ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220426.2N.2
Détails de la décision
🏛️ Hof van Cassatie
📅
🌐 NL
Matière
Strafrecht - Overige
Texte intégral
Nr. P.21.1624.N
F. L. V. D. W.,
beklaagde,
eiser,
met als raadsman mr. Gino Houbrechts, advocaat bij de balie Limburg.
RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 24 november 2021.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan.
Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd.
BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek: het arrest leidt de schuld van de eiser onder meer af uit het feit dat hij volgens de verklaring van een medebeklaagde op de vlucht zou zijn geslagen door uit de bestelwagen te springen toen men de politie zag staan; het arrest miskent de bewijskracht van die verklaring omdat het iets leest wat niet erin staat, namelijk dat het de eiser was die uit de bestelwagen is gesprongen.
2. Met eigen en van het beroepen vonnis overgenomen redenen oordeelt het arrest onder meer ook dat de betrokken medebeklaagde de eiser heeft geïdentificeerd als een van de twee personen genoemd “Frans en Frans”, die reden met een voertuig overeenstemmend met een op eisers naam ingeschreven VW Caddy, alsook dat de eiser na zijn vermelde vlucht is weggereden met een voertuig dat overeenstemt met een op zijn naam ingeschreven VW Golf. Aldus geeft het arrest van de in het middel vermelde verklaring een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is en schendt het artikel 6 EVRM niet.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Tweede middel
3. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: de redenen waarop de aan de eiser opgelegde straf steunt, zijn gedeeltelijk een kopie van de redenen waarop de aan de medebeklaagde opgelegde straf steunt; voor het overige zijn de respectieve redenen grotendeels dezelfde; het arrest verwart eisers naam zelfs met deze van zijn medebeklaagde; dit is geen toeval of materiële vergissing meer; aldus is eisers straf niet geïndividualiseerd en steunt zij op een stereotype motivering.
4. Krachtens artikel 195, tweede lid, eerste en tweede zin, Wetboek van Strafvordering, dat op grond van artikel 211 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op het hof van beroep, vermeldt het vonnis nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen waarom de rechter, als de wet die aan zijn vrije beoordeling overlaat, een straf of maatregel uitspreekt. Het rechtvaardigt bovendien de strafmaat voor elke uitgesproken straf of maatregel.
5. De rechter die meerdere beklaagden tot straf veroordeelt, kan elk van die veroordelingen steunen op dezelfde redenen, wanneer hij die redenen toepasselijk acht op al die beklaagden. Dit doet geen afbreuk aan het vereiste van de individualisering van de bestraffing en wijst niet op een stereotype motivering.
In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
6. Enkel de redenen van het arrest over het winstbejag van de beklaagden en de in het algemeen door verdovende middelen veroorzaakte problemen zijn gelijk voor de beide beklaagden. Voor het overige steunt het arrest de aan de beklaagden opgelegde bestraffingen op onderscheiden gronden die eigen zijn aan elk van hen.
In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
7. Het enkele feit dat het arrest, ingevolge een kennelijke materiële vergissing, bij de vermelding van de aan de eiser opgelegde bestraffing de naam van de andere beklaagde vermeldt, maakt niet dat eisers straf niet is gesteund op een eigen beoordeling die specifiek op hem betrekking heeft.
8. Met het geheel van de redenen die het arrest (p. 21-23) bevat, is de aan de eiser opgelegde bestraffing regelmatig met redenen omkleed.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
Derde middel
Eerste onderdeel
9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek: het arrest beveelt lastens de eiser de verbeurdverklaring van een wederrechtelijk vermogensvoordeel van 20.000,00 euro en oordeelt daarbij dat de vermogensvoordelen geen eigendom moeten zijn van de veroordeelde dader of in zijn vermogen moeten zijn getreden, noch dat hij zich moet hebben verrijkt, maar dat de verbeurdverklaring kan worden uitgesproken ongeacht het voordeel dat hij uit het misdrijf heeft gehaald of de bestemming die hij later aan de vermogensvoordelen heeft gegeven; de verbeurdverklaring kan enkel slaan op de wederrechtelijke vermogensvoordelen die verband houden met het misdrijf en die in het vermogen van de beklaagde zijn terechtgekomen; de redenering van het arrest impliceert dat geen vermogensvoordeel moet worden aangetoond en dat de verbeurdverklaring een verdoken geldboete is; het arrest oordeelt dat de eiser de feiten heeft gepleegd met het oog op “gemakkelijk geldgewin”, wat strijdig is met de vaststelling dat het wederrechtelijke vermogen kan worden bepaald zonder dat de eiser zich moet hebben verrijkt; zo stelt het arrest bovendien niet het vereiste oorzakelijk verband tussen de verbeurdverklaring en het misdrijf vast; het arrest baseert de verbeurdverklaring ten onrechte op een toekomstige verkoop van verdovende middelen; het Hof dient een marginale toets te doen en na te gaan of de appelrechters uit de door hen gedane vaststellingen geen gevolgen trekken die daarmee onverenigbaar zijn of die niet kunnen worden verantwoord.
10. In zoverre het onderdeel niet preciseert hoe en waarom het arrest artikel 6 EVRM schendt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
11. In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het evenmin ontvankelijk.
12. Artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek is van toepassing ingeval van tegenstrijdige beschikkingen in het dictum van een rechterlijke beslissing en niet ingeval van tegenstrijdigheid tussen de redenen van die beslissing onderling.
