Aller au contenu principal

ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.17

Détails de la décision

🏛️ Hof van Cassatie 📅 🌐 NL

Matière

Strafrecht - Internationaal publiekrecht

Résumé

Uit de bepalingen van de artikelen 5.2 en 5.3 EVRM en artikel 16, § 2 , eerste lid, en § 5, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet, volgt niet dat de onderzoeksrechter verplicht is bij de voorafgaande ondervraging de verdachte ook te verhoren over zijn persoonlijkheid (1)....

Texte intégral

Nr. P.22.0003.N M T, inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Louis De Groote, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 30 december 2021. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1, 5.2, 5.3 en 6.3.a) EVRM en van artikel 16, § 1 en § 5, Voorlopige Hechteniswet: het arrest laat na vast te stellen dat de onderzoeksrechter de eiser niet heeft verhoord over zijn persoonlijkheid; de onderzoeksrechter heeft de eiser enkel gevraagd of hij drugs gebruikt. 2. Het onderdeel verduidelijkt niet hoe en waarom het arrest artikel 1 EVRM schendt. In zoverre is het onderdeel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. 3. Artikel 6.3.a) EVRM is in de regel niet van toepassing op de rechtspleging inzake voorlopige hechtenis. In zoverre faalt het onderdeel naar recht. 4. Artikel 5.2 EVRM bepaalt dat iedere gearresteerde onverwijld in een taal die hij verstaat op de hoogte moet worden gebracht van de redenen van zijn arrestatie en van alle beschuldigingen die tegen hem zijn ingebracht. Artikel 5.3 EVRM bepaalt dat eenieder die is gearresteerd of gevangen wordt gehouden onmiddellijk voor een rechter moet worden gebracht. Artikel 16, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat tenzij de verdachte voortvluchtig is of zich verbergt, de onderzoeksrechter alvorens een bevel tot aanhouding te verlenen, de verdachte moet ondervragen over de feiten die aan de beschuldiging ten grondslag liggen en die aanleiding kunnen geven tot de afgifte van een bevel tot aanhouding en zijn opmerkingen horen. Artikel 16, § 5, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat in het bevel tot aanhouding de onderzoeksrechter de feitelijke omstandigheden van de zaak vermeldt en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de verdachte, welke de voorlopige hechtenis wettigen. 5. Uit die verdrags- en wetsbepalingen volgt niet dat de onderzoeksrechter verplicht is bij de door artikel 16, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bedoelde voorafgaande ondervraging de verdachte ook te verhoren over zijn persoonlijkheid. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede onderdeel 6. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 5 en 6.1 EVRM, artikel 66 van het Statuut van 17 juli 1998 van Rome van het Internationaal Strafhof (hierna Statuut van Rome), artikel 56 Wetboek van Strafvordering en artikel 16, § 1 en § 5, Voorlopige Hechteniswet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de onderzoeksrechter de inverdenkinggestelde niet diende te verhoren; dergelijke verplichting volgt uit artikel 16, § 1 en § 5, Voorlopige Hechteniswet; door de eiser niet te verhoren over zijn persoonlijkheid heeft de onderzoeksrechter blijk gegeven van partijdigheid; door enkel te steunen op de ten laste gelegde en onbewezen feiten heeft de onderzoeksrechter nagelaten zijn onderzoek ook à décharge te voeren en heeft hij het vermoeden van onschuld miskend. 7. Artikel 66 Statuut van Rome is niet van toepassing op de rechtspleging inzake voorlopige hechtenis. 8. Artikel 6.3.a) EVRM is in de regel niet van toepassing op de rechtspleging inzake voorlopige hechtenis. 9. In zoverre faalt het onderdeel naar recht. 10. In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het eerste onderdeel is het om de redenen vermeld in het antwoord op dat onderdeel te verwerpen. 11. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de vergeefs met het eerste onderdeel aangevoerde onwettigheid en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel 12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.2 EVRM, artikel 56 Wetboek van Strafvordering en artikel 16, § 1 en § 5, Voorlopige Hechteniswet: het arrest verantwoordt de beslissing om de voorlopige hechtenis te handhaven niet naar recht; het bevel tot aanhouding dat voor de motivering van de volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid enkel verwijst naar de ernst van de feiten, miskent het vermoeden van onschuld; de motivering is niet geïndividualiseerd; het is onwettig en dus nietig; de eiser kon op basis hiervan niet worden aangehouden. 13. Het arrest stelt vast dat het bevel tot aanhouding voldoende ernstige aanwijzingen van schuld vermeldt. Het vult die bovendien aan met eigen redenen. Aldus vermeldt het arrest op voldoende concrete en geïndividualiseerde wijze en dit zonder het vermoeden van onschuld te miskennen de feitelijke omstandigheden eigen aan de zaak en de persoonlijkheid van de eiser welke een handhaving van de voorlopige hechtenis verantwoorden. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Vierde onderdeel 14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1 EVRM: de miskenning van eisers fundamentele rechten belet het verderzetten van de procedure; er kan geen sprake meer zijn van een eerlijk proces; de strafprocedure is onontvankelijk en moet worden stopgezet. 15. Het onderdeel dat is afgeleid uit de vergeefs met de vorige onderdelen aangevoerde onwettigheden, is niet ontvankelijk. Tweede middel 16. Het middel voert schending aan van de artikelen 16 en 21 Voorlopige Hechteniswet: bij gebrek aan verschijning van de eiser voor de raadkamer, mocht zijn voorlopige hechtenis niet worden gehandhaafd; de raadkamer heeft de eiser niet kunnen horen over de omstandigheden eigen aan zijn persoonlijkheid; de medische isolatie van de eiser die werd ingeroepen om de zaak in zijn afwezigheid te behandelen, is niet bewezen; het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd waar het de medische motieven als overmachtssituatie voor de afwezigheid van de eiser op de rechtszitting inroept; een uitstel zou tegenstrijdig zijn geweest met de ingeroepen medische noodzakelijkheid. 