Aller au contenu principal

ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.13

Détails de la décision

🏛️ Hof van Cassatie 📅 🌐 NL

Matière

Strafrecht - Overige

Texte intégral

Nr. P.21.1680.N J M M T, beklaagde, verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Gustaaf Callierlaan 175, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 27 december 2021 (nr. 2021/5417). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 27, § 2, Voorlopige Hechteniswet: de appelrechters oordelen ten onrechte dat eisers verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling onontvankelijk is om reden dat hij niet is aangehouden op basis van een (verstek)vonnis dat zijn onmiddellijke aanhouding beveelt; een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling kan ook worden neergelegd in de buitengewone termijn van verzet, op voorwaarde dat er tegen de veroordeling zelf hoger beroep, verzet of cassatieberoep is aangetekend. 2. Krachtens artikel 27, § 2, Voorlopige Hechteniswet kan de voorlopige invrijheidstelling worden aangevraagd door degene die aangehouden is ingevolge een na veroordeling uitgesproken bevel tot onmiddellijke aanhouding, mits er tegen de veroordeling zelf hoger beroep, verzet of cassatieberoep is aangetekend. Zij kan in dezelfde voorwaarden worden aangevraagd door wie aangehouden is ingevolge een veroordeling bij verstek, waartegen verzet binnen de buitengewone termijn is aangetekend. 3. Uit de tweede zin van deze bepaling volgt dat een verzetdoende partij die aangehouden is op grond van een veroordeling bij verstek waartegen verzet binnen de buitengewone termijn is aangetekend, haar invrijheidstelling kan aanvragen, zelfs wanneer tegen haar geen bevel tot onmiddellijke aanhouding werd uitgevaardigd. 4. Het arrest dat in wezen beslist dat het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling onontvankelijk is omdat het verstekvonnis van de correctionele rechtbank Leuven van 18 februari 2019, dat de eiser veroordeelt tot een hoofdgevangenisstraf van 12 maanden, waartegen de eiser verzet heeft aangetekend op 27 september 2021, zijn onmiddellijke aanhouding niet heeft bevolen, is niet naar recht verantwoord. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 11 januari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.