraat 110, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0842.399.963,
verweerster,
vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 17 februari 2021.
Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 5 april 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd.
De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 12 april 2022 verwezen naar de derde kamer.
Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Vierde onderdeel
1. Artikel 410 WIB92, zoals van toepassing voor de wijziging ervan bij wet van 27 april 2016, bepaalt dat de belasting in geval van bezwaar, van een in artikel 376 bedoelde aanvraag om ontheffing of van een vordering in rechte slechts door middelen van tenuitvoerlegging kan worden ingevorderd, voor zover zij overeenstemt met het bedrag van de aangegeven inkomsten of, wanneer zij ambtshalve werd gevestigd bij niet-aangifte, voor zover zij niet meer bedraagt dan de laatste aanslag welke, voor een vorig aanslagjaar, definitief gevestigd werd ten laste van de belastingschuldige.
2. Artikel 3.8.0.0.1 VCF bepaalt dat de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsook het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing schorsen.
3. Artikel 3.10.4.6.1, eerste lid, VCF bepaalt dat, in geval van bezwaar, van een aanvraag tot ontheffing als vermeld in artikel 3.6.0.0.1, artikel 3.6.0.0.4 en artikel 3.6.0.0.6 of in geval van een vordering in rechte, de gedwongen invordering van de betwiste belastingen en toebehoren opgeschort kan worden totdat de beroepstermijn tegen de administratieve beslissing verstreken is of de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
4. Uit de tekst en de wetsgeschiedenis van artikel 3.10.4.6.1 VCF blijkt dat het opschorten van de gedwongen invordering van de belasting, anders dan wat voor de inkomstenbelastingen in artikel 410 WIB92 is bepaald, als een mogelijkheid is ingeschreven, zodat de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan beslissen om de gedwongen invordering niet op te schorten, ook al betreft het een betwiste belasting.
5. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de tenuitvoerlegging van de ambtelijke aanslag met toepassing van artikel 3.8.0.0.1 VCF wordt geschorst, faalt het naar recht.
6. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de tenuitvoerlegging van de ambtelijke aanslag met toepassing van artikel 3.10.4.6.1 VCF van rechtswege wordt opgeschort, faalt het eveneens naar recht.
7. Het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof berust op onjuiste rechtsopvattingen, zodat het Hof die vraag niet hoeft te stellen.
(…)
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiser op 501,29 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Antoine Lievens, Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 9 mei 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden.