Aller au contenu principal

ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220119.2F.1

Détails de la décision

🏛️ Hof van Cassatie 📅 🌐 NL

Matière

Strafrecht - Constitutioneel recht - Overige

Texte intégral

Nr. P.20.1182.F C. H., Mr. Cécile Dascott, advocaat bij de balie Bergen, en mr. Mathieu Simonis, advocaat bij de balie Luik, tegen 1. E. S., 2. IMOGES bv, Mr. David Gelay, advocaat bij de balie Charleroi. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen, correctionele kamer, van 30 oktober 2020. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Eric de Formanoir heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling […] B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de veroordelende beslissing over de strafvordering Eerste middel Het middel voert schending aan van de artikelen 149 en 150 Grondwet. Het verwijt het bestreden arrest de veroordeling van de eiseres wegens laster (telastlegging B) te motiveren op grond van de overweging dat “de verklaringen [van getuige R.] worden bevestigd door [...] de teneur van de blog van [de eiseres] met betrekking tot dat gebouw”, terwijl, enerzijds, laster door middel van een digitaal geschrift dat in het openbaar werd verspreid een persmisdrijf uitmaakt waarvoor het hof van assisen bevoegd is, en, anderzijds, het arrest bovendien erkent dat de raadkamer, in haar beslissing tot verwijzing naar de correctionele rechtbank, deze feiten uitdrukkelijk heeft uitgesloten. Het hof van beroep heeft de eiseres niet schuldig verklaard aan laster omdat zij door de lasterlijke uitlatingen in haar persoonlijk dagboek op het internet (blog) dat misdrijf zou hebben gepleegd, maar wegens een ander feit, te weten mondeling te hebben aangevoerd, tijdens de vergadering van 4 februari 2016 tussen het gemeentebestuur van E. en de nieuwe bewoners van een gebouw waarvan de verweerder de bouwpromotor was, dat hij en zijn bedrijf gebouwen oprichtten in weerwil van de geldende regels en dat zij onverkoopbare, onoverdraagbare woningen op de markt brachten, die het risico liepen om op elk moment te worden afgebroken. In zoverre het middel uitgaat van het tegendeel, mist het feitelijke grondslag. Het middel verwijt het arrest tevens de schuldigverklaring wegens het misdrijf belaging (telastlegging A) te motiveren door, onder de gedragingen die de rust van de verweerder ernstig hebben verstoord, het uitdelen van pamfletten tegen zijn projecten in aanmerking te nemen, terwijl belaging door middel van een dergelijk gedrukt geschrift dat in het openbaar wordt verspreid een drukpersmisdrijf uitmaakt waarvoor enkel een jury is bevoegd. Het in artikel 150 Grondwet bedoelde drukpersmisdrijf bestaat in de aantasting van de rechten van hetzij de maatschappij, hetzij een burger, door de uiting van een strafbare gedachte of opinie in een gedrukt of digitaal geschrift, dat in het openbaar werd verspreid. Het hof van beroep heeft vooreerst vastgesteld dat de aan de eiseres verweten gedragingen stelselmatig betrekking hadden op projecten van de verweerder en bestonden in de verspreiding van pamfletten tegen zijn projecten, het ronselen om bewoners te mobiliseren, het opstellen van artikelen op de blog van de eiseres, het uitoefenen van druk op de stedenbouwkundige diensten, de aangiftes bij de gerechtelijke en voogdijoverheden en het aanspreken van klanten. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat: “het vaststaat dat die onophoudelijke aanvallen tegen de integriteit en de professionele projecten [van de verweerder] zijn rust ernstig hebben verstoord, door bij de bevolking, bij de diensten waarmee hij moest werken, bij de overheden en bij zijn klanten twijfel te zaaien over zijn eerlijkheid en door het normale verloop van de procedures inzake de toekenning van en de rechtsmiddelen tegen de aangevraagde bouwvergunningen te verstoren”. Wat het moreel bestanddeel van het misdrijf belaging betreft, vermeldt het arrest dat het, “gelet op de lange duur van de strafbare periode, de veelheid van de gestelde gedragingen, hun stelselmatig karakter en de verschillende doelpublieken, ondenkbaar is dat de beklaagde de gevolgen van haar daden voor het slachtoffer niet heeft beseft”. Wat het opstellen van artikelen op de blog van de eiseres betreft, preciseert het arrest dat, “zelfs als die gedragingen op zichzelf niet ongeoorloofd worden geacht, omdat het om meningsuitingen van de beklaagde in de pers gaat, het misdrijf belaging niet vereist dat de gestelde gedragingen onwettig zijn” en dat “de gepubliceerde artikelen, door hun herhaald karakter en het feit dat ze passen in de globale context van het dossier de telastlegging kunnen gronden”. Uit die redenen blijkt dat het hof van beroep de telastlegging belaging niet bewezen heeft verklaard omdat de gedachten of meningen die in de pamfletten of op de blog van de eiseres werden geuit strafbaar zouden zijn, maar wegens de gevolgen die de door haar uitgevoerde aanvallen via pamfletten, ronselpraktijken, artikelen op haar blog, druk op de stedenbouwkundige diensten, aangiftes bij de overheden en het aanspreken van klanten hebben gehad voor de rust van de verweerder, gelet op hun onophoudelijk, veelvuldig, terugkerend en stelselmatig karakter, alsook op de duur van de periode waarin ze werden gepleegd en de context waarin ze hebben plaatsgevonden. Aangezien de appelrechters hun beslissing niet hebben gegrond op een beoordeling van het strafbaar karakter van de gedachten of meningen die de eiseres via gedrukte of digitale geschriften heeft verspreid, hebben zij de voormelde grondwetsbepaling niet geschonden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. […] Vierde middel Het middel voert schending aan van artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 6.1 EVRM. De rechter die over de schuld van de beklaagde heeft geoordeeld, mag vervolgens, met het oog op de uitspraak over de keuze van de straf en de strafmaat, alle gegevens in aanmerking nemen die eigen zijn aan de persoonlijkheid van de beklaagde, voor zover hij de wijze waarop laatstgenoemde zich tegen de tegen hem ingebrachte beschuldiging heeft verdedigd, niet bestraft. Het arrest oordeelt dat “gelet op het ontbreken van enige invraagstelling door de beklaagde ten aanzien van haar gedrag, de maatregel van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling die haar in eerste aanleg is verleend, niet aangewezen is wegens het gevaar dat de gepleegde feiten zouden worden gebanaliseerd en er bij haar een zeker gevoel van straffeloosheid zou ontstaan”. Met die reden hebben de appelrechters niet de wijze bestraft waarop de beklaagde zich heeft verdedigd, maar hebben zij een gegeven van haar persoonlijkheid in aanmerking genomen, namelijk het ontbreken van enige invraagstelling ten aanzien van daden die volgens hen niet mogen worden gebanaliseerd. Anders dan het middel aanvoert, heeft het hof van beroep noch de aangevoerde bepalingen, noch het recht van verdediging van de eiseres geschonden door, met die reden, de verantwoording te vermelden van de keuze voor en de zwaarte van de haar opgelegde gevangenisstraf. Het middel kan niet worden aangenomen. […] Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door raadsheer Françoise Roggen, als waarnemend voorzitter, en raadsheren Sidney Berneman, Eric de Formanoir, Frédéric Lugentz en François Stévenart Meeûs, en in openbare rechtszitting van 19 januari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Françoise Roggen, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux. Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Erwin Francis en overgeschreven met assistentie van griffier Kristel Vanden Bossche.