17. Het arrest stelt vast dat de onmogelijkheid van de eiser om te verschijnen voor de raadkamer overmacht uitmaakt, dat de raadsman van de eiser geen uitstel heeft gevraagd om de eiser alsnog te laten overbrengen en dat overigens niet blijkt dat de eiser heeft aangegeven dat hij persoonlijk aanwezig wilde zijn op de rechtszitting van de raadkamer. In zoverre het middel opkomt tegen die beoordeling van de feiten of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. 18. Voor het overige ontwaart het Hof de door het middel aangevoerde tegenstrijdigheid in de motivering niet. In zoverre mist het middel feitelijk grondslag. Derde middel 19. Het middel voert in zijn beide onderdelen schending aan van artikel 5.2 EVRM en artikel 16, § 1 en § 5, Voorlopige Hechteniswet: de eiser heeft in conclusie zijn onwetendheid met betrekking tot de strafbare feiten aangevoerd, zonder dat het arrest dit verweer beantwoordt; het openbaar ministerie bewijst geen enkele concrete aanwijzing betreffende eisers kennis over het bestaan van een criminele organisatie; een aanhoudingsmandaat kan niet zijn gesteund op vermoedens; gezinsbanden kunnen niet gelden als een ernstige aanwijzing van schuld; de vondst van een wapen in de woonwagen van de eiser betekent nog niet dat hij gebruik ervan maakt noch dat hij behoort tot een criminele organisatie; de motivering van het aanhoudingsmandaat is onbegrijpelijk en zelfs tegenstrijdig; de gebruikte voorwaardelijke wijs wijst erop dat geen enkele zekerheid bestaat; het feit van de diefstal van twee horloges waarnaar in de vordering van het openbaar ministerie wordt verwezen, is niet vermeld onder de telastleggingen zodat het aanhoudingsbevel tegenstrijdig is; de eiser heeft ook uitgelegd waarom zijn telefoon op 13 april 2019 te Menen werd gecapteerd en dat hij op 3 juni 2018 bij familie is geweest; dit verweer wordt niet beantwoord; het aanhoudingsmandaat is niet precies gemotiveerd; eisers recht van verdediging is onherroepelijk miskend; de eiser heeft het wapen dat hij van een oom heeft gekregen niet gebruikt en dat is dan ook geen ernstige aanwijzing van schuld (eerste onderdeel); er is geen enkele individualisering en motivering van het concreet gevaar dat de eiser zou opleveren (tweede onderdeel). 20. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, of opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het onderzoeksgerecht is het niet ontvankelijk. 21. Artikel 16, § 5, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat het bevel tot aanhouding het bestaan vaststelt van ernstige aanwijzingen van schuld. Niet is vereist dat het openbaar ministerie in deze fase van de procedure de schuld van een verdachte bewijst. 22. De vaststelling van ernstige aanwijzingen van schuld veronderstelt het voorhanden zijn van gegevens die een objectieve waarnemer ervan zouden overtuigen dat de betrokkene mogelijks een strafbaar feit heeft gepleegd. Er moeten dus plausibele redenen zijn om de betrokkene te verdenken. 23. Of dergelijke redenen voorhanden zijn wordt beoordeeld door de rechter aan de hand van de omstandigheden van de zaak. 24. Niet-objectiveerbare, vage verdenkingen kunnen op zichzelf beschouwd geen ernstige aanwijzingen van schuld opleveren. 25. Geen enkele wetsbepaling verzet zich ertegen dat het onderzoeksgerecht als ernstige aanwijzingen van schuld andere feitelijkheden in aanmerking neemt dan deze vervat in de telastleggingen waarvoor de inverdenkinggestelde is aangehouden. 26. De gegevens die een rechter aanneemt als ernstige aanwijzingen van schuld moeten in hun geheel en in hun onderlinge samenhang worden gelezen. 27. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 28. Het arrest vermeldt met verwijzing naar het bevel tot aanhouding (arrest, p. 10-11) en met overname van de redenen van schriftelijke vordering van het openbaar ministerie (arrest, p. 12, vordering p. 3 tot en met 6) een geheel van feitelijke gegevens als ernstige aanwijzingen van schuld. Die gegevens overstijgen het niveau van niet-objectiveerbare, vage verdenkingen, zijn voldoende precies en concreet en zijn niet tegenstrijdig, verward of onbegrijpelijk. Zij vormen tevens bij toepassing van de artikelen 23, 4°, en 30, § 3, laatste lid, Voorlopige Hechteniswet een antwoord op de door de eiser gevoerde betwistingen betreffende het voorhanden zijn van ernstige aanwijzingen van schuld. Het gebruik van de voorwaardelijke wijs bij de motivering, dat strekt tot het respecteren van het vermoeden van onschuld van de eiser, doet daaraan geen afbreuk. Het arrest kan dan ook wettig oordelen dat er lastens de eiser ernstige aanwijzingen van schuld zijn voor de feiten waarvoor een bevel tot aanhouding gelet op de volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid is verleend. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel 29. Het middel voert schending aan van de artikelen 16, § 5, en 21, § 5, Voorlopige Hechteniswet: de beroepen raadkamerbeschikking ontmoet geen enkel van de door de eiser aangevoerde middelen en is niet gemotiveerd in de mate dat zij geen aandacht heeft geschonken aan de persoonlijkheid van de eiser. 30. Het middel dat is gericht tegen de beroepen raadkamerbeschikking en niet tegen het arrest, is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 31. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 90,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 11 januari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.