ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210423.1N.7
Détails de la décision
🏛️ Hof van Cassatie
📅
🌐 NL
Matière
Bestuursrecht
Résumé
De verjaringstermijn van de vordering tot wederoverdracht begint slechts
te lopen vanaf het ogenblik dat de onteigenaar heeft erkend, hetzij door
middel van een uitdrukkelijke beslissing hetzij door handelingen die redelijkerwijze
een dergelijke erkenning inhouden, dat ...
Texte intégral
C.20.0238.N
Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier.
1. Feiten en procedure
Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat het geschil betrekking heeft op de vordering van eiseres tot wederoverdracht van een voorheen aan haar ouders toebehorend onroerend goed dat door tweede verweerster, een ontwikkelaar en exploitant van sociale woningprojecten, (minnelijk) werd verworven bij aankoopakte van 12 mei 1965.
Volgens eiseres werd het goed verkocht onder druk van een dreigende onteigening nu tweede verweerster het goed verwierf met het oog op het bouwen van een sociale woonwijk. Dit doel werd evenwel nooit verwezenlijkt.
Bij ruilakte van 19 juni 1970 stond tweede verweerster het litigieuze goed af aan eerste verweerster en verwierf in ruil gronden op een andere locatie waarop zij een sociaal woningbouwproject realiseerde. Het litigieuze terrein bleef intussen gewoon braak liggen.
Op 21 januari 2005 en 2 juli 2009 verkocht eerste verweerster een deel van dit terrein aan een particulier. Het braakliggende restdeel bleef eigendom van eerste verweerster en is thans natuurgebied.
Op 7 maart 2016 dagvaardt eiseres beide verweersters. Eiseres vordert hierbij op grond van artikel 23 van de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemene nutte in hoofdorde de teruggave van het deel van het goed dat eerste verweerster nog in haar bezit heeft en schadevergoeding voor het deel dat intussen werd verkocht.
Net zoals de eerste rechter, beslissen de appelrechters dat de vordering van eiseres onontvankelijk is wegens verjaring, daarbij uitgaande van een dertigjarige verjaringstermijn die is ingegaan op 12 mei 1985, hetzij twintig jaar na het verlijden van de aankoopakte van 12 mei 1965.
Tegen dit arrest van 4 maart 2019 van het hof van beroep te Antwerpen voert eiseres één middel tot cassatie aan waarin zij zich beroept op een schending van artikel 23 van de Onteigeningswet 1835 en de artikelen 3 en 12 van de wet van 27 mei 1870 houdende vereenvoudiging van de administratieve formaliteiten inzake onteigening ten algemene nutte, beiden zoals te dezen van toepassing dit is vóór de intrekking ervan door het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017. Eiseres voert daarbij aan dat bij (te dezen niet betwist) gebrek aan bekendmaking in de zin van artikel 3 er slechts sprake is van een recht op wederoverdracht vanaf het ogenblik dat het bestuur heeft verklaard dat de gronden niet zullen worden aangewend voor de realisatie van het onteigeningsdoel. De verjaringstermijn van de vordering tot wederoverdracht begint aldus slechts te lopen vanaf het ogenblik dat de onteigenaar heeft erkend dat het onteigende goed niet zal worden aangewend voor de realisatie van het onteigeningsdoel. De omstandigheid dat de onteigenaar reeds gedurende dertig jaar in het bezit is van het onteigende goed leidt, aldus eiseres, niet tot de verjaring van het recht van wederoverdracht.
2. Bespreking
2.1. Krachtens artikel 23, eerste lid, van de Onteigeningswet 1835 zal, indien de voor werken van algemeen nut aangekochte(1) gronden die bestemming niet krijgen, het bestuur een bericht afkondigen volgens artikel 3 van de Wet van 27 mei 1870(2), dat vermeldt welke gronden het bestuur terug wenst te verkopen. Binnen drie maanden na die bekendmaking zijn de vorige eigenaars, die de eigendom van de bedoelde gronden willen terugkopen, gehouden dit te verklaren op straffe van verval.
Artikel 23, tweede lid, Onteigeningswet 1835 bepaalt dat, indien het bestuur dat bericht niet afkondigt, de vorige eigenaars of hun rechthebbenden de teruggave van die gronden kunnen vragen en die teruggave zal in rechte worden bevolen op de verklaring van het bestuur dat ze niet meer bestemd zijn om te dienen voor de werken waarvoor ze werden aangekocht.
Voormelde wetsbepaling verleent aldus, ingeval het onteigeningsdoel niet wordt gerealiseerd en de onteigende gronden de bestemming van algemeen nut niet krijgen, aan de vorige eigenaars het recht om (tegen terugbetaling van de ontvangen onteigeningsvergoeding), het onteigende goed terug te verwerven.
2.2. Eiseres komt in het enig middel niet op tegen de kwalificatie door de appelrechters van het recht tot wederoverdracht als een zakelijke rechtsvordering, die onderworpen is aan de verjaringstermijn van dertig jaar bepaald in artikel 2262 BW(3). Het middel betreft uitsluitend het aanvangspunt van die termijn.
De verjaring van de vordering tot wederoverdracht vangt aan vanaf de dag waarop het recht ontstaat. Krachtens artikel 23 Onteigeningswet 1835 ontstaat het recht vanaf "de verklaring" van de overheid dat het goed niet meer zal worden bestemd voor het doel van de onteigening. Hoewel artikel 23, tweede lid enkel spreekt over een "verklaring", wordt algemeen aanvaard dat, wanneer geen expliciete verklaring wordt gedaan, de teruggave kan bevolen worden wanneer uit de concrete omstandigheden van de zaak en het gedrag van de overheid met zekerheid kan worden afgeleid dat de bestemming die indertijd werd ingeroepen als verantwoordingsgrond voor de onteigening, niet meer zal of kan worden gerealiseerd.
Dit blijkt vooreerst uit de rechtspraak van Uw Hof(4), waarin wordt aangenomen dat de verjaringstermijn van de vordering tot wederoverdracht slechts begint te lopen vanaf het ogenblik dat de onteigenaar heeft erkend hetzij door middel van een uitdrukkelijke beslissing hetzij door handelingen die redelijkerwijze een dergelijke erkenning inhouden, dat het onteigende goed niet zal worden aangewend voor de realisatie van het onteigeningsdoel. Met het oordeel dat de omstandigheid dat de onteigenaar reeds gedurende dertig jaar in het bezit is van het onteigende goed, niet leidt tot de verjaring van het recht van wederoverdracht, werd enkel geoordeeld dat de verjaring niet kan worden geacht te zijn ingetreden door een louter stilzitten van de onteigenaar gedurende dertig jaar maar niet, zoals eiseres meent te kunnen afleiden, dat de verjaring niet zou kunnen aanvangen na een bepaalde periode van inactiviteit.
De rechtsleer treedt het standpunt van uw Hof bij(5) en wijst er op dat naast de door uw Hof erkende "handelingen" als wilsuiting om het onteigeningsdoel niet te realiseren, ook het niet-handelen van de onteigenaar kan worden geïnterpreteerd als een impliciete wilsuiting om het onteigeningsdoel niet te realiseren. Het onverantwoorde verloop van een ruime termijn zonder initiatieven kan in die zin een voldoende reden zijn om het recht van wederoverdracht te doen ontstaan(6).
2.3. Eiseres betwist niet dat de verjaringstermijn van de vordering tot wederoverdracht aanvangt vanaf de dag waarop de onteigenaar heeft erkend dat het onteigende goed niet zal worden aangewend voor de realisatie van het onteigeningsdoel, hetzij door een uitdrukkelijke beslissing, hetzij door handelingen die redelijkerwijze een dergelijke erkenning inhouden, maar voert aan dat de appelrechters een dergelijke (impliciete) erkenning niet wettig hebben kunnen afleiden uit de door hen vastgestelde feiten.