13. Bij afwezigheid van gegevens die de rechter toelaten het bedrag aan vermogensvoordelen als bedoeld door artikel 42, 3°, Strafwetboek of de geldwaarde ervan als bedoeld door artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek exact vast te stellen, mag hij dit bedrag ex aequo et bono bepalen, mits daarvoor de gegevens van het strafdossier in aanmerking te nemen die een zo nauwkeurig mogelijke bepaling van de omvang van de vermogensvoordelen of raming van de geldwaarde ervan toelaten. Daarbij kan de rechter zich, voor het berekenen van het vermogensvoordeel verkregen uit de productie van verdovende middelen, baseren op de hoegrootheid van een lading onderschepte drugsprecursoren, ook al zou die onderschepping dateren van na die productie.
14. Een vermogensvoordeel is uit het misdrijf verkregen indien er een causaal verband bestaat tussen dat misdrijf en het vermogensvoordeel. Het is noodzakelijk maar voldoende dat wordt vastgesteld dat het in aanmerking genomen vermogensvoordeel voortkwam uit de wederrechtelijke activiteit.
15. De verbeurdverklaring van een vermogensvoordeel kan worden uitgesproken ongeacht het voordeel dat een beklaagde uit het misdrijf heeft gehaald en ongeacht de bestemming die hij later aan dat vermogensvoordeel heeft gegeven.
16. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
17. Met overname van de redenen van het beroepen vonnis oordeelt het arrest:
- “In tegenstelling tot wat [de eiser] voorhoudt blijkt uit de gegevens van het strafdossier en meer bepaald de vaststellingen van de Nederlandse politie en het NICC-verslag dat er geen sprake is van een toekomstige productie maar dat er reeds amfetamines werden geproduceerd (…)”;
- “Aangezien de rechtbank zich in de onmogelijkheid bevindt om met zekerheid het onweerlegbaar vermogensvoordeel te berekenen, moet het ex aequo et bono worden geraamd”;
- “De vermogensvoordelen die uit de misdrijven zijn verkregen kunnen in totaal op 100.000,00 euro worden geraamd”;
- “De rechtbank is van oordeel dat de beklaagde[n] moet[en] bestraft worden in de mate van het voordeel [dat zij] uit [hun] deelname aan de exploitatie van het drugslabo [hebben] verkregen”;
- “Het bedrag aan vermogensvoordeel dat elke beklaagde uit de ten laste van hem bewezen verklaarde misdrijven geput heeft, wordt in casu voor elke beklaagde naar billijkheid begroot als volgt: -voor [de eiser]: 20.000,00 euro”.
Verder preciseert het arrest met eigen redenen dat bij het bepalen van het vermogensvoordeel op een totaal bedrag van 100.000,00 euro rekening is gehouden met de gedetailleerde berekening van de politiediensten, gesteund op het navolgend proces-verbaal 4913/20, waarbij werd uitgegaan van de verkoop van 90 kg amfetamine aan een gemiddelde groothandelsprijs van 1.100,00 euro/kg.
18. Met die redenen, waaruit niet blijkt dat de verbeurdverklaring lastens de eiser slaat op andere vermogensvoordelen dan deze die hij volgens de appelrechters heeft verkregen ingevolge de reeds gepleegde misdrijven waaraan hij schuldig is verklaard, is de beslissing zonder enige tegenstrijdigheid naar recht verantwoord.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
Tweede onderdeel
19. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering, artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat de vordering tot verbeurdverklaring van het openbaar ministerie verwijst naar het proces-verbaal 4913/20, waaruit blijkt dat de verbeurdverklaring wordt berekend op de inhoud van een vervoer van precursoren en dus op de toekomstige productie van verdovende middelen, terwijl een toekomstige productie niet kan dienen als basis voor een verbeurdverklaring van vermogensvoordelen.
20. Artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek is vreemd aan de aangevoerde grief.
In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
21. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, beantwoordt het arrest eisers verweer en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
Vierde middel
22. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motivering van de rechter: het arrest oordeelt dat eisers veroordeling tot een vierde van de gerechtskosten in eerste aanleg een terechte inschatting is omdat op basis van de inhoud van het strafdossier elk van de vier aanvankelijke beklaagden een vergelijkbaar en noodzakelijk aandeel had in de bewezen verklaarde feiten; dit is strijdig met de reden van het arrest dat eisers rol beperkter was dan de rol van de medebeklaagde in hoger beroep; bovendien beantwoordt het arrest niet eisers verweer dat hij, gelet op zijn beperkte aandeel, maximaal kon worden veroordeeld tot 10 procent van de gerechtskosten.
23. In zoverre het middel niet preciseert hoe en waarom het arrest artikel 6 EVRM schendt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
24. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek, faalt het om de redenen vermeld in het antwoord op het derde middel, eerste onderdeel, naar recht.
25. Het arrest oordeelt niet dat eisers rol in de feiten even groot was als die van de andere aanvankelijke beklaagden, maar enkel dat elk van die beklaagden een vergelijkbaar en noodzakelijk aandeel had in de bewezen verklaarde feiten. Aldus is het arrest niet tegenstrijdig gemotiveerd en beantwoordt het eisers verweer.
In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
26. Voor het overige beantwoordt het arrest met de in het middel vermelde redenen eisers verweer, zonder dat het moet antwoorden op elk tot staving daartoe aangevoerd argument dat geen zelfstandig verweer uitmaakt.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
Ambtshalve onderzoek
27. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Onmiddellijke aanhouding
28. Gelet op de hierna uit te spreken verwerping van het cassatieberoep, verkrijgt het arrest kracht van gewijsde. Bijgevolg heeft eisers cassatieberoep in zoverre gericht tegen de beslissing over de onmiddellijke aanhouding, geen bestaansreden meer.
29. Het vijfde middel, dat uitsluitend betrekking heeft op de beslissing waarbij eisers onmiddellijke aanhouding wordt bevolen, behoeft geen antwoord.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 150,21 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 26 april 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant.