Aller au contenu principal

ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220210.1N.1

Détails de la décision

🏛️ Hof van Cassatie 📅 🌐 NL

Matière

Internationaal publiekrecht - Overige

Résumé

Hoewel krachtens artikel 5.1, e), Verdrag van New York de vernietiging en de schorsing van de arbitrale uitspraak tot de bevoegdheid behoren van de bevoegde autoriteiten van het land waar of krachtens welk recht zij werd gewezen, volgt uit haar bewoordingen niet dat het...

Texte intégral

Nr. C.20.0247.N TSJECHISCHE REPUBLIEK, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid, met kantoor te 128 01 Praag 2 (Tsjechië), Palackého námesti 375/4, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen DIAG HUMAN SE, met zetel te 9490 Vaduz (Liechtenstein), Heiligkreuz 6, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist en mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 12 november 2019. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft op 25 januari 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de middelen 1. De verweerster voert tegen het eerste en het tweede middel twee gronden van niet-ontvankelijkheid aan: - de middelen hebben geen belang, omdat de beslissing van de appelrechter dat de Tsjechische finale scheidsrechterlijke uitspraak van 4 augustus 2008 bindend is geworden voor partijen en in België uitvoerbaar moet worden verklaard, krachtens de artikelen 3 en 5.1, e), van het verdrag van New York van 10 juni 1958 over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken, goedgekeurd bij wet van 5 juni 1975 (hierna Verdrag van New York), naar recht verantwoord blijft door de niet-bekritiseerde reden dat de beschikking van 23 juli 2014 tot stopzetting van de procedure, geveld op herziening van voormelde scheidsrechterlijke uitspraak, een louter procedureel instrument is dat die uitspraak noch vernietigt noch vervangt; - de middelen voeren schending aan van het Tsjechische recht, zonder evenwel schending van de toepasselijke verwijzingsregel aan te voeren. 2. Het onderzoek van de eerste grond van niet-ontvankelijkheid valt niet te onderscheiden van het onderzoek van het eerste middel zelf. De eerste grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. 3. De middelen voeren schending van de toepasselijke verwijzingsregel wel aan, namelijk van artikel 5.1, e), Verdrag van New York, dat in die zin wordt uitgelegd dat de vraag of een scheidsrechterlijke uitspraak bindend is geworden voor partijen, en meer bepaald de vraag of tegen die uitspraak een rechtsmiddel tot wijziging ervan kan worden ingesteld, moet worden opgelost met inachtneming, achtereenvolgens en het ene bij ontstentenis van het andere, van de arbitrageovereenkomst, van de wet die zij daartoe aanwijst en, ten slotte, van de wet van het land waar de uitspraak is gedaan, dit is hier het Tsjechische recht. Ook de tweede grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid Eerste middel 4. Artikel 1.1 Verdrag van New York bepaalt dat dit verdrag van toepassing is op de erkenning en tenuitvoerlegging van scheidsrechterlijke uitspraken, gewezen op het grondgebied van een andere Staat dan die waar de erkenning en tenuitvoerlegging van zodanige uitspraken wordt verzocht, en voortvloeiende uit geschillen tussen natuurlijke of rechtspersonen. Het is eveneens van toepassing op scheidsrechterlijke uitspraken die niet beschouwd worden als nationale uitspraken in de Staat waar hun erkenning en tenuitvoerlegging wordt verzocht. Artikel 3 van voornoemd verdrag bepaalt dat iedere verdragsluitende Staat onder de in de volgende artikelen vervatte voorwaarden scheidsrechterlijke uitspraken als bindend zal erkennen en ze ten uitvoer zal leggen overeenkomstig de regelen van rechtsvordering, geldende in het gebied waar een beroep op de uitspraak wordt gedaan. De erkenning of tenuitvoerlegging van scheidsrechterlijke uitspraken waarop dit verdrag van toepassing is, zal niet worden onderworpen aan aanzienlijk drukkender voorwaarden of aanzienlijk hogere gerechtskosten dan die waaraan de erkenning of tenuitvoerlegging van de nationale scheidsrechterlijke uitspraken zijn onderworpen. Krachtens artikel 5.1, e), Verdrag van New York zullen de erkenning en tenuitvoerlegging van de uitspraak slechts dan, op verzoek van de partij tegen wie een beroep op de uitspraak wordt gedaan, geweigerd worden, indien die partij aan de bevoegde autoriteit van het land waar de erkenning en tenuitvoerlegging wordt verzocht, het bewijs levert dat de uitspraak nog niet bindend is geworden voor partijen of is vernietigd of haar tenuitvoerlegging is geschorst door een bevoegde autoriteit van het land waar of krachtens welk recht die uitspraak werd gewezen. 5. Hoewel krachtens die bepaling de vernietiging en de schorsing van de uitspraak tot de bevoegdheid behoren van de bevoegde autoriteit van het land waar of krachtens welk recht zij werd gewezen, volgt uit haar bewoordingen niet dat het bindend karakter van de uitspraak alleen volgens de wet van het land waar zij werd gewezen kan worden beoordeeld. Artikel 5.1, e), Verdrag van New York wil, door alleen als vereiste te stellen dat de uitspraak voor de partijen bindend moet zijn geworden, vermijden dat de partij die de erkenning en de tenuitvoerlegging vraagt, voordien het exequatur ervan moet vorderen in de Staat van oorsprong, wat erop neerkomt als voorwaarde te stellen dat de beslissing een eindbeslissing is geworden, hetgeen voordien door het Verdrag van Genève van 26 september 1927 was voorgeschreven. Uit het opzet van artikel 5.1, e), Verdrag van New York volgt dat de uitspraak bindend is voor de partijen, in de zin van die bepaling, zodra daartegen geen rechtsmiddel tot wijziging ervan kan worden ingesteld. De vraag of tegen de uitspraak een dergelijk rechtsmiddel kan worden aangewend en welke gevolgen een beslissing, gewezen in het kader van zulk rechtsmiddel, voor het bindend karakter van de arbitrale uitspraak heeft, moet worden opgelost met inachtneming, achtereenvolgens en het ene bij ontstentenis van het andere, van de arbitrageovereenkomst, van de wet die zij daartoe aanwijst en, ten slotte, van de wet van het land waar de uitspraak is gedaan. 6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt enerzijds dat partijen in de arbitrageovereenkomst zijn overeengekomen dat het betrokken geschil zou worden beslecht in een arbitrageprocedure conform de wet nr. 216/1994 van de Tsjechische republiek betreffende de arbitrageprocedure en de tenuitvoerlegging van arbitrale beslissingen (hierna Tsjechische arbitragewet) en, anderzijds, dat de finale scheidsrechterlijke beslissing van 4 augustus 2008 waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, werd gewezen in Tsjechië. Hieruit volgt dat de vraag of tegen deze finale scheidsrechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en wat het gevolg is van de beslissing gewezen in het kader van zulk rechtsmiddel voor het bindend karakter van die uitspraak, moet worden onderzocht met inachtneming van het Tsjechische recht. 7. Krachtens artikel 27 Tsjechische arbitragewet kunnen partijen in hun arbitrageovereenkomst bedingen dat de scheidsrechterlijke uitspraak kan worden herzien door andere arbiters, op verzoek van één of beide partijen. Tenzij in de arbitrageovereenkomst anders wordt bedongen, zal het verzoek tot herziening aan de andere partij worden overgemaakt binnen dertig dagen vanaf de dag van de afgifte van de arbitrale uitspraak aan de verzoekende partij. De herziening van de scheidsrechterlijke uitspraak maakt deel uit van de arbitrageprocedure. Krachtens 28, lid 1, Tsjechische arbitragewet dient de scheidsrechterlijke uitspraak, die schriftelijk wordt vastgelegd, aan de partijen te worden bezorgd en, moet zij, na afgifte ervan, worden bezegeld met een stempel die bevestigt dat zij rechtskracht heeft. Krachtens het tweede lid heeft een scheidsrechterlijke uitspraak, wanneer zij niet vatbaar is voor herziening conform artikel 27 of wanneer de termijn om een verzoek tot herziening in te dienen krachtens artikel 27 is verstreken zonder dat zulk verzoek werd ingediend, na de afgifte of na dit tijdstip de rechtsgevolgen van een definitieve en bindende rechterlijke beslissing en is zij in rechte afdwingbaar. Krachtens artikel 15, lid 1, Tsjechische arbitragewet zijn de arbiters bevoegd om hun rechtsmacht te onderzoeken. Indien zij oordelen dat de voorliggende arbitrageovereenkomst hun geen rechtsmacht verleent om het geschil te beslechten, nemen zij een beschikking in die zin, die de procedure stopzet. 8. Uit de voornoemde artikelen 27 en 28, lid 2, Tsjechische arbitragewet blijkt aldus dat een arbitrale uitspraak waartegen een herziening wordt ingesteld, niet bindend is zolang de herzieningsprocedure loopt en dat zij, na afloop van die procedure, slechts een bindend karakter verkrijgt voor zover zij wordt bevestigd in een arbitrale uitspraak, gewezen in het kader van die herziening. Wanneer de herzieningsprocedure daarentegen resulteert in een beschikking waarin de arbiters zich zonder rechtsmacht verklaren en de procedure stopzetten, krachtens artikel 15, lid 1, Tsjechische arbitragewet, verkrijgen noch die beschikking noch de aan herziening onderworpen arbitrale uitspraak een bindend karakter en kan geen van beide worden bezegeld met een stempel ter bevestiging van de rechtskracht ervan. 9. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat: - partijen in de arbitrageovereenkomst de mogelijkheid tot herziening van de arbitrale uitspraak door andere arbiters hebben bedongen, conform artikel 27 Tsjechische arbitragewet; - de arbiters op 25 juni 2002 een gedeeltelijke scheidsrechterlijke uitspraak hebben gewezen (“Partial Award”), bevestigd bij de op herziening gewezen arbitrale uitspraak van 16 december 2002, waarin de eiseres werd veroordeeld om aan de verweerster een bepaald bedrag aan schadevergoeding te betalen; - de arbiters op 4 augustus 2008 een finale scheidsrechterlijke uitspraak (“Final Award”) hebben gewezen, waarin de eiseres werd veroordeeld om aan de verweerster een bijkomend bedrag aan schadevergoeding te betalen; - de eiseres tegen die finale scheidsrechterlijke uitspraak een verzoek tot herziening heeft ingediend krachtens artikel 27 Tsjechische arbitragewet; - het arbitragecollege bij beschikking van 23 juli 2014, gewezen op herziening (“Review Resolution”), de procedure heeft stopgezet. 10. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de arbiters de arbitrageprocedure bij deze beschikking hebben stopgezet, om de redenen dat: - er een procedurele belemmering bestond, omdat de zaak rechtsgeldig werd be-slecht bij de gedeeltelijke scheidsrechterlijke uitspraak van 25 juni 2002, die bij gebrek aan specificatie over welk deel van de vordering zij uitspraak deed, geacht moet worden over de gehele vordering te zijn gewezen, zodat de finale scheidsrechterlijke beslissing van 4 augustus 2008 het gezag van gewijsde van die uitspraak miskent en geen rechtsgevolgen kan hebben; - zij geen rechtsmacht hebben om het geschil te beslechten, aangezien na de gedeeltelijke scheidsrechterlijke uitspraak van 25 juni 2002 maar vóór het wijzen van de finale scheidsrechterlijke uitspraak van 4 augustus 2008, een procedure voor de rechtbank werd gevoerd tussen een derde partij, enerzijds, en de eiseres en de verweerster, anderzijds, en het niet toegelaten is om parallel een gerechtelijke en een arbitrale procedure betreffende hetzelfde geschil te voeren. 11. Uit het geheel van de artikelen 3 en 5.1, e), Verdrag van New York en de vermelde bepalingen van de Tsjechische arbitragewet volgt aldus dat de finale scheidsrechterlijke uitspraak van 4 augustus 2008, waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, ten gevolge van de herzieningsprocedure die is uitgemond in een beschikking waarin de arbiters zich zonder rechtsmacht hebben verklaard en de procedure hebben stopgezet, niet bindend is geworden voor partijen in de zin van artikel 5.1, e), Verdrag van New York, zodat deze grond tot weigering van de tenuitvoerlegging vervuld is. 12. De appelrechter oordeelt dat: - de “Review Resolution” van 23 juli 2014 niet verhindert dat de “Final Award” van 4 augustus 2008 een finale en definitieve scheidsrechterlijke uitspraak vormt in de zin van artikel 3 Verdrag van New York; - de “Review Resolution” geen scheidsrechterlijke sententie is in de strikte zin van het woord, maar het sluitstuk vormt van de reviewprocedure, die volgt op de arbitrale procedure waarvan de “Final Award” de eindbeslissing uitmaakt; - de reviewprocedure een afzonderlijke fase/procedure vormt binnen het ruimer kader van de arbitrale geschillenbeslechting, die kan uitmonden in een be-schikking tot beëindiging waarmee deze specifieke fase/procedure wordt beëindigd zonder te raken aan de eigenlijke arbitrale beslissing, hier de “Final Award”; - de “Review Resolution” overeenkomstig de toepasselijke Tsjechische wetge-ving een procedurele beslissing vormt die niet in de plaats treedt van een uitspraak ten gronde, ongeacht de motivering die aan deze beslissing ten grondslag ligt; - de “Review Resolution” de “Final Award” van 4 augustus 2008 noch heeft vervangen noch heeft opzijgezet. 13. Door aldus te oordelen dat de finale scheidsrechterlijke uitspraak van 4 augustus 2008 bindend is geworden voor partijen in de zin van artikel 5.1, e), Verdrag van New York en uitvoerbaar moet worden verklaard op grond van artikel 3 van dit verdrag, terwijl zij ten gevolge van de Tsjechische arbitrale herzieningsprocedure die is uitgemond in een beschikking tot stopzetting van de procedure nooit bindend is geworden, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Tweede middel 14. Bij de beoordeling van de vraag of de arbitrale uitspraak waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, bindend is geworden voor partijen in de zin van voornoemd artikel 5.1, e), Verdrag van New York, moet de executierechter onderzoeken of zij het voorwerp van een rechtsmiddel heeft uitgemaakt in het land waar zij werd gedaan en welke gevolgen de beslissing, gewezen in het kader van dit rechtsmiddel, heeft voor het bindend karakter van deze arbitrale uitspraak, met inachtneming, achtereenvolgens en het ene bij ontstentenis van het andere, van de arbitrageovereenkomst, van de wet die zij daartoe aanwijst en, ten slotte, van de wet van het land waar de uitspraak is gedaan. De executierechter moet de buitenlandse beslissing, gewezen in het kader van een rechtsmiddel, waaruit het al dan niet bindend karakter van de arbitrale uitspraak blijkt, als rechtsfeit in aanmerking nemen, zonder dat die beslissing voorafgaand erkend of ten uitvoer moet worden gelegd volgens de procedure van de artikelen 3 en 4 Verdrag van New York. 15. De appelrechter oordeelt dat hij geen rekening kan houden met de beschikking van 23 juli 2014 tot stopzetting van de procedure, gewezen op herziening van de finale scheidsrechterlijke uitspraak van 4 augustus 2008 en waaruit het al dan niet bindend karakter van die uitspraak zou blijken in de zin van artikel 5.1, e), Verdrag van New York, omdat die beschikking zelf niet werd erkend of ten uitvoer gelegd in de Belgische rechtsorde volgens de vereiste procedure vervat in dit verdrag. 16. Door aldus bij de beoordeling van de vraag of de arbitrale uitspraak waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, bindend is geworden voor partijen in de zin van artikel 5.1, e), Verdrag van New York, te weigeren rekening te houden met het feitelijk bestaan van een buitenlandse beslissing waaruit het al dan niet bindend karakter van die uitspraak blijkt, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Overige grieven 17. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 10 februari 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende.