Aller au contenu principal

ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220413.2N.4

Détails de la décision

🏛️ Hof van Cassatie 📅 🌐 NL

Matière

Strafrecht - Burgerlijk recht - Overige - Internationaal publiekrecht

Résumé

Uit de bepalingen van de artikelen 16, § 1, tweede lid, 21, § 4, en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet volgt dat de hechtenis onder elektronisch toezicht een vrijheidsberovende maatregel inhoudt die moet worden beschouwd als een uitvoeringsmodaliteit van de voorlopige hec...

Texte intégral

Nr. P.22.0459.N B. D., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. John Maes, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Mechelsesteenweg 271/8.1, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 29 maart 2022. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet: het oordeel dat de openbare veiligheid ook op afdoende wijze kan worden beschermd en de eiser in vrijheid kan worden gesteld indien hij de in het arrest bepaalde voorwaarden naleeft en de erin bepaalde borgsom betaalt en dat dit meer van aard is om het gevaar op recidive, collusie en vlucht te ondervangen, is niet regelmatig met redenen omkleed; het arrest antwoordt aldus niet op eisers conclusie, waarin hij had verzocht om de voorlopige hechtenis te laten uitvoeren onder de modaliteit van het elektronisch toezicht; de appelrechters motiveren ook niet waarom het opleggen van voorwaarden en een borgsom meer garanties zou bieden om het gevaar op recidive, collusie en vlucht te ondervangen dan een elektronisch toezicht. 2. Volgens artikel 16, § 1, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet beslist de onderzoeksrechter of het bevel tot aanhouding moet worden uitgevoerd ofwel in een gevangenis, ofwel door een hechtenis onder elektronisch toezicht, waarbij de uitvoering van de hechtenis onder elektronisch toezicht inhoudt dat de betrokkene, met uitzondering van toegestane verplaatsingen, overeenkomstig de door de Koning nader bepaalde regels voortdurend op een bepaald adres moet verblijven. Ook het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de noodzakelijkheid van de handhaving van de voorlopige hechtenis, dient bij toepassing van de artikelen 21, § 4, en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet in voorkomend geval na te gaan onder welke modaliteit de handhaving van de voorlopige hechtenis moet worden uitgevoerd. 3. Uit die bepalingen volgt dat de hechtenis onder elektronisch toezicht een vrijheidsberovende maatregel inhoudt die moet worden beschouwd als een uitvoeringsmodaliteit van de voorlopige hechtenis. 4. De in artikel 35 Voorlopige Hechteniswet bedoelde invrijheidstelling onder voorwaarden en invrijheidstelling die afhankelijk wordt gesteld van de voorafgaande en volledige betaling van een borgsom houden alternatieve maatregelen in voor de voorlopige hechtenis en de ermee gepaard gaande vrijheidsberoving. De vrijheidsbeperkingen die met die alternatieve maatregelen gepaard gaan, zijn uit hun aard minder ingrijpend dan de vrijheidsberoving die voortvloeit uit de voorlopige hechtenis, onder welke modaliteit die ook wordt uitgevoerd. Het onderzoeksgerecht dat oordeelt dat de inverdenkinggestelde in vrijheid kan worden gesteld onder de voorwaarden die het bepaalt en mits hij voorafgaand een bepaalde borgsom betaalt, dient dan ook niet te antwoorden op de conclusie van de inverdenkinggestelde waarin deze om de uitvoering van de voorlopige hechtenis onder de modaliteit van het elektronisch toezicht verzoekt, en is er niet toe gehouden te motiveren waarom die alternatieve maatregelen meer geschikt zijn dan een hechtenis onder elektronisch toezicht om het recidive-, collusie- en vluchtgevaar te neutraliseren. 5. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel Eerste onderdeel 6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 35, § 1, § 2, § 4, en § 5, Voorlopige Hechteniswet: de beslissing om de eiser in vrijheid te stellen indien hij de in het arrest bepaalde voorwaarden naleeft en de erin bepaalde borgsom betaalt, is niet regelmatig met redenen omkleed; de loutere overweging dat die maatregelen volstaan om de openbare veiligheid te beschermen en van aard zijn om het gevaar op recidive, collusie en vlucht te ondervangen, voldoet niet aan de motiveringsverplichting die geldt bij een invrijheidstelling onder voorwaarden. 7. Krachtens artikel 35, § 1, en § 5, Voorlopige Hechteniswet kunnen de onderzoeksgerechten ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de verdachte, de betrokkene in vrijheid laten onder oplegging van een of meer voorwaarden voor de tijd die zij bepalen en maximum voor drie maanden, welke beslissing bij toepassing van artikel 35, § 2, Voorlopige Hechteniswet met redenen omkleed moet zijn zoals bepaald in artikel 16, § 5, eerste en tweede lid, van diezelfde wet. Paragraaf 3 van het voormelde artikel 35 bepaalt dat de voorwaarden betrekking moeten hebben op een van de redenen genoemd in artikel 16, § 1, vierde lid, en daaraan aangepast zijn, in acht genomen de omstandigheden van de zaak. Bij toepassing van paragraaf 4 van datzelfde artikel kan de rechter de invrijheidstelling ook afhankelijk stellen van de voorafgaande en volledige betaling van een borgsom, waarvan hij het bedrag bepaalt. 8. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite welke voorwaarden noodzakelijk zijn, gelet op de redenen vermeld in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet, zonder dat hij ertoe gehouden is elke voorwaarde afzonderlijk te motiveren. Zo ook oordeelt de rechter onaantastbaar over de vraag of een invrijheidstelling tegen betaling van een borgsom een voldoende alternatief is voor de verdere vrijheidsbeneming. 9. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 10. Het arrest oordeelt dat de openbare veiligheid ook op afdoende wijze kan worden beschermd en de eiser in vrijheid kan worden gesteld indien hij de in het arrest bepaalde voorwaarden naleeft en de erin bepaalde borgsom betaalt en dat dit meer van aard is om het gevaar op recidive, collusie en vlucht te ondervangen. Met die redenen is de beslissing om de eiser in vrijheid te stellen indien hij de in het arrest bepaalde voorwaarden naleeft en de erin bepaalde borgsom betaalt, regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 35, § 1, § 2, en § 4, Voorlopige Hechteniswet: de beslissing om de eiser in vrijheid te stellen indien hij de in het arrest bepaalde voorwaarden naleeft en de erin bepaalde borgsom betaalt, is niet naar recht verantwoord; de appelrechters beschouwen de borgsom ten onrechte als een voorwaarde, aangezien een borgsom moet worden betaald vóór de invrijheidstelling, terwijl voorwaarden moeten worden nageleefd na de invrijheidstelling; de borgsom strekt ertoe om de verschijning van de inverdenkinggestelde bij de proceshandelingen en de uitvoering van een gebeurlijke vrijheidsstraf te waarborgen, maar niet om recidive-, collusie- en vluchtgevaar te voorkomen; de borgsom kan dan ook niet worden gekoppeld aan de invrijheidstelling onder voorwaarden. 12. Het arrest beschouwt de borgsom niet als een voorwaarde in de zin van artikel 35, § 1, Voorlopige Hechteniswet. Na de bepaling van de voorwaarden en na de bepaling van het bedrag van de borgsom, beveelt het arrest (p. 22) immers “na betaling van de borgsom” de onmiddellijke invrijheidstelling van de eiser zo deze niet om andere redenen is aangehouden. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 13. De in artikel 35, § 1, Voorlopige Hechteniswet bedoelde invrijheidstelling onder voorwaarden en de in paragraaf 4 van dat artikel bedoelde invrijheidstelling die afhankelijk wordt gesteld van de voorafgaande en volledige betaling van een borgsom, kunnen gelijktijdig worden opgelegd. De omstandigheid dat de in artikel 35, § 4, Voorlopige Hechteniswet bedoelde borgsom moet worden betaald vóór de invrijheidstelling terwijl de in paragraaf 1 van dat artikel bedoelde voorwaarden moeten worden nageleefd na de invrijheidstelling, doet hieraan geen afbreuk. 14. Bij de beoordeling van de vraag of de invrijheidstelling tegen betaling van een borgsom een voldoende alternatief is voor de verdere vrijheidsbeneming, dient de rechter onder meer na te gaan of de doelstelling van de voorlopige hechtenis en met name de vrijwaring van de openbare veiligheid ook door die alternatieve maatregel kan worden verwezenlijkt. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat de invrijheidstelling tegen betaling van een borgsom ook tot doel heeft de betrokkene ertoe aan te zetten na zijn invrijheidstelling te verschijnen bij de proceshandelingen of om zich aan te bieden voor de tenuitvoerlegging van de beslissing. 15. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 16. Na te hebben geoordeeld dat het openbaar ministerie terecht stelt dat de handhaving van de voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk voorkomt voor de openbare veiligheid en ter preventie van het risico op recidive, collusie en onttrekking, en na te hebben vastgesteld dat de eiser om de uitvoering van de hechtenis onder de modaliteit van het elektronisch toezicht verzoekt, oordeelt het arrest dat de openbare veiligheid echter ook op afdoende wijze kan worden beschermd en de eiser derhalve in vrijheid kan worden gesteld indien deze de in het arrest nader bepaalde voorwaarden naleeft alsook de in het arrest nader bepaalde borgsom betaalt. Met die redenen verantwoordt het arrest naar recht zowel de beslissing tot invrijheidstelling van de eiser mits deze overgaat tot een voorafgaande en volledige betaling van die borgsom, als de beslissing om bij de invrijheidstelling aan de eiser voorwaarden op te leggen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 17. In zoverre het onderdeel opkomt tegen het oordeel van het arrest dat de opgelegde voorwaarden en de opgelegde borgsom meer van aard zijn om het gevaar op recidive, collusie en vlucht te ondervangen, kan het niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk. Derde onderdeel 18. Het onderdeel voert schending aan van artikel 35, § 4, eerste en tweede lid, Voorlopige Hechteniswet: de beslissing dat de eiser in vrijheid kan worden gesteld mits hij een borgsom van 100.000,00 euro betaalt, is niet regelmatig met redenen omkleed; hoewel de eiser in zijn conclusie duidelijk heeft aangegeven dat hij niet in de mogelijkheid was de borgsom te betalen, motiveert het arrest niet waarom een borgsom wordt opgelegd; het arrest motiveert ook niet op grond waarvan de hoegrootheid van de borgsom wordt bepaald; in zoverre de borgsom wordt bepaald op grond van het in artikel 35, § 4, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet bedoelde criterium, specificeert het arrest niet op grond van welke vermoedens wordt aangenomen dat gelden of waarden afkomstig van het misdrijf in het buitenland zijn geplaatst ofwel verborgen gehouden. 19. Het arrest verantwoordt het opleggen van een borgsom en de bepaling van de omvang ervan niet op het vermoeden dat gelden of waarden afkomstig van het misdrijf in het buitenland zijn geplaatst ofwel verborgen gehouden. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 20. De rechter oordeelt onaantastbaar over het bedrag van de in artikel 35, § 4, Voorlopige Hechteniswet bedoelde borgsom, rekening houdend met de in dat artikel bedoelde criteria. Bij afwezigheid van een conclusie dient de rechter die de invrijheidstelling tegen betaling van een borgsom oplegt niet vast te stellen dat de inverdenkinggestelde in staat is deze te betalen, en dient hij niet de criteria te vermelden op grond waarvan hij de omvang van de borgsom bepaalt. De loutere bewering in de conclusie van de inverdenkinggestelde dat hij eerder niet in staat was een borgsom te betalen, verplicht de rechter niet ertoe zijn beslissing in dit verband nader te motiveren. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 21. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, met name uit de conclusie die de eiser op de rechtszitting van de kamer van inbeschuldigingstelling heeft neergelegd, blijkt dat de eiser heeft aangevoerd dat hij in het verleden “enkele malen” in vrijheid werd gesteld onder voorwaarden en tegen borgsom, maar dat hij “niet in de mogelijkheid [was] de opgelegde borgsom te betalen”. Die enkele aanvoering verplichtte de kamer van inbeschuldigingstelling niet ertoe uitdrukkelijk vast te stellen dat de eiser in staat is om de in het arrest bepaalde borgsom te betalen, noch om uitdrukkelijk de criteria te vermelden op grond waarvan de omvang van de borgsom wordt bepaald. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Vierde onderdeel 22. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM en artikel 35, § 1, Voorlopige Hechteniswet: door de invrijheidstelling onder voorwaarden afhankelijk te stellen van de voorafgaande betaling van een borgsom, legt het arrest een voor de eiser onmogelijk voorwaarde op; de eiser is immers niet in staat de borgsom te betalen, zodat de kamer van inbeschuldigingstelling, door de omvang van de borgsom dermate hoog te leggen, de voorlopige hechtenis van de eiser in de gevangenis bestendigt. 23. Artikel 5.3 EVRM waarborgt het recht van de van zijn vrijheid beroofde beklaagde om binnen een redelijke termijn te worden berecht of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld. Het bepaalt dat de invrijheidstelling afhankelijk kan worden gesteld van een waarborg voor de verschijning van de betrokkene op de rechtszitting. Daaruit volgt evenwel geen absoluut recht op invrijheidstelling tegen betaling van een borgsom. Het staat aan de rechter te oordelen of de doelstellingen van de voorlopige hechtenis zo kunnen worden bereikt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 24. Voor het overige komt het onderdeel op tegen het onaantastbare oordeel van de kamer van inbeschuldigingstelling over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 25. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 120,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Sidney Berneman, Tamara Konsek, Frédéric Lugentz en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 13 april 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant.