Aller au contenu principal

ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220419.2N.11

Détails de la décision

🏛️ Hof van Cassatie 📅 🌐 NL

Matière

Unierecht - Sociale-zekerheidsrecht - Arbeidsrecht - Overige - Internationaal publiekrecht - Strafrecht - Bestuursrecht - Burgerlijk recht - Constitutioneel recht

Texte intégral

Nr. P.21.1232.N I 1. L. A., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Geert Ampe, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8400 Oostende, Kerkstraat 38, waar de eiser woonplaats kiest, 2. FONAK EOOD, vennootschap naar Bulgaars recht met zetel te 7447 Staro Selishte (Bulgarije), Ul. Patriarh Evitimy 1, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Geert Ampe, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8400 Oostende, Kerkstraat 38, waar de eiseres woonplaats kiest, II F. T. O. F., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Frederik Vanden Bogaerde, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8830 Hooglede, Bruggesteenweg 315, waar de eiser woonplaats kiest. III FONTEYNE & CIE nv, met zetel te 8820 Torhout, Bakvoordestraat 26, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Frederik Vanden Bogaerde, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8830 Hooglede, Bruggesteenweg 315, waar de eiseres woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 2 september 2021. De eisers I voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, acht middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. De eiseres III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 9 maart 2022 ter griffie van het Hof een schriftelijke conclusie ingediend. Op de openbare rechtszitting van 22 maart 2022 heeft raadsheer Antoine Lievens verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen 1. Het arrest spreekt de eisers vrij van de telastlegging D. Het spreekt de eiseres I.2 vrij voor de feiten van de telastleggingen A.1, A.4, B.1, B.4, C.1 en C.4 voor de periode van 23 november 2010 tot en met 12 juli 2012, A.5 en B.5 voor de periode van 23 november 2011 tot en met 12 juli 2012 en C.2 voor de periode van 28 april 2011 tot en met 12 juli 2012. In zoverre ook gericht tegen die beslissingen, zijn de cassatieberoepen van de eisers voor elk wat hen betreft, bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middelen van de eisers I Eerste middel 2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 101, 103 en 181 Sociaal Strafwetboek en de artikelen 4 tot 8, 9bis en 12bis, § 1, 1°, van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels (hierna KB Dimona van 5 november 2002): het arrest oordeelt ten onrechte dat de Dimona-meldingsplicht niet louter een aangelegenheid van Belgisch sociaal zekerheidsrecht betreft en dat de E101- of A1-verklaringen geen bindende gevolgen hebben voor de verplichtingen die door het nationale recht worden opgelegd op andere gebieden dan de sociale zekerheid; het oordeelt ten onrechte dat het ook een instrument van personeelsbeleid en handhaving is en de Dimona-verplichting een hybried karakter heeft; de eisers I werden bijgevolg ten onrechte schuldig verklaard aan de feiten van de telastlegging A. 3. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft met het arrest C-17/19 (Bouyges travaux publics, Elco construct Bucarest, Welbond armatures) van 14 mei 2020 (ro 42-54) geoordeeld dat: - de E101- en A1-verklaringen weliswaar bindende gevolgen hebben, maar dat deze enkel gelden voor de verplichtingen die worden opgelegd door de nationale socialezekerheidswetgevingen waarop de bij verordening nr. 1408/71 en verordening nr. 883/2004 tot stand gebrachte coördinatie betrekking heeft; - de E101- en A1-verklaringen geen bindende gevolgen hebben ten aanzien van de verplichtingen die door het nationale recht worden opgelegd op andere gebieden dan de sociale zekerheid in de zin van de verordeningen nr. 1408/71 en nr. 883/2004, zoals verplichtingen die verband houden met de arbeidsverhou¬ding tussen werkgevers en werknemers, in het bijzonder met de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden voor werknemers; - het staat aan de nationale rechter om vast te stellen of de in de nationale regelgeving neergelegde verplichting tot aanmelding voor indienstneming uitsluitend tot doel heeft te waarborgen dat de betrokken werknemers bij een van de takken van het socialezekerheidsstelsel zijn aangesloten en er dus enkel toe strekt de naleving van de wetgeving ter zake te waarborgen – in welk geval de door het orgaan van afgifte verstrekte E101- en A1-verklaringen in beginsel in de weg zouden staan aan een dergelijke verplichting, dan wel of met deze verplichting tevens, zij het gedeeltelijk, wordt beoogd de doeltreffendheid van de door de bevoegde nationale autoriteiten uitgevoerde controles te waarborgen om ervoor te zorgen dat de in het arbeidsrecht vastgestelde arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden worden nageleefd, in welk geval die verklaringen geen enkele invloed zouden hebben op die verplichting, die namelijk hoe dan ook niet kan leiden tot de aansluiting van de betrokken werknemers bij een van de takken van het socialezekerheidsstelsel. 4. Hieruit volgt dat moet worden onderzocht of de Belgische regelgever met de Dimona-aangifteplicht enkel een socialezekerheidsrechtelijke doelstelling heeft dan wel of hij daarnaast ook beoogt de doeltreffendheid van de door de bevoegde nationale autoriteiten uitgevoerde controles te waarborgen om ervoor te zorgen dat de in het arbeidsrecht vastgestelde arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden worden nageleefd. 5. Artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels bepaalt: “De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, wijzigingen aanbrengen inzake de wijze van de inzameling van de gegevens nodig voor de toepassing van de sociale zekerheid en de fiscaliteit bij de werkgevers en de sociaal verzekerden, waarbij het beheer van de gegevens gebeurt overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, alle nuttige maatregelen nemen om de elektronische inzameling en de kwaliteit van de gegevens te bevorderen en te regelen.” 6. Artikel 4 KB Dimona van 5 november 2002 verplicht de werkgever aan de instelling die belast is met de inning van de socialezekerheidsbijdragen een aantal gegevens mee te delen betreffende de werkgever, de werknemer en zijn tewerkstelling. 7. Het KB Dimona van 5 november 2002 geeft aldus uitvoering aan de voormelde wet. Die regeling heeft in elk geval tot doel te waarborgen dat de betrokken werknemers bij een van de takken van het socialezekerheidsstelsel zijn aangesloten en dus de naleving van de wetgeving ter zake te verzekeren. 8. De Sociale documentenwet verplicht de werkgever bepaalde sociale documenten bij te houden. Die wet beperkt de controledoelstelling van die documenten niet tot specifieke sociale wetten. Bijgevolg is het personeelsregister dat met deze wet wordt verplicht gesteld, bedoeld om zowel de toepassing van de sociale wetten betreffende de sociale zekerheid als die betreffende het arbeidsrecht met inbegrip van de arbeidsreglementering te controleren. 9. Artikel 4, § 1, 1, Sociale documentenwet, zoals gewijzigd door artikel 2, 1°, van de wet van 24 januari 2003 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de veralgemening van de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, bepaalt dat de sociale documenten waarvan het bijhouden door dit besluit is opgelegd, het algemeen personeelsregister en het speciaal personeelsregister zijn. Artikel 4, § 1bis, Sociale documentenwet, zoals gewijzigd door artikel 2, 2°, van de wet van 24 januari 2003 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de veralgemening van de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling bepaalt: “De Koning kan de werkgevers, die de gegevens zoals door Hem bepaald krachtens artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, moeten mededelen aan de instelling, die belast is met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen, overeenkomstig de door de Koning bepaalde nadere regelen, vrijstellen van de verplichting om een algemeen personeelsregister bij te houden voor de werknemers wier gegevens medegedeeld worden.” Artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten bepaalt: “De werkgever die de verplichting heeft om een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling te verrichten krachtens het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, moet enkel een speciaal personeelsregister bijhouden in de gevallen bepaald in onderafdeling 2 van hoofdstuk II.” 10. Uit deze bepalingen volgt dat de Dimona-aangifteplicht het bijhouden van een personeelsregister vervangt. Daaruit moet worden afgeleid dat de regelgever met de invoering van de Dimona-aangifteplicht niet uitsluitend beoogt te verzekeren dat de betrokken werknemers zouden zijn aangesloten bij een sociaalzekerheidsstelsel en de naleving van de ter zake geldende regelgeving, maar daarnaast en dus bijkomend ook als doel heeft de doeltreffendheid te waarborgen van de door de bevoegde nationale autoriteiten uitgevoerde controles betreffende de in het arbeidsrecht vastgestelde arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden. 11. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 12. Met een geheel van redenen oordeelt het arrest (p. 92-95) dat de Dimona-aangifteplicht niet uitsluitend strekt tot het waarborgen van de aansluiting bij een sociaalzekerheidsstelsel en de naleving van de regelgeving ter zake, maar ook een instrument is in het kader van het arbeidsrecht, zodat de door de bevoegde buitenlandse overheid uitgereikte E101- en A1-verklaringen de Dimona-aangifteplicht niet uitsluit. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel 13. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, de artikelen 3bis, 9 en 42, 1°, Loonbeschermingswet en de artikelen 101 en 162, eerste lid, 1°, en tweede lid, Sociaal Strafwetboek, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en de regels inzake bewijs en bewijslast: het arrest oordeelt ten onrechte dat de dagvergoedingen geen onderdeel uitmaken van het loon omdat de eisers I niet aannemelijk maken dat zij de kosten voor de in België tewerkgestelde Bulgaarse werknemers ook effectief hebben betaald; het arrest keert de bewijslast om; het arrest gaat louter uit van veronderstellingen; aldus is de beslissing niet regelmatig met redenen omkleed en niet naar recht verantwoord. 14. Het middel preciseert niet hoe en waarom het arrest de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek schendt of eisers recht van verdediging miskent. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid, niet ontvankelijk. 15. Artikel 2 Loonbeschermingswet bepaalt wat onder loon in de zin van deze wet wordt begrepen. Volgens artikel 2, eerste lid, 1°, Loonbeschermingswet wordt onder loon onder meer begrepen het loon in geld waarop de werknemer recht heeft ingevolge zijn dienstbetrekking of krachtens het gebruik. 16. De rechter oordeelt onaantastbaar of een betaling van een werkgever aan zijn werknemers de tegenprestatie is voor de door de werknemer verrichte arbeid, dan wel of het een vergoeding of terugbetaling betreft voor kosten. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen. 17. Het arrest (p. 96) oordeelt niet enkel zoals in het middel is vermeld, maar ook als volgt: - de eisers I houden ten onrechte voor dat de aan de werknemers betaalde dagvergoedingen moeten worden beschouwd als deel uitmakend van het loon van de werknemers; - de dagvergoeding die aan de Bulgaarse werknemers verplicht diende te worden toegekend, is eigen aan de tewerkstelling in het buitenland, alsmede de Belgisch strafrechtelijk gesanctioneerde cao-verplichting; - deze vergoeding is bedoeld om onder meer de kosten van voedsel, vervoer en andere kleine kosten eigen aan de arbeidsrechtelijke tewerkstelling in het buitenland te dekken en die dus in principe door de werkgever zouden moeten worden gedragen; - de vergoeding wordt betaald voor elke dag dat de werknemer in het buitenland verblijft om de aldaar doorgaans hogere levenskosten te dekken, los van het feit of hij of zij moet werken of niet; - de terugbetaling daarvan maakt vanzelfsprekend geen loon uit, want zij is niet de vergoeding van de werknemer voor de door hem geleverde arbeid; - anders zou aan de betrokken werknemers de economische tegenwaarde van hun arbeid worden onthouden; - zowel naar Belgisch recht als naar Bulgaars recht betreft de kostenvergoeding of de ‘diurna’ aldus een dagvergoeding die in essentie integraal als kostenvergoeding moet worden beschouwd en derhalve niet kan worden meegenomen in de vergelijking met het van toepassing zijnde Belgische loon. Met die redenen, die niet doen blijken van enige omkering van de bewijslast of loutere veronderstellingen, is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 18. Voor het overige komt het middel op tegen overtollige redenen of vereist het een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Derde middel 19. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 12, eerste lid, 1°, a, en 14 Buitenlandse Arbeidskrachtenwet 1999, artikel 2, tweede lid, Strafwetboek en de artikelen 101 en 175, § 1, Sociaal Strafwetboek: aangezien de feiten van de telastlegging C op het ogenblik van het arrest niet meer strafbaar zijn, laat het arrest na de eisers I vrij te spreken; bijgevolg is de beslissing niet regelmatig met redenen omkleed en niet naar recht verantwoord. 20. Uit het legaliteitsbeginsel zoals het is verwoord in artikel 7.1 EVRM, artikel 15.1 IVBPR en artikel 2 Strafwetboek volgt dat indien de wetgever een misdrijfomschrijving heeft gewijzigd na het plegen van het misdrijf, de rechter een beklaagde in beginsel slechts schuldig kan verklaren indien hij vaststelt dat dit misdrijf strafbaar is zowel onder de oude als onder de nieuwe wet. 21. De eisers worden met de telastlegging C vervolgd om bij inbreuk op artikel 175, § 1, Sociaal Strafwetboek, thans artikel 12/1 Buitenlandse Arbeidskrachtenwet 1999, in strijd met die wet, tijdens de periode van 23 november 2010 tot en met 31 december 2013 arbeid te hebben doen of laten verrichten door vier buitenlandse onderdanen die niet waren toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden of tot vestiging in België. 22. Artikel 12/1, § 1, eerste en tweede lid, Buitenlandse Arbeidskrachtenwet 1999 bepaalt: “Met behoud van de toepassing van artikel 269 tot en met 274 van het Strafwetboek wordt de werkgever, zijn lasthebber of een aangestelde gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6000 euro, of met een van die straffen alleen, als hij in strijd met de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan arbeid heeft doen of laten verrichten door een buitenlandse onderdaan die niet is toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden of tot vestiging in België. De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal bij de inbreuk betrokken buitenlandse onderdanen. De vermenigvuldigde geldboete mag evenwel niet meer dan het honderdvoud van de maximumgeldboete bedragen.” 23. Volgens artikel 4, § 1, eerste lid, Buitenlandse Arbeidskrachtenwet 1999 moet de werkgever die een buitenlandse werknemer wenst tewerk te stellen vooraf een arbeidsvergunning hebben verkregen van de bevoegde overheid. Volgens artikel 5 van dezelfde wet moet, om arbeid te verrichten, de buitenlandse werknemer vooraf een arbeidskaart hebben verkregen van de bevoegde overheid. Hij mag deze arbeid enkel verrichten binnen de perken van deze arbeidskaart. Volgens artikel 6 van dezelfde wet is de in artikel 5 bedoelde arbeidskaart niet vereist wanneer de werkgever één der volgende documenten heeft verkregen: 1° een gemeenschappelijke arbeidsvergunning zoals bepaald in artikel 4, § 3; 2° een voorlopige arbeidsvergunning zoals bepaald in artikel 4, § 4. 24. De tewerkstelling van een werknemer zonder te voldoen aan de verplichtingen van de Buitenlandse Arbeidskrachtenwet 1999 is aldus steeds strafbaar gebleven. 25. Volgens artikel 2, 1°, Buitenlandse Arbeidskrachtenwet 1999 moet voor de toepassing van deze wet worden verstaan onder buitenlandse onderdanen en werknemers: de onderdanen en werknemers die niet de Belgische nationaliteit bezitten. Volgens artikel 2, 1°, koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, zoals toepasselijk tijdens de incriminatieperiode, zijn de onderdanen van de Europese Economische Ruimte vrijgesteld van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart. Volgens artikel 38ter van hetzelfde koninklijk besluit zoals toepasselijk tijdens de incriminatieperiode waren de vrijstellingen bedoeld bij artikelen 2, 1°, in de regel niet van toepassing op de onderdanen van onder meer de Republiek Bulgarije. Vanaf de opheffing van deze overgangsmaatregel is voor de tewerkstelling van Bulgaarse onderdanen niet langer een arbeidskaart en arbeidsvergunning vereist. 26. Uit de omstandigheid dat een onderdaan van een ander land tot 31 december 2013 in bezit diende te zijn van een arbeidskaart en de werkgever van een arbeidsvergunning om in België te worden tewerkgesteld, maar vanaf dan een vrijstelling geldt, volgt niet dat de bedoelde feiten na 31 december 2013 niet langer strafbaar zijn. 27. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 28. De overige wetsschendingen zijn afgeleid uit deze vergeefs aangevoerde wetsschendingen en zijn bijgevolg niet ontvankelijk. Vierde middel Eerste onderdeel 29. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 42, 3° en 43bis, eerste en tweede lid, Strafwetboek: het arrest houdt bij de berekening van het wederrechtelijk vermogensvoordeel ten onrechte geen rekening met de dagvergoedingen, die het vermogen van de eisers I hebben verlaten. 30. Het onderdeel is afgeleid uit de vergeefs met het tweede middel aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 31. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 42, 3° en 43bis, eerste en tweede lid, Strafwetboek: het arrest berekent het wederrechtelijk vermogensvoordeel foutief; als de Bulgaren in Bulgarije verblijven gelden de Belgische minimumloonnormen niet; bij het bepalen van de jaarvergoeding kan geen rekening worden gehouden met de maanden van verblijf in Bulgarije. 32. Het arrest stelt niet vast dat om het vermogensvoordeel te berekenen de maanden die de werknemers in Bulgarije verbleven werden meegeteld. Het stelt integendeel vast dat slechts negen maanden loon per kalenderjaar werden berekend omdat de werknemers na drie maanden tewerkstelling telkens één maand naar Bulgarije met vakantie gingen. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Vijfde middel 33. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, en de artikelen 42, 3° en 43bis, eerste en tweede lid, Strafwetboek, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en de regels inzake bewijs en bewijslast: het arrest motiveert niet waarom er dertien weken worden verrekend voor het bepalen van het wederrechtelijk vermogensvoordeel en is aldus niet regelmatig met redenen omkleed noch naar recht verantwoord. 34. Het middel preciseert niet hoe en waarom het arrest de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek schendt of eisers recht van verdediging en de regels inzake bewijs en bewijslast miskent. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid, niet ontvankelijk. 35. Het arrest neemt bij de berekening van het vermogensvoordeel dertien weken in aanmerking per drie maanden van tewerkstelling. Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie is een nadere motivering voor die beslissing niet vereist. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Zesde middel 36. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, en de artikelen 42, 3° en 43bis, eerste en tweede lid, Strafwetboek, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en de regels inzake bewijs en bewijslast: het arrest argumenteert niet waarom het voor de vaststelling van het wederrechtelijk vermogensvoordeel geen concrete feitelijke gegevens in aanmerking neemt, zoals de afwezigheid van personeel wegens ziekte of de effectieve prestaties zoals gebleken uit de tachograafgegevens. 37. Het middel preciseert niet hoe en waarom het arrest de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek schendt of eisers recht van verdediging en de regels inzake bewijs en bewijslast miskent. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid, niet ontvankelijk. 38. Bij afwezigheid van gegevens die de rechter toelaten het bedrag aan vermogensvoordelen als bedoeld door artikel 42, 3°, Strafwetboek of de geldwaarde ervan als bedoeld door artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek exact vast te stellen, mag de rechter dit bedrag ex aequo et bono bepalen, zonder dat die bepaling evenwel willekeurig mag zijn. 39. Het arrest (p. 103) verwijst voor de berekening van het vermogensvoordeel naar de in het strafdossier opgenomen berekening van de sociale inspecteur, zodat deze berekeningswijze in het debat was en de eisers I zich konden verdedigen. Het arrest (p. 105-106) oordeelt betreffende de berekening van de uit de bewezen verklaarde misdrijven verkregen vermogensvoordelen verder als volgt: - de geldwaarde van de vermogensvoordelen dient te worden geraamd en de verbeurdverklaring heeft betrekking op een daarmee overeenstemmend bedrag. Het komt de rechter toe overeenkomstig artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek dit onrechtmatig verkregen vermogensvoordeel soeverein te ramen; - het totale vermogensvoordeel dat door de beklaagden werd genoten, kan niet worden verminderd met de uitgekeerde kostenvergoeding, nu deze laatste vergoeding hoe dan ook aan de Bulgaarse chauffeurs was verschuldigd voor hun tewerkstelling in België; - in werkelijkheid dienden de minimumlonen en deze kostenvergoeding telkenmale aan de chauffeurs te worden betaald; - deze chauffeurs waren immers ver van huis tewerkgesteld en de kostenvergoeding diende tot dekking van de voedselkosten, gebruikelijke uitgaven, alsmede de vervoerkosten binnen de plaats waar zij opereerden (Beernem, België); - het precies verkregen vermogensvoordeel dat door ieder van de drie beklaagden aldus werd verkregen door de criminele constructie is hoegenaamd niet duidelijk of precies in absolute bedragen vast te stellen lastens elk van hen afzonderlijk. Daarvoor zijn er te weinig zekere en vaststaande gegevens aanwezig. Deze vaststelling belet echter niet dat in zulke omstandigheden toch een bepaling naar billijkheid kan worden gemaakt. Met die redenen, die niet doen blijken van enige willekeur, beantwoordt het arrest het door het middel bedoelde verweer zonder dat het diende te antwoorden op elk argument tot staving ervan. Het verantwoordt aldus de lastens de eisers I uitge¬sproken verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Zevende middel 40. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, en artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek, alsmede mis¬kenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en de regels inzake bewijs en bewijslast: het arrest neemt in strijd met het dossier aan dat er in Bulgarije geen stallingsmogelijkheden waren voor de vrachtwagens van de eisers I; het arrest is op dat punt bovendien tegenstrijdig; het stelt vast dat uit stuk 416 van het strafdossier blijkt dat de Bulgaarse autoriteiten bevestigen dat de eiseres I.2 een parkingplaats huurt met een oppervlakte van 205 m², maar het oordeelt anderzijds dat er geen stallingsmogelijkheden in Bulgarije zijn, wat als element wordt aangenomen om te beslissen dat er van een vaste inrichting in Bulgarije geen sprake is, maar enkel van een brievenbusonderneming. 41. Het arrest (p. 30, 53, 62 en 63) oordeelt als volgt: - de bevoegde Bulgaarse autoriteiten bevestigden dat de eiseres I.2 een parkingplaats huurt met oppervlakte 205 m², die is gelegen op adres Dorp Osenets, Strpanskifvor, wijk Meralak; - de maatschappelijke zetel van de Bulgaarse vennootschap is gevestigd te Bulgarije, namelijk 7447 Staro Sellishte, Patriarh Eviutimy 1; - uit het onderzoek, zoals gevoerd door de Belgische opsporingsdiensten blijkt evenwel dat deze maatschappelijke zetel van de eiseres I.2 overeenstemt met het privé-adres van één van de vanuit België tewerkgestelde chauffeurs, namelijk K.S.; - het betrof een woonhuis zonder adequate voorziening om een vrachtwagenonderneming te runnen. Op dat adres konden al evenzeer geen vrachtwagens worden gestald; - er is geenszins sprake van een vaste inrichting in Bulgarije in deze zaak; - er bestond alleen een papieren of louter formele inschrijving van de maatschappelijke zetel, die dan eigenlijk nog maar de privé-woning van een tewerkgestelde chauffeur betrof en waar dus geenszins activiteiten plaatsvonden, terwijl er al evenmin een stallingsmogelijkheid was voor voertuigen/vrachtwagens. Met die redenen oordeelt het arrest niet dat er geen stallingsmogelijkheden waren voor vrachtwagens in Bulgarije, maar enkel dat er geen stallingsmogelijkheid was op het adres van de maatschappelijke zetel. De aangevoerde tegenstrijdigheid bestaat bijgevolg niet. Het middel dat geheel berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Achtste middel 42. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en de regels inzake bewijs en bewijslast en de Salduz-rechten: het arrest oordeelt ten onrechte dat de verhoren door sociaal inspecteurs kunnen plaats vinden zonder bijstand van een advocaat en dat deze verhoren op grond van de redenen die het arrest bevat, kunnen leiden tot effectieve vervolging en gebeurlijke veroordeling van de betrokkenen. 43. Het middel preciseert niet hoe en waarom het arrest de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek schendt of eisers’ recht van verdediging en de regels inzake bewijs en bewijslast miskent. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid, niet ontvankelijk. 44. Een beklaagde kan zich niet beroepen op de miskenning van het recht op bijstand van een advocaat met betrekking tot belastende verklaringen die te zijnen laste zijn afgelegd door een medebeklaagde die voor hem slechts een getuige is, tenzij die medebeklaagde zijn belastende verklaringen intrekt wegens de miskenning van zijn recht op bijstand van een advocaat. Dat recht op bijstand geldt immers enkel in personam omdat een persoon zich daarop slechts kan beroepen wanneer hij wordt verhoord over misdrijven die hem ten laste kunnen worden gelegd. Indien niet blijkt dat de zonder bijstand van een raadsman afgelegde verklaringen van de medebeklaagde werden afgelegd door druk, dwang of foltering, mag de rechter ze wel degelijk betrekken bij de beoordeling van de schuld van een beklaagde. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 45. Uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat de beklaagden werden verhoord door sociaal inspecteurs in de periode van 2014-2016 zonder dat zij de bijstand genoten van een raadsman. Volgens het arrest, zonder dat die vaststelling wordt bekritiseerd, werden de beklaagden daarbij of voorafgaandelijk op hun rechten gewezen. 46. Op het ogenblik van die verhoren voorzag de Belgische wetgeving nog niet in de aanwezigheid van een raadsman tijdens verhoren die niet met vrijheidsberoving gepaard gingen, terwijl de feiten waarop die verhoren betrekking hadden aanleiding konden geven tot een vrijheidsstraf. 47. Het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het bijzonder met het arrest Beuze t/ België van 9 november 2018 vereist dat aan een verdachte bijstand van een advocaat wordt verleend tijdens zijn verhoor door opsporingsambtenaren. Het recht van toegang tot het verhoren houdt in dat de advocaat tijdens het vooronderzoek bij de verhoren fysiek mag aanwezig zijn, wat moet toelaten een effectieve en concrete bijstand te verlenen en erop toe te zien dat het recht van verdediging niet wordt miskend. 48. Dit recht van toegang tot de advocaat kan een verdachte enkel worden ontzegd indien daartoe dwingende redenen zijn. Dat zal slechts uitzonderlijk het geval zijn, die redenen hebben noodzakelijk een tijdelijk karakter en ze kunnen slechts worden aangenomen op grond van een specifieke beoordeling van de omstandigheden van de zaak, zoals de dringende noodzaak om in een bepaalde zaak een ernstige aantasting van het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit te voorkomen. Een beperking van het recht van toegang op een wettelijke en dus algemene, verplichte en systematische basis vormt als dusdanig geen dwingende reden. 49. Een beperking van het recht van toegang tot de advocaat leidt evenwel bij afwezigheid van dwingende redenen niet automatisch tot een schending van artikel 6 EVRM. Het staat aan de rechter te onderzoeken of in het licht van de omstandigheden van de zaak de beperking van het recht van toegang tot de raadsman de eerlijkheid van het proces in zijn geheel beschouwd al dan niet onherstelbaar heeft aangetast. Bij die beoordeling kan onder meer rekening worden gehouden met de volgende elementen, voor zover die van toepassing zijn op de te beoordelen zaak: de bijzondere kwetsbaarheid van de verdachte in het licht van bijvoorbeeld zijn leeftijd of geestelijke mogelijkheden, de wettelijke regeling van het vooronderzoek en de toelaatbaarheid van de bewijzen, de mogelijkheid voor de betrokkene om de authenticiteit van het verzamelde bewijs te betwisten en zich te verzetten tegen het gebruik ervan, de kwaliteit van het bewijs en het al dan niet bestaan van twijfel over hun betrouwbaarheid en de juistheid in het licht van de omstandigheden waarin ze werden verkregen, de aard van de onwettigheid waarmee het bewijs desgevallend werd verkregen en de aard van een eventuele verdragsrechtelijke schending, de aard van verklaringen en het gegeven of ze dadelijk werden ingetrokken of verbeterd, het gebruik van de bewijzen en in het bijzonder of die een overwegend of belangrijk deel van de bewijslast uitmaken waarop de veroordeling is gesteund, alsook het belang van de andere dossierelementen, het belang dat het onderzoek van het misdrijf en de bestraffing van de dader heeft voor de publieke opinie en het bestaan in het interne recht van andere procedurele garanties. 50. Het arrest (p. 38-39) verwerpt de aangevoerde miskenning van de Salduz-rechten onder meer op de volgende gronden: - sociaal inspecteurs hebben niet de mogelijkheid de vrijheid te benemen van de aan hun toezicht onderworpen personen, noch om andere dwangmaatregelen te gebruiken, zodat de aldus aan de sociale inspecteurs toegekende beperkte bevoegdheid op zich niet tot gevolg heeft dat een persoon die door een sociaal inspecteur wordt verhoord, zich in een kwetsbare positie bevindt; - de beklaagden werden in deze zaak nooit van hun vrijheid beroofd, zij konden steeds komen en gaan en op de momenten waarover zij beschikten over de vrijheid van komen en gaan konden zij de bijstand van een raadsman verkrijgen; - het is bovendien in deze zaak nergens aannemelijk gemaakt dat de beklaagden zich tijdens enig verhoor betreffende hen ten laste gelegde misdrijven zich in een bijzonder kwetsbare positie zouden hebben bevonden; - in deze zaak heeft elke beklaagde voor de feitenrechter met de bijstand van een advocaat alle verklaringen die hij nodig achtte, kunnen afleggen en de eerder afgelegde verklaringen kunnen verduidelijken, vervolledigen of intrekken; - het staat aan de feitenrechter om, in zulke omstandigheden en in het licht van het geheel van het proces, na te gaan of de bewijswaarde van alle hem voorgelegde gegevens aangetast is door het enkele feit dat bepaalde verklaringen tijdens het onderzoek afgelegd werden zonder de bijstand van een advocaat en, in voorkomend geval, te beslissen tot de niet toelaatbaarheid of de uitsluiting van deze bewijsmiddelen; - de beklaagden werden ingelicht over hun rechten, hetzij bij de voorafgaande uitnodiging hetzij bij het verhoor hetzij voorafgaand aan het verhoor; - enkel volledigheidshalve wordt bij dit alles nog aangestipt dat de stelling van de eiseres III, als zou er niet kunnen worden nagegaan of de eisers vóór hun verhoor op hun rechten werden gewezen, niet correct is; - de rechten van de beklaagden werden afdoende gerespecteerd zodat er geen sprake kan zijn van enige miskenning van het recht van verdediging; - er worden evenmin aannemelijke en rechtsgeldige redenen aangevoerd om te beslissen tot de onregelmatigheid van de bewijsvoering, die zou kunnen leiden tot bewijsuitsluiting. 51. Uit het arrest blijkt verder dat het zich voor de schuldbeoordeling steunt op de materiële vaststellingen vervat in de processen-verbaal, de door het openbaar ministerie bijgebrachte bewijselementen, de stukken die de partijen zelf aan de appelrechters hebben voorgelegd (p. 47-48), de verklaringen van de Bulgaarse chauffeurs (p. 50 en 54), de vaststelling dat de eiseres I.2 beschikte over een Belgisch bankrekeningnummer op haar naam (p. 57), de vaststelling dat de arbeidsovereenkomsten met de Bulgaarse chauffeurs in België werden ondertekend (p. 69), het aantreffen van zes Bulgaarse chauffeurs in een gebouw in Beernem dat door de eiseres I.2 werd gehuurd (p. 95) en de gegevens van de dienst Vreemdelingenzaken over de verblijfsstatus van de Bulgaarse chauffeurs (p. 99). Daaruit volgt dat de appelrechters weliswaar bij de schuldbeoordeling de verklaringen van de beklaagden, voor elk wat hen betreft, in aanmerking hebben genomen (p. 50 en 51), maar niet dat deze verklaringen bij die schuldbeoordeling een doorslaggevende of voorname rol hebben gespeeld. 52. Het arrest kan dan ook op grond van de redenen die het bevat en waaruit blijkt dat de afwezigheid van de bijstand van een advocaat tijdens de verhoren werd getoetst aan de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria, naar recht oordelen dat geen miskenning van de aangevoerde Salduz-rechten voorligt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middelen van de eisers II en III Eerste middel 53. Het middel voert schending aan van artikel 192 Grondwet, artikel 63 (lees artikel 62) Sociaal Strafwetboek, artikel 31 Taalwet Gerechtszaken en artikel 47bis, § 6, 4°, (lees artikel 47bis, § 1.5, zoals hier toepasselijk) Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat het volstaat dat een tolk de in het decreet van 20 juli 1831 van het Nationaal Congres betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie (hierna decreet van 20 juli 1831) bedoelde eed aflegt; deze eedformule houdt geen verband met de beëdiging als vertaler-tolk; dat volgt ook uit de door de wetgever in de artikelen 556/8 en volgende (lees de artikelen 555/6 en volgende) Gerechtelijk Wetboek bepaalde procedure; aangezien artikel 332 Wetboek van Strafvordering niet toepasselijk is, zoals het arrest terecht aanneemt, is er geen wettelijke eed bepaald om als vertaler-tolk te worden beëdigd; het arrest antwoordt onvoldoende op het desbetreffend verweer van de eisers II en III; in de veronderstelling dat de in het decreet van 20 juli 1831 bepaalde eedformule volstaat, is het niet te begrijpen dat een eedaflegging ter rechtszitting door een tolk zoals bepaald in artikel 332 Wetboek van Strafvordering met meer waarborgen is omringd; aldus is er een ongelijke behandeling; bovendien is de verdediging niet in de mogelijkheid om de tolk te wraken; indien de in artikel 332 Wetboek van Strafvordering bepaalde eedformule noodzakelijk is buiten de context van de vonnisgerechten, dient het arrest zonder meer te worden vernietigd. Ondergeschikt verzoeken de eisers II en III volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schenden artikel 601 van het Gerechtelijk Wetboek juncto het Decreet van 20 juli 1831 art. 10 en 11 Grondwet in de mate dat zij wel mogelijk zouden maken om de hoedanigheid van beëdigd tolk te bekomen en op te treden als dusdanig buiten de context van tolken voor de vonnisgerechten, zonder dat echter een aangepaste eedformule voor vertaler-tolk als voorzien in de context van de procedure voor de vonnisgerechten in art. 332 Sv. is voorzien en zonder dat de verdediging de mogelijkheid heeft om de tolk te wraken, dit terwijl dit wel voorzien is in de procedure voor de vonnisgerechten conform art. 332 Sv.?” “Schendt (oud) artikel 332 Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing tussen publicatie op 17 juni 2003 en 11 januari 2010, art. 10 en 11 Grondwet in die mate dat de eedprocedure voorzien in die procedure ook zou worden toegepast voor de eedaflegging van een vertaler-tolk buiten de context van een concrete zitting in rechte en zonder dus dat aan met name de beklaagde de rechten toegekend in dit artikel zouden worden toegekend?” 54. Volgens artikel 192 Grondwet kan geen eed worden opgelegd dan krachtens de wet. Deze bepaling stelt de eedformule vast. 55. Volgens artikel 601, 1°, Gerechtelijk Wetboek beëdigt de vrederechter alle personen die wegens hun ambt en bediening aan die voorafgaande formaliteit onderworpen zijn, in de gevallen waarin de wet de beëdigende overheid niet uitdrukkelijk heeft bepaald. 56. Artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831 bepaalt: “Al de ambtenaren van de gerechtelijke en de administratieve orde, de officieren van de burgerwacht en van het leger en in het algemeen al de burgers belast met enig openbaar ambt of openbare dienst, moeten, alvorens in dienst te treden, de eed afleggen in de volgende bewoordingen: ”Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgisch volk.” 57. Artikel 31 Taalwet Gerechtszaken, artikel 62 Sociaal Strafwetboek en artikel 47bis, § 1.5, Wetboek van Strafvordering zoals hier van toepassing, voorzien weliswaar in de bijstand van een beëdigd tolk, maar regelen niet de beëdiging zelf. 58. Daaruit volgt dat behoudens afwijkende regeling alle burgers die met een openbare dienst worden belast de door artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831 bedoelde eed moeten afleggen en dat dit ook het geval was voor een tolk die in gerechtszaken een vertaal- of vertolkingsopdracht uitvoert, tenzij hij op de rechtszitting zelf wordt beëdigd. 59. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 60. De rechtstoestand waarin een persoon die met behulp van een beëdigd tolk door een opsporingsambtenaar wordt verhoord tijdens een gerechtelijk- of opsporingsonderzoek valt niet te vergelijken met de rechtstoestand van een beklaagde of een beschuldigde die met behulp van een beëdigd tolk wordt verhoord door de rechter op een rechtszitting, gebeurlijk in aanwezigheid van een rechtsprekende jury. In het eerste geval kunnen na het verhoor betwistingen over de onpartijdigheid van de tolk en de kwaliteit van de vertolking worden voorgelegd aan het onderzoeks- of het vonnisgerecht. In het tweede geval gebeurt de vertolking in aanwezigheid van het rechtscollege dat dadelijk over eventuele betwistingen te oordelen heeft. 61. Er is dan ook geen grond om de voorgestelde prejudiciële vragen te stellen. Tweede middel 62. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 66 en 67 Strafwetboek en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest is tegenstrijdig, minstens onduidelijk gemotiveerd; het verduidelijkt niet of de eisers II en III hetzij als mededader dan wel als medeplichtige worden veroordeeld; de manifeste tegenstrijdigheid door karakterisering als mededader of medeplichtige in het arrest maakt het niet mogelijk dit onderscheid te maken; de in aanmerking genomen elementen zijn onvoldoende om mededaderschap of medeplichtigheid vast te stellen; het arrest stelt niet vast dat de eisers II en III wetens en willens hebben gehandeld; het stelt zelf vast dat de eisers II en III niet wisten hoeveel de werknemers werden betaald; eenzelfde redenering geldt voor de andere telastleggingen; het Belgisch recht bepaalt geen controleplicht in de transportsector over de verloning of Dimona-melding van een werknemer van een andere werkgever die in onderaanneming werkt. 63. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten of opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest, is het niet ontvankelijk. 64. Dader in de zin van artikel 66, eerste lid, Strafwetboek is hij die de constitutieve bestanddelen van het misdrijf in zijn persoon verenigt. Deelnemer in de zin van de artikelen 66, tweede tot en met vierde lid, en 67 Strafwetboek is hij die met opzet aan een misdrijf deelneemt op een bij de wet bepaalde wijze, zonder daarbij het misdrijf in al zijn bestanddelen te plegen, waarbij de mededader essentiële of hoofdzakelijke hulp verleent in de zin van artikel 66, tweede tot en met vierde lid, Strafwetboek en de medeplichtige bijkomstige of nuttige hulp in de zin van artikel 67 Strafwetboek. 65. Het arrest (p. 101) oordeelt als volgt: - het is voldoende dat wordt vastgesteld dat de deelnemer wetens en willens aan de uitvoering van het misdrijf heeft meegewerkt op een van de wijzen bepaald in artikel 66, tweede en derde lid, Strafwetboek; - dit is onmiskenbaar het geval; - de eisers II en III wisten met zekerheid dat zij meewerkten aan misdrijven; - de eiseres III was de enige klant van de eiseres I.2, wier zaakvoerder, de eiser I.1 een werknemer van de eiseres III was, die derhalve onder haar gezag, leiding en toezicht stond; - de eisers II en III leverden de noodzakelijke hulp aan de misdrijven die door de eisers I wetens en willens werden gepleegd; - het staat vast dat de eiseres I.2 gebruik maakte van gebouwen en terreinen die haar door de eiseres III werden verhuurd en van vrachtwagens die eigendom bleven van de eiseres III totdat de volledige koopsom vereffend was, via het leveren van transportdiensten; - de chauffeurs van de eiseres I.2 konden tanken bij de eiseres III en zij beschikten over een DKV-kaart van de eiseres III om te tanken en tol te betalen in het buitenland; - de eiseres III betaalde de facturen voor het onderhoud van de Bulgaarse vrachtwagens; - bij afwezigheid van de eiser I.1 werd hij vervangen door de eiser II, en dit onder meer voor het afleveren en ontvangen van vrachtbrieven en documenten, voor het uitlezen van bestuurderskaarten, voor het uitbetalen van loonvoorschotten; - een werknemer verklaarde ook dat hij bij ziekte de eiser II moest verwittigen; - het voortbestaan van de eiseres I.2 stond of viel bijgevolg met de opdrachten die zij van de eiseres III toevertrouwd kreeg, zodat de telastleggingen ook aan deze en haar aangestelde of lasthebber, de eiser II toerekenbaar zijn. 66. Met die redenen en zonder enige tegenstrijdigheid of onduidelijkheid, ondanks de door het arrest gebruikte terminologie bij de abstracte omschrijving van de toerekenbaarheidsvereiste, oordelen de appelrechters dat de eisers II en III schuldig zijn als mededader in de zin van artikel 66, tweede en derde lid, Strafwetboek aan de hen ten laste gelegde feiten en dat zij hun medewerking aan die feiten wetens en willens hebben verleend. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel Eerste onderdeel 67. Het onderdeel voert schending aan van artikel 181 Sociaal Strafwetboek en de artikelen 4 en 8 KB Dimona van 5 november 2002: de telastlegging A betreft wel degelijk de sociale zekerheid; het arrest oordeelt ten onrechte dat de Dimona-aangifte ook is bedoeld voor de controle van de harde kern van de arbeidsrechtelijke detacheringsverplichtingen, die dus bestaan buiten de regels inzake de sociale zekerheid; het arrest vergeet weliswaar dat hiervoor de Limosa-aangifteverplichting bestaat, zoals bepaald in het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8 van Titel IV van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen; indien anders wordt geoordeeld, betekent dit dat de Koning de grenzen van het door artikel 38 van de voormelde wet van 26 juli 1996 gegeven mandaat is te buiten gegaan en dit koninklijk besluit onwettig is wegens machtsoverschrijding en niet kan worden toegepast; het feit dat de Dimona-plicht moet worden gehandhaafd, zegt niets over het karakter van deze plicht; het sociaal handhavingsrecht, zo dit bestaat, is ingebed in het sociale zekerheidsrecht; net omdat de Dimona-aangifte stamt uit de sociale zekerheid, dient zij dan ook te worden gehandhaafd. 68. In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het eerste middel van de eisers I is het om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen te verwerpen. 69. Uit het antwoord op het eerste middel van de eisers I volgt dat het oordeel dat de Dimona-aangifteplicht ook de controle beoogt van de toepassing van het Belgisch arbeidsrecht niet rechtstreeks is gegrond op het KB Dimona van 5 november 2002 zelf, maar wel op de artikelen 4, § 1, 1, en § 1bis, Sociale documentenwet, zoals gewijzigd respectievelijk ingevoegd door artikel 4 van de wet van 24 januari 2003 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de veralgemening van de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, en artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 70. De omstandigheid dat een buitenlandse werkgever in beginsel verplicht is een met de Dimona-aangifteplicht vergelijkbare voorafgaande mededeling te doen voor gedetacheerde werknemers, zoals ingevoerd met de artikelen 137 en volgende van de Programmawet (I) van 27 december 2006, de zogenaamde Limosa-aangifte, verplichting waarvan, krachtens artikel 1, 1°, van het voormelde koninklijk besluit van 20 maart 2007, de werknemers tewerkgesteld in de sector van het internationaal vervoer van personen of goederen, bovendien zijn uitgesloten tenzij deze werknemers cabotageactiviteiten op het Belgisch grondgebied verrichten, doet niets af aan de doelstellingen van de Dimona-aangifteplicht. In zoverre kan het onderdeel evenmin worden aangenomen. Tweede onderdeel 71. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 5.11 en 12 van de Verordening (EG) 1071/2009 van 21 oktober 2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad (hierna Verordening (EG) nr. 1071/2009), de artikelen 3, 4 en 13 van de Verordening (EG) 1072/2009 van 21 oktober 2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg en artikel 13.1 van de Verordening (EG) nr. 883/2004 van 29 april 2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels: het arrest onderkent niet dat het verkregen bewijs van het bestaan van een reële en duurzame vestiging onweerlegbaar is, nu enkel de lidstaat van uitgifte bevoegd is voor de sanctionering van eventuele inbreuken en de intrekking van de vervoersvergunning; het onderkent niet de verbinding tussen het daarin gehanteerde zetelbegrip en het begrip reële en duurzame vestiging uit Verordening (EG) nr. 1071/2009; indien het Hof aanneemt dat de telastlegging A de sociale zekerheid betreft, dan schendt het arrest ook de voormelde verordeningsbepalingen; het Hof moet dan ook aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gelijkaardige prejudiciële vragen stellen zoals in de zaken P.21.0738.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.7 en P.21.0332.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5 ; minstens moet worden gewacht op het antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Unie op die vragen. 72. Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat de telastlegging A betrekking heeft op de niet-naleving van een verplichting die deels ook het toezicht op de naleving van het arbeidsrecht omvat. Het onderdeel dat is afgeleid uit de met dat onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheden, is niet ontvankelijk. 73. De gesuggereerde prejudiciële vragen hebben geen betrekking op het toepasselijke arbeidsrecht en moeten bijgevolg niet worden gesteld. Vierde middel 74. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 3, zevende lid, van de Richtlijn 96/71/EG van 16 december 1996 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten, artikel 149 Grondwet, de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, de artikelen 3bis, 9 en 42, 1°, Loonbeschermingswet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering, artikel 1138 Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 101, 103 en 162, 1°, Sociaal Strafwetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: met zijn oordeel over het in aanmerking nemen van de dagvergoedingen als loon, verschuift het arrest de bewijslast naar de verdediging; het oordeel van het arrest dat de dagvergoedingen als zijnde pure kostenvergoedingen geen deel uitmaken van het loon, is op geen enkele wijze onderbouwd, de aangehaalde redenen zijn onvoldoende en tegenstrijdig; er is geen daadwerkelijk onderzoek gebeurd naar de aard van die vergoeding naar Bulgaars recht. 75. Het middel preciseert niet de aangevoerde tegenstrijdigheid. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid, niet ontvankelijk. 76. In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het tweede middel van de eisers I is het om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen te verwerpen. 77. Met de redenen vermeld in het antwoord op het tweede middel van de eisers I onderzoekt het arrest of de bedoelde diurna een deel van het loon vertegenwoordigen, dan wel een kostenvergoeding zijn, zowel naar Belgisch als naar Bulgaars recht, om te besluiten dat het om een kostenvergoeding gaat, zonder daarbij enige bewijslast op te leggen aan de eiser II. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 78. Voor het overige vereist het middel een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk. Vijfde middel 79. Het middel voert schending aan van artikel 2, tweede lid, Strafwetboek en artikel 2.9° van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers (hierna KB Buitenlandse Arbeidskrachten) zoals dit ten tijde van de feiten van toepassing was: het arrest verklaart ten onrechte de eisers II en III schuldig aan de telastlegging C; het arrest oordeelt in strijd met artikel 2.9° KB Buitenlandse Arbeidskrachten ten onrechte dat de betrokken Bulgaarse werknemers hadden moeten beschikken over een arbeidskaart; het arrest oordeelt ten onrechte dat de regel van de mildste straf hier niet kan worden toegepast, omdat artikel 2, tweede lid, Strafwetboek geen betrekking heeft op het bestaan van het misdrijf zelf; het steunt dat oordeel ten onrechte op de reden dat de aan de eisers II en III ten laste gelegde feiten betrekking hebben op een periode waarin het misdrijf ten aanzien van Bulgaarse onderdanen nog bestond en aan de strafmaat inmiddels niets is gewijzigd. 80. Krachtens artikel 2.9° KB Buitenlandse Arbeidskrachten, zoals hier toepasselijk, zijn vrijgesteld van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart, het rijdend of varend personeel dat voor rekening van een in het buitenland gevestigde werkgever tewerkgesteld is aan werken van vervoer ter land, ter zee of in de lucht op voorwaarde dat hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt. 81. Het arrest stelt niet vast dat het bedoelde personeel voor rekening van een in het buitenland gevestigde werkgever tewerkgesteld is, maar oordeelt in tegendeel dat de werkgever in België is gevestigd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 82. Voor het overige heeft het middel dezelfde strekking als het derde middel van de eisers I en is het om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen te verwerpen. Zesde middel van de eiseres III 83. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 42 en 43bis Strafwetboek: het arrest beantwoordt met betrekking tot de bepaling van het verbeurdverklaarde bedrag onvoldoende het verweer van de eiseres III over het in aanmerking nemen van de dagvergoedingen als loon; het laat na die vergoedingen in aanmerking te nemen als loon; door naar billijkheid de vermogensvoordelen in drie te verdelen, beantwoordt het arrest niet het verweer van de eiseres III; een dergelijke verdeling met de natte vinger houdt een schending in van artikel 42 Strafwetboek; door een dergelijke verdeling kan er geen sprake meer zijn van een rechtstreeks vermogensvoordeel omdat elk oorzakelijk verband tussen de verbeurdverklaarde som en het beweerde maar niet bepaalde vermogensvoordeel wordt verbroken. 84. In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het eerste onderdeel van het vierde middel van de eisers I, is het om de in het antwoord op dat onderdeel vermelde redenen te verwerpen. 85. Met rechtstreekse vermogensvoordelen worden die vermogensvoordelen bedoeld die, anders dan de vervangingsgoederen of de opbrengsten uit belegde voordelen, zonder enige omzetting uit een misdrijf zijn verkregen. Het begrip rechtstreeks voordeel houdt geen verband met de verdeling van de vermogensvoordelen tussen de daders en deelnemers van een misdrijf. 86. Bij afwezigheid van gegevens die de rechter toelaten exact te bepalen in welke mate de daders of deelnemers van een misdrijf het daaruit gegenereerd vermogensvoordeel als bedoeld door artikel 42, 3°, Strafwetboek hebben verkregen, mag de rechter die bedragen ex aequo et bono bepalen, zonder dat die bepaling evenwel willekeurig mag zijn. 87. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 88. Het arrest (p. 106-107) oordeelt als volgt: - mede door de globale bedrieglijke structuren die de eiseressen I.2 en III aldus in economisch, vennootschapsrechtelijk en sociaal opzicht, gedurende jaren in stand hebben gehouden door het herhaald stellen van wederzijdse handelingen en het sluiten van allerlei overeenkomsten, werden de wettelijke minimumlonen dan ook niet in aanmerking genomen bij de bepaling van de bedragen die door de eiseres I.2 en haar zaakvoerder de eiser I.1, alsook door de eiseres III met tussenkomst van de eiser II voor zogenaamde diensten wederzijds werden gefactureerd; - aldus heeft de eiseres III ontegensprekelijk en boven elke redelijke twijfel verheven een belangrijk vermogensvoordeel genoten door het opzetten van en medewerken aan het in stand houden van deze globale bedrieglijke constructie; - het precieze vermogensvoordeel dat door ieder van de drie beklaagden werd verkregen door het opzetten van de criminele constructie is hoegenaamd niet duidelijk of precies in absolute bedragen vast te stellen voor elk van hen afzonderlijk; - daarvoor zijn er te weinig zekere en vaststaande gegevens aanwezig; - deze vaststelling belet echter niet dat de appelrechters in zulke omstandigheden toch een bepaling naar billijkheid kunnen maken; - de eisers I zijn als dusdanig elk een derde van deze totale som verschuldigd en de eiseres III het resterende derde; - de vordering zoals door het openbaar ministerie is bepaald, is dan ook toewijsbaar. Met die redenen, die niet doen blijken van enige willekeur, beantwoordt het arrest het door het middel bedoelde verweer en verantwoordt het de lastens de eiseres III uitgesproken verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 89. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 507,72 euro, waarvan de eisers I, eiser II en eiseres III elk 169,24 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 19 april 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.