De vraag vanaf welk ogenblik de niet-realisatie van het doel van de onteigening kan worden beschouwd als een impliciete wilsuiting tot afstand/verzaking vanwege de onteigenende instantie is een feitenkwestie, die op onaantastbare wijze wordt beoordeeld door de feitenrechter bij wie de vordering tot wederoverdracht wordt ingesteld(7). De rechter beoordeelt dus onaantastbaar in feite de handelingen of het gebrek aan handelingen van de onteigenaar die, bij afwezigheid van een uitdrukkelijke beslissing, redelijkerwijs een erkenning inhouden dat het onteigende goed niet zal worden aangewend voor de realisatie van het onteigeningsdoel. Hierbij kunnen de passieve houding van de onteigenaar gedurende een bepaalde periode, dan wel het gebrek aan begin van realisatie van het onteigeningsdoel binnen een bepaalde termijn redelijkerwijs die erkenning inhouden. Het Grondwettelijk Hof oordeelt in dit verband dat de rechter, wanneer de onteigende zich beroept op het recht van wederafstand, dient na te gaan of de overheid al dan niet heeft verzaakt aan de realisatie van het onteigeningsdoel, en hij daarbij dient rekening te houden met de specifieke aard van het doel van algemeen belang dat door de overheid met de onteigening werd nagestreefd en met de concrete omstandigheden van de zaak om te bepalen of het onteigende goed onredelijk lang in het bezit van de overheid is gebleven zonder dat het onteigeningsdoel werd gerealiseerd(8).
Uw Hof gaat na of de feitenrechter uit de door hem gedane feitelijke vaststellingen geen gevolgen heeft getrokken die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden afgeleid. Met andere woorden gaat uw Hof ook na of de feitenrechter uit de door hem vastgestelde feitelijke elementen naar recht heeft kunnen afleiden dat de verjaringstermijn van de vordering tot wederoverdracht is beginnen lopen(9).
De appelrechters stellen vast dat de onteigenaar met het oog op het bouwen van een sociale woonwijk gedurende twintig jaar niet is overgegaan tot die bouw, zelfs geen concrete voorbereidingen hiertoe heeft getroffen en intussen elders is overgegaan tot de bouw van andere sociale woonwijken. Gelet op wat voorafgaat konden zij, mijns inziens, op grond van die vaststellingen naar recht oordelen dat de onteigenaar hiermee redelijkerwijze heeft erkend dat het onteigende goed niet zal worden gebruikt voor de realisatie van het onteigeningsdoel en dat de verjaringstermijn is aangevangen twintig jaar na datum van eigendomsoverdracht. Zij verantwoorden bijgevolg naar recht hun beslissing dat de vordering van eiseres, meer dan dertig jaar later, verjaard is.
Conclusie: verwerping.
(1) Het recht van wederoverdracht is van toepassing bij zowel gedwongen als minnelijke verwervingen ten algemene nutte (Zie Cass. 25 oktober 2012, AR
C.11.0496.F
ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121025.6
, AC 2012, nr. 565).
(2) De Onteigeningswet 1835 is altijd blijven verwijzen naar artikel 6, titel II van de wet van 8 maart 1810, hoewel de bekendmakingswijze van het bericht van het bestuur werd gewijzigd door artikel 12 van de wet van 27 mei 1870 (houdende vereenvoudiging van de administratieve formaliteiten inzake onteigening ten algemene nutte), dat bepaalt dat het bericht, bedoeld in artikel 23 Onteigeningswet, wordt bekend gemaakt op de wijze als aangegeven in artikel 3 van de wet van 27 mei 1870.
(3) Dit lijkt ook de meerderheidsopvatting te zijn (zie o.m. K. VAN DEN WYNGAERT, De vordering tot wederoverdracht is een zakelijke rechtsvordering (noot onder Antwerpen 19 maart 2019), TBO 2020, 172-176; P. LEWALLE, L'expropriation pour cause d'utilité publique in P. Lecocq en P. Lewalle (eds.), Contrainte, l'imitation et atteinte à la propriété, CUP, Brussel, Larcier, 2005, 112; M. DENYS, Onteigening en planschade, I, 304, nr. 412; Rép.Not., XIV, 96, nr. 76; RPDB, V°, 228, nr. 476) hoewel recente rechtsleer dit standpunt in twijfel trekt en verdedigt dat het recht van terugvordering een persoonlijke schuldvordering is, die op grond van artikel 2262bis BW verjaart na verloop van tien jaar (S. VAES, Wederoverdracht van onteigende goederen in E. Loncke (ed.), Wegwijs in het Belgische onteigeningsrecht, Kortrijk, UGA, 2013, 211-212; V. DEFRAITEUR, Le droit de rétrocession en matière d'expropriation, JT 2012, 514, nr. 4; B. NACKAERTS, Het recht van wederafstand in J. Ghysels, R. Palmans en A. Van Oevelen (eds.), De onteigeningsprocedure, Antwerpen, Intersentia, 2007, 26. In de commentaar bij artikel 73 van het Vlaams Onteigeningsdecreet sloot de decreetgever zich evenwel duidelijk aan bij het meerderheidsstandpunt (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2016-17, 991, nr. 1, 94-95).
(4) Cass. 28 juni 2012, AR
C.11.0140.N
ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120628.12
, AC 2012, nr. 422, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL: Het lijkt mij dan ook logisch om de verjaringstermijn slechts te laten aanvangen op het ogenblik dat duidelijk blijkt dat het onteigeningsdoel niet zal worden gerealiseerd, met name dat het onteigende goed niet de bestemming van algemeen nut zal krijgen waarvoor het werd onteigend. De vordering vanwege de onteigende om een wederoverdracht te bewerkstelligen, verjaart na dertig jaar, in principe te rekenen vanaf ofwel zijn antwoord op de verklaring van het bestuur, ofwel het redelijk vermoeden dat de betrokkene kon hebben dat de voorziene werken ten openbaren nutte niet zouden plaatsvinden. Het feit dat het onteigeningsdoel niet zal worden gerealiseerd zal moeten blijken uit een expliciete kennisgeving door het onteigenend bestuur of door diens houding, die redelijkerwijze de erkenning van deze niet-realisatie inhoudt. Zie ook GwH 25 september 2014, nr. 132/2014, r.o. B.4.1.
(5) S. VERBIST, Over de procedure tot wederoverdracht bij niet-realisatie van het onteigeningsdoel (bis) (noot onder Cass. 28 juni 2012, AR
C.11.0140.N
ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120628.12
, AC 2012, nr. 422), TBO 2013, 26 en de verwijzingen daar; S. VAES, Wederoverdracht van onteigende goederen in E. Loncke (ed.), Wegwijs in het Belgische onteigeningsrecht, Kortrijk, UGA, 2013, 212; P. LEWALLE, L'expropriation pour cause d'utilité publique in P. Lecocq en P. Lewalle (eds.), Contrainte, l'imitation et atteinte à la propriété, CUP, Brussel, Larcier, 2005, 112; Rép.Not., XIV, 96, nr. 76; RPDB, V°, 228, nr. 476.
(6) S. VAES, Wederoverdracht van onteigende goederen in E. Loncke (ed.), Wegwijs in het Belgische onteigeningsrecht, Kortrijk, UGA, 2013, 208: Niettegenstaande de onteigeningswetten geen termijn opleggen voor de aanwending van het onteigende goed, kan de rechtbank van eerste aanleg toch de wederoverdracht bevelen indien de gronden na hun onteigening gedurende geruime tijd geen enkele bestemming krijgen en zich dus ongebruikt in hun oorspronkelijke toestand bevinden.
(7) T. DENAYER, Grondwettelijk Hof versterkt het recht van wederoverdracht na onteigening (noot onder GwH 25 september 2014), RW 2014-15, 1503; V. DEFRAITEUR, Le droit de rétrocession en matière d'expropriation, JT 2012, 514, nr. 4.
(8) GwH 25 september 2014, nr. 132/2014, overw. B.12.
(9) Zie ook Cass. 4 juni 2020, AR C.19.0360.N, arrest niet gepubliceerd.