Aller au contenu principal

ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220505.1N.3

Détails de la décision

🏛️ Hof van Cassatie 📅 🌐 NL

Matière

Constitutioneel recht - Burgerlijk recht

Texte intégral

Nr. C.21.0483.N 1. P. V. C., 2. F. V. C., eisers, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist en mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen GEMEENTE SCHOTEN, vertegenwoordigd door haar College van burgemeester en schepenen, met kantoor te 2900 Schoten, Verbertstraat 3, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0206.677.997, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 14 juni 2021. Advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck heeft op 24 maart 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Artikel 16, § 1, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof bepaalt dat de in kracht van gewijsde gegane beslissing van een burgerlijk gerecht, in zoverre zij gegrond is op een bepaling van een wet, een decreet of een in artikel 134 Grondwet bedoelde regel die vervolgens door het Grondwettelijk Hof is vernietigd, of op een verordening ter uitvoering van zodanige norm, geheel of ten dele kan worden ingetrokken op verzoek van degenen die daarbij partij zijn geweest of behoorlijk opgeroepen. Deze intrekking strekt ertoe de legaliteit te herstellen wanneer de vernietiging van een wetsbepaling door het Grondwettelijk Hof de juridische grondslag eraan ontneemt. Hieruit volgt dat de beslissing niet enkel kan worden ingetrokken wanneer de beslissing toepassing heeft gemaakt van de vernietigde norm maar ook wanneer deze steunt op een andere wetsbepaling waarvan de toepassing wordt gedetermineerd door de vernietigde norm. 2. Artikel 2244, § 1, derde lid, Oud Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing op het ogenblik van het arrest van 12 november 2015 waarvan de intrekking wordt gevorderd, bepaalde: “Voor de toepassing van deze afdeling heeft een beroep tot vernietiging van een administratieve handeling bij de Raad van State dezelfde gevolgen ten opzichte van de vordering tot herstel van de schade veroorzaakt door de vernietigde administratieve handeling als een dagvaarding voor het gerecht”. Bij arrest nr. 40/2019 van 28 februari 2019 heeft het Grondwettelijk Hof het woord “vernietigd” in artikel 2244, § 1, derde lid, Oud Burgerlijk Wetboek vernietigd. Hieruit volgt dat een beroep tot vernietiging van een administratieve rechtshandeling op grond van artikel 2244, § 1, derde lid, Oud Burgerlijk Wetboek ten aanzien van de stuiting van de verjaring van de vordering tot herstel van de schade veroorzaakt door deze handeling, dezelfde gevolgen heeft als een dagvaarding voor het gerecht, ongeacht het oordeel van de Raad van State op dit beroep, en deze bepaling steeds geacht wordt deze betekenis te hebben gehad. 3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eisers schadevergoeding vorderden van de verweerster wegens fouten begaan bij de toekenning van vergunningen en medewerking aan bouwovertredingen; - het hof van beroep te Antwerpen bij arrest van 12 november 2015 de vordering van de eisers verjaard verklaarde op grond van artikel 2262bis, tweede lid, Oud Burgerlijk Wetboek; - de eisers eveneens een vordering tot vernietiging van een administratieve rechtshandeling hadden ingesteld bij de Raad van State op 17 april 2001; - de Raad van State deze vordering afwees bij arrest van 27 november 2007. 4. De appelrechters die in deze omstandigheden het verzoek tot intrekking afwijzen omdat het arrest van 12 november 2015 geen melding maakt van artikel 2244 Oud Burgerlijk Wetboek, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 5 mei 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende.