ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210129.1N.17
Détails de la décision
🏛️ Hof van Cassatie
📅
🌐 NL
Matière
Overige - Belastingrecht
Résumé
Een akte wordt geacht in de taal van de rechtspleging te zijn gesteld
wanneer alle voor de regelmatigheid ervan vereiste vermeldingen in die
taal zijn gesteld; hieraan doet niet af het gebruik van in de rechtstaal
algemeen gekende en aanvaarde uitdrukkingen of adagia, z...
Texte intégral
F.18.0140.N
Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
1. Situering
Het geschil betreft een aanslag in de vennootschapsbelasting voor aanslagjaar 2006 (inkomsten van het jaar 2005).
Eiseres was destijds een erkend coördinatiecentrum waarvan het belastbaar inkomen werd vastgesteld op forfaitaire wijze overeenkomstig artikel 5, §1, van het KB nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra.
Eiseres kende aan een van haar groepsvennootschappen (Electrabel Nederland Holding bv) een lening toe. Op 22 december 2005 betaalde Electrabel Holding bv de lening vervroegd terug en betaalde daarbij - zoals contractueel bepaald - aan eiseres een wederbeleggingsvergoeding van 5.611.906,11 EUR.
Naar aanleiding van een fiscale controle in 2008 stelde de fiscus vast dat een verkeerde referentierentevoet werd gebruikt en de wederbeleggingsvergoeding maar 2.853.070,69 euro had moeten bedragen zodat derhalve 2.758.835,42 euro te veel werd betaald.
De fiscus verstuurde daarop een bericht van wijziging naar eiseres, waarin zij aangaf het te veel ontvangen bedrag als een abnormaal of goedgunstig voordeel in de zin van artikel 5, §1, tweede lid, c), KB nr. 187 te zullen belasten, waarop eiseres het eenzijdige initiatief nam het te veel ontvangen bedrag aan Electrabel Nederland Holding bv terug te betalen.
Eiseres betwistte vervolgens de kwalificatie van het excessief gedeelte van de wederbeleggingsvergoeding als een abnormaal of goedgunstig voordeel, aangezien het om een vergissing en dus om een onverschuldigde betaling zou zijn gegaan.
Nadat haar bezwaar tegen de gevestigde aanslag werd verworpen, richtte eiseres zich tot de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, die evenwel haar verhaal ongegrond verklaarde bij vonnis van 7 oktober 2011.
Het hoger beroep van eiseres werd ongegrond verklaard bij arrest van het hof van beroep te Brussel dd. 28 oktober 2015.
Eiseres komt op tegen dit arrest met twee middelen tot cassatie.
2. Bespreking van het eerste middel
EERSTE ONDERDEEL
2.1. Het eerste onderdeel voert schending aan van de artikelen 24 en 37, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Volgens eiseres miskent het arrest die bepalingen doordat het tweemaal de uitdrukking "at arm's length" gebruikt, zonder de betekenis van die uitdrukking in het Nederlands te vertalen of uit te leggen.
2.2. Overeenkomstig artikel 24 Taalwet Gerechtszaken, waarvan de bepalingen, krachtens artikel 40, eerste lid, van dezelfde wet, zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid die van ambtswege door de rechter wordt uitgesproken, wordt voor al de rechtscolleges in hoger beroep, voor de rechtspleging de taal gebruikt waarin de bestreden beslissing is gesteld.
Een akte wordt geacht in de taal van de rechtspleging te zijn gesteld wanneer alle voor de regelmatigheid ervan vereiste vermeldingen in die taal zijn gesteld. Hieraan doet niet af het gebruik van in de rechtstaal algemeen gekende en aanvaarde uitdrukkingen of adagia(1).
De uitdrukking "at arm's length" lijkt mij een algemeen gekende en aanvaarde uitdrukking in het fiscaal recht en in het internationaal rechtsverkeer die in een groot aantal landen van de Europese Unie deel uitmaakt van de rechtstaal van die landen.
Het onderdeel kan m.i. dan ook niet worden aangenomen.
(...)
3. Bespreking van het tweede middel
EERSTE ONDERDEEL
3.1. Het eerste onderdeel voert aan dat de appelrechter, door zijn beslissing te laten steunen op de overweging dat de terugbetalingsplicht van een onverschuldigde betaling niet onmiddellijk zou ontstaan, het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging miskent.
3.2. Het onderdeel kan m.i. niet worden aangenomen.
De rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop toepasselijke rechtsregels. Hij moet de juridische aard van de door partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent(2).
Het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging wordt niet miskend wanneer een rechter zijn beslissing steunt op elementen die door één van de partijen werden aangevoerd of waarvan de partijen, gelet op het verloop van het debat, mochten verwachten dat de rechter ze in zijn oordeel zou betrekken en waarover zij tegenspraak hebben kunnen voeren(3).
Uit de stukken waarop Uw Hof vermag acht te slaan, blijkt dat eiseres in haar syntheseberoepsconclusie blz 4 heeft aangevoerd dat zij geen abnormaal of goedgunstig voordeel had ontvangen, aangezien zij een onverschuldigde betaling ontving en dat bij onverschuldigde betaling de terugbetalingsplicht onmiddellijk ontstaat, ook al zijn de partijen niet onmiddellijk op de hoogte van het feit dat te veel was betaald, zodat het vermogen van eiseres vanaf de ontvangst van de teveel ontvangen vergoeding met een schuld tot terugbetaling bezwaard was.
De appelrechter oordeelt dat het excessief gedeelte van de wederbeleggingsvergoeding die door eiseres verkregen werd, onmiskenbaar een abnormaal en goedgunstig voordeel is in de zin van artikel 26 WIB92 en artikel 5, §1, tweede lid c, KB nr. 187 en dat, zelfs in de hypothese van materiële vergissing die door eiseres wordt vooropgesteld, het een misvatting is dat de terugbetalingsplicht onmiddellijk ontstaat, aangezien de solvens pas een terugvorderingsrecht krijgt van zodra het onverschuldigd karakter vaststaat.
De weerlegging aldus door de appelrechter van hetgeen eiseres aanvoerde, miskent m.i. het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging niet.
(...)
DERDE ONDERDEEL
Eerste subonderdeel
3.7. In het eerste subonderdeel van het derde onderdeel voert eiseres aan dat de appelrechter het wettelijk begrip abnormaal of goedgunstig voordeel van artikel 5, §1, tweede lid, c), KB nr. 187 heeft geschonden door te oordelen dat een terugbetalingsplicht van het verkregen bedrag er niet aan in de weg staat dat dit bedrag een voordeel vormt indien deze terugbetalingsplicht pas ontstaat na het einde van de belastbare periode waarin het bedrag werd verkregen (eerste grief). Daarenboven zou de appelrechter het eenjarigheidsbeginsel vervat in artikel 360 WIB92 hebben geschonden door te beslissen dat dit beginsel verhindert dat bij de beoordeling of een verkregen bedrag een voordeel in de zin van artikel 5, §1, tweede lid, c), KB nr. 187 vormt, een terugbetalingsplicht in aanmerking wordt genomen die ontstaat na het einde van het belastbaar tijdperk waarin het bedrag werd verkregen (tweede grief).
3.8. Krachtens artikel 5, §1, KB nr. 187 wordt het belastbaar inkomen van het centrum, in afwijking van de artikelen 96 tot 115, 142 en 144 tot 148 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, op forfaitaire wijze vastgesteld. Die vaststelling geschiedt op basis van de uitgaven en werkingskosten, met uitsluiting van de personeels- en de financiële kosten, zonder dat het aldus vastgestelde inkomen lager mag zijn dan het bedrag gevormd door het totaal van (a) de niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten; (b) de andere tantièmes dan die bedoeld in artikel 108, 1°, van hetzelfde Wetboek; (c) de abnormale of goedgunstige voordelen die aan het centrum worden verleend.
3.9. In de rechtspraak en rechtsleer zijn verschillende standpunten terug te vinden over de vraag of de belastingplichtige die in het bezit komt van sommen of zaken waar hij in rechte geen aanspraak kan op doen gelden, een belastbaar inkomen verwerft in het belastbaar tijdperk waarin die sommen of zaken werden ontvangen (en wat de invloed op fiscaal vlak is van een eventuele latere restitutie). Deze discussie heeft meer bepaald betrekking op sommen of zaken door een belastingplichtige ontvangen uit onverschuldigde betaling, uit een overeenkomst die later wordt vernietigd of uit strafbare of andere ongeoorloofde verrichtingen.
Een eerste strekking argumenteert - onder verwijzing naar het fiscaal legaliteitsbeginsel, de bronnentheorie en het eenjarigheidsbeginsel van artikel 360 WIB92 - dat onverschuldigde of onrechtmatige ontvangen betalingen behoren tot de belastbare grondslag van het tijdperk waarin de verrijking zich voordoet, althans in zoverre die ontvangsten een band vertonen met een door de fiscale wet genoemde inkomstenbron (roerende inkomsten, onroerende inkomsten, beroepsinkomsten of diverse inkomsten) (en dat een teruggave in een later tijdperk tot een aftrek als beroepskost in dat latere tijdperk kan leiden, mits aan de voorwaarden van artikel 49 WIB92 is voldaan): "Een correcte toepassing van de principes van legaliteit, realiteit en annualiteit van de inkomstenbelastingen maakt alle inkomsten die voortspruiten een belastbare bron belastbaar in het jaar van de ontvangst"(4).
Een tweede strekking daarentegen argumenteert dat deze ontvangsten nooit een belastbaar inkomen uitmaken. Vermits deze ontvangsten door de belastingplichtige moeten worden terugbetaald, zou van enige verrijking geen sprake zijn(5).
3.9.1. Uw Hof lijkt - voor wat de ontvangsten van natuurlijke personen uit nietige overeenkomsten en ontvangsten uit strafbare of ongeoorloofde verrichtingen betreft - de eerste strekking aan te hangen:
* Met betrekking tot ontvangsten uit een nietige overeenkomst besliste Uw Hof herhaaldelijk dat winsten uit een beroepsactiviteit in het jaar van ontvangst als beroepsinkomsten belastbaar zijn ten name van degenen die ze ontvangen hebben, zelfs indien zij de inkomsten slechts verkregen ter uitvoering van een nietige overeenkomst(6).
* Met betrekking tot door een werknemer van zijn werkgever onrechtmatig afgeworven gelden oordeelde Uw Hof dat deze betalingen niet kunnen worden beschouwd als een bezoldiging in de zin van artikel 23 WIB92 en derhalve niet op die basis belastbaar zijn, ook al zijn deze gebeurd bij de uitoefening van de dienstbetrekking waarvoor die werknemer was aangeworven(7), maar dat zij wel kunnen worden beschouwd als baten in de zin van artikel 27 WIB92 wanneer aan die verduistering een geheel van verrichtingen ten grondslag ligt die voldoende talrijk en onderling verbonden zijn om een gewone en voortgezette bezigheid op te leveren en derhalve op die basis belastbaar zijn(8). In de lagere rechtspraak en rechtsleer wordt er op gewezen- en ook Uw Hof lijkt daarop te alluderen(9) - dat wanneer aan de verduistering niet een geheel van verrichtingen ten grondslag ligt die voldoende talrijk en onderling verbonden zijn om een gewone en voortgezette bezigheid op te leveren, ook een belasting van de verduisterde als divers inkomen op grond van artikel 90, lid 1, 1° WIB92 mogelijk is(10).
Uit die rechtspraak blijkt, minstens impliciet, dat de omstandigheid dat de gelden ontvangen uit nietige overeenkomsten, of verduisterde gelden, door de belastingplichtige moeten worden terugbetaald, geen afbreuk doet aan het feit dat het vermogen van de belastingplichtige in het belastbaar tijdperk waarin die gelden ontvangen werden, werd verrijkt. In een arrest van 22 februari 2019 stelt Uw Hof daarover zelfs expliciet: "De omstandigheid dat de verduisterde gelden moeten worden terugbetaald, doet geen afbreuk aan het feit dat die gelden effectief het vermogen van degene die zich de gelden onrechtmatig heeft toegeëigend, heeft verrijkt"(11). Ook blijkt dat, indien ontvangen gelden een band vertonen met één van de door de fiscale wet genoemde inkomstenbronnen, die gelden belastbaar zijn, ook al moeten ze worden terugbetaald.
3.9.2. Vooralsnog bestaat relatief weinig rechtspraak over de fiscale gevolgen van een onverschuldigde betaling. In een arrest van 20 juni 2002 oordeelde Uw Hof met betrekking tot een bij vergissing aan een werknemer gedane betaling, waarover werkgever en werknemer het eens zijn dat zij ten onrechte geschiedde, dat zij moet worden terugbetaald en die ook wordt terugbetaald, zelfs in het daaropvolgend aanslagjaar, geen beloning in de zin van artikel 31 WIB92 oplevert(12). De vraag rijst of Uw Hof daarmee elke belastbaarheid van een door een werknemer onverschuldigd ontvangen betaling heeft willen uitsluiten. In het licht van bovenvermelde rechtspraak met betrekking tot verduisterde gelden, kan zulks m.i. worden betwijfeld. Uw Hof oordeelde dat er geen sprake is van een bezoldiging, maar zulks neemt allicht niet weg dat er wel sprake is van een verrijking: het feit dat de gelden moeten worden terugbetaald, doet geen afbreuk aan het feit dat die gelden effectief het vermogen van degene die de gelden ontving, heeft verrijkt (cf. bovenvermeld arrest van 22 februari 2019). De gelden kunnen dan wel niet als bezoldiging belast worden (en niet als baat, aangezien onverschuldigde betalingen geen voortgezette bezigheid zullen opleveren), maar desgevallend wel als divers inkomen.
3.9.3. De hierboven besproken rechtspraak van Uw Hof heeft uitsluitend betrekking op natuurlijke personen. Er is mij geen rechtspraak bekend met betrekking tot de belastbaarheid van verduisterde gelden, onverschuldigd ontvangen gelden of gelden ontvangen ingevolge een nietige overeenkomst in hoofde van vennootschappen. M.i. is de rechtspraak die Uw Hof voor natuurlijke personen ontwikkelde evenwel transponeerbaar naar vennootschappen: ontvangt een vennootschap verduisterde gelden, een onverschuldigde betaling of gelden ingevolge een nietige overeenkomst, dan zijn die gelden belastbaar in het belastbaar tijdperk van ontvangst, mits die gelden verband houden met een van de door de fiscale wet genoemde inkomstenbronnen. Wordt een beroepswerkzaamheid uitgeoefend in vennootschapsverband, dan is het evenwel - in principe - praktisch onmogelijk om de bedoelde opbrengsten buiten de belastbare basis te houden. Er zal altijd een band zijn met de door de fiscale wet genoemde inkomstenbronnen, vermits alles wat een vennootschap verkrijgt, een opbrengst vormt van haar beroepsactiviteit en derhalve, na aftrek van kosten, aan de vennootschapsbelasting als winst onderworpen is(13).
3.10. Evenwel was eiseres in onderhavige zaak als coördinatiecentrum aan een bijzonder belastingregime onderworpen, afwijkend van de reguliere vennootschapsbelasting.
Krachtens artikel 5, §1, KB nr. 187 wordt het belastbaar inkomen van een coördinatiecentrum, in afwijking van de artikelen 96 tot 115, 142 en 144 tot 148 WIB, op forfaitaire wijze vastgesteld. Die vaststelling geschiedt op basis van de uitgaven en werkingskosten, met uitsluiting van de personeels- en financiële kosten, zonder dat het aldus vastgestelde inkomen lager mag zijn dan het bedrag gevormd door het totaal van (a) de niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten; (b) de andere tantièmes dan die bedoeld in artikel 108, 1°, WIB; (c) de abnormale of goedgunstige voordelen die aan het centrum worden verleend.
De minimaal belastbare basis werd ingevoerd om te vermijden dat aan het coördinatiecentrum verbonden vennootschappen winsten naar het centrum zouden verschuiven, als gevolg waarvan die winsten aan het normale belastingregime van die vennootschappen ontsnappen en het voordelige belastingregime van coördinatiecentra zouden genieten(14).
Een door een coördinatiecentrum in een belastbaar tijdperk ontvangen onverschuldigde betaling zal derhalve slechts belast kunnen worden wanneer die onverschuldigd ontvangen betaling als een abnormaal of goedgunstig voordeel in de zin van artikel 5, §1, tweede lid, c), KB nr. 187 kwalificeert, gelet op de bovenvermelde vereiste dat gelden slechts belastbaar zijn als zij verband houden met een door de fiscale wet genoemde inkomstenbron. Derhalve moet worden nagegaan of de door eiseres ontvangen betaling als een abnormaal of goedgunstig voordeel in de zin van die bepaling kan worden beschouwd.
Uit de voorbereidende werken van het K.B. nr. 187 blijkt dat het begrip abnormale of goedgunstige voordelen van artikel 5, §1, tweede lid, c) op eenzelfde wijze moet worden geïnterpreteerd als in artikel 26 WIB92(15).
Uit de rechtspraak van Uw Hof blijkt dat ‘abnormaal' is het voordeel dat, gelet op de economische omstandigheden van het ogenblik, strijdig is met de gewone gang van zaken en met de gevestigde handelsbeginselen of gebruiken, zonder dat de transfer noodzakelijkerwijs moet zijn geschied met het oogmerk een belastbare winst aan de belastingen te onttrekken(16). ‘Goedgunstig' is het voordeel dat wordt verleend zonder dat het strekt tot nakoming van een verbintenis of zonder enige tegenwaarde, zonder dat de wet noodzakelijkerwijs de eis stelt dat de transfer is geschiedt met de bedoeling een belastbare winst aan de belasting te onttrekken(17). Het begrip ‘voordeel' wordt in de rechtspraak van Uw Hof evenwel niet gedefinieerd. In de administratieve commentaren bij het WIB92 wordt gesteld dat als ‘voordeel' moet worden beschouwd elke verrijking van de verkrijger en, wat de verstrekker van het voordeel betreft, geen effectieve vergoeding evenwaardig aan het verstrekte voordeel(18).
Eiseres stelt dat een som die moet worden terugbetaald, niet als een ‘verrijking' kan worden beschouwd: het feit van er een terugbetalingsplicht bestaat, verhindert de kwalificatie als verrijking (en dus als voordeel)(19). Evenwel blijkt uit de bovenvermelde rechtspraak van Uw Hof met betrekking tot verduisterde gelden en met betrekking tot gelden ontvangen uit een nietige overeenkomst dat het bestaan van een terugbetalingsplicht niet verhindert dat de ontvangen geldsom in het belastbaar tijdperk waarin zij werd ontvangen, als een verrijking en dus als een voordeel moet worden beschouwd.
In zoverre het subonderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het m.i. dan ook naar recht.
3.11. In zoverre het subonderdeel de schending van het eenjarigheidsbeginsel aanvoert, kan het m.i. niet worden aangenomen.
Krachtens het eenjarigheidsbeginsel vervat in artikel 360 WIB92 wordt de voor een aanslagjaar verschuldigde belasting gevestigd op de inkomsten die de belastingplichtige in het belastbaar tijdperk heeft verkregen. De Koning bepaalt het belastbare tijdperk en de inkomsten die daartoe behoren.
Uw Hof oordeelde reeds dat inzake inkomstenbelastingen de belastingschuld definitief ontstaat op het tijdstip waarop het tijdvak wordt afgesloten waarin de inkomsten zijn verkregen die de belastbare grondslag vormen(20). Dit impliceert dat met een terugbetalingsplicht die is ontstaan na het einde van het belastbaar tijdperk waarin het bedrag werd verkregen, geen rekening kan worden gehouden bij het bepalen van de belastbare grondslag.
De appelrechter stelt vast en oordeelt dat:
* de teruggaveverplichting op het einde van het litigieuze aanslagjaar2006 niet werd gerealiseerd noch gematerialiseerd in een zekere en vaststaande schuld, en deze pas ontstond toen het onverschuldigde karakter vaststond in het aanslagjaar 2009;
* verweerder zich terecht beroept op het eenjarigheidsbeginsel;
* gelet op het eenjarigheidsbeginsel, het enkele feit dat een inkomen voorspruit uit een onverschuldigde betaling de belastbaarheid in het jaar van ontvangst niet verhindert.
Aldus verantwoordt de appelrechter zijn beslissing m.i. naar recht.
Tweede subonderdeel
3.12. In het tweede subonderdeel van het derde onderdeel argumenteert eiseres dat de appelrechter het wettelijk begrip abnormaal of goedgunstig voordeel van artikel 5, §1, tweede lid, c), koninklijk besluit nr. 187 heeft geschonden door te oordelen dat een terugbetalingsplicht en een terugbetaling van het verkregen bedrag er niet aan in de weg staan dat dit bedrag een voordeel vormt indien de terugbetalingsplicht geen aanleiding gaf tot het boeken van een schuld voor het boekjaar waarin het bedrag werd verkregen.
3.13. Gelet op wat supra werd uiteengezet bij de bespreking van het eerste subonderdeel, meen ik dat het subonderdeel faalt naar recht.
(...)
4. Besluit: Verwerping.
(1) Cass. 22 mei 2009, AR
C.08.0330.N
ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100114.8
, AC 2009, nr. 335,
ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090522.3
.
(2) Zie bijvb. Cass. 9 januari 2017, AR
C.16.0135.N
, AC 2017, nr. 18,
ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170109.3
.
(3) Zie o.a. Cass. 29 september 2011, AR
C.10.0349.N
, AC 2011, nr. 514,
ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110929.1
(4) Zie o.m. S. HUYSMAN, "Het fiscale regime van ontvangsten uit onverschuldigde betaling en van opbrengsten uit strafbare of andere ongeoorloofde verrichtingen", TFR 1996, 328.
(5) Zie o.m. D. DESCHRIJVER, noot onder Antwerpen 19 april 1994 en Antwerpen 31 mei 1994, AFT 1994, 290-292.
(6) Cass. 21 mei 1982, AR F.1058.N, AC 1982, 1171,
ECLI:BE:CASS:1982:ARR.19820521.6
; Cass. 18 maart 1976, AC 1976, 743,
ECLI:BE:CASS:1976:ARR.19760318.4
.
(7) Cass. 28 april 2016, AR
F.15.0078.N
-
F.16.0003.N
, AC 2016, nr. 290,
ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160428.3
, met andersluidende concl. van advocaat-generaal Thijs: "Het begrip ‘bezoldigingen van werknemers' in de zin van de artikelen 30, 1° en 31, eerste lid, en tweede lid, 1° en 2°, van het WIB92, omvat niet de gelden die een werknemer zich onrechtmatig heeft toegeëigend ten nadele van zijn werkgever, ook al is dit gebeurd bij de uitoefening van de dienstbetrekking waarvoor hij was aangeworven, onverminderd de eventuele belastbaarheid van deze gelden op een andere grondslag" (eigen onderlijning). Zie ook Cass. 23 november 2012, AR
F.11.0009.N
-
F.11.0013.N
, AC 2012, nr. 632,
ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121123.2
, met andersluidende concl. van advocaat-generaal Thijs.
(8) Cass. 22 februari 2019, AR
F.17.0072.N
, AC 2019, nr. 111,
ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190222.3
: "De gelden die een werknemer zich op onrechtmatige wijze toe-eigent ten nadele van zijn werkgever kunnen belastbaar zijn als baten op grond van artikel 27 WIB92 wanneer aan die verduistering een geheel van verrichtingen ten grondslag ligt die voldoende talrijk en onderling verbonden zijn om een gewone en voortgezette bezigheid op te leveren. De omstandigheid dat de verduistering slechts kan plaatsvinden omwille van de uitoefening van de dienstbetrekking waarvoor de werknemer was aangeworven, sluit de belastbaarheid van de verduisterde gelden als baten van een winstgevende bezigheid niet uit."
Zie ook Cass. 22 februari 2019, AR
F.18.0034.N
, AC 2019, nr. 113,
ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190222.5
, met gelijkluidende concl. OM (dat eveneens betrekking had op een geval waarin verduisterde gelden door de fiscus als baten in de zin van artikel 27 WIB92 werden gekwalificeerd): "Voor de belastbaarheid van inkomsten maakt de fiscale wet geen onderscheid naargelang de inkomsten al dan niet de opbrengst vormen van een geoorloofde activiteit. Verduisterde gelden kunnen bijgevolg als belastbare inkomsten worden aangemerkt. De omstandigheid dat de verduisterde gelden moeten worden terugbetaald, doet geen afbreuk aan het feit dat die gelden effectief het vermogen van degene die zich de gelden onrechtmatig heeft toegeëigend, heeft verrijkt. In het belastbaar tijdperk waarin de teruggaveverplichting wordt gerealiseerd vormt de terugbetaling van aan belasting onderworpen verduisterde gelden een fiscaal aftrekbare kost."
(9) Cass. 8 december 2017, AR
F.15.0021.F
, AC 2017, nr. 697,
ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171208.3
, met gelijkluidende concl. OM: "De omstandigheid dat geldsommen die een werknemer zich onrechtmatig toekent ten nadele van zijn werkgever, niet beantwoorden aan het begrip bezoldiging in de zin van artikel 31, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, sluit niet uit dat die geldsommen belastbare beroepsinkomsten van een andere categorie kunnen uitmaken."
(10) Zie bv. Gent 3 januari 2017, 2013/AR/1272; Rb. Bergen 14 april 2015, 12/3094/A; Rb. Luik 3 november 2014, 4/19519; R. HERMANS en W. VETTERS, "Verduisterde gelden zijn belastbaar, de verplichte terugbetaling is wel fiscaal aftrekbaar", RABG 2019, 1627.
(11) Cass. 22 februari 2019, AR
F.18.0034.N
, AC 2019, nr. 113,
ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190222.5
, met gelijkluidende concl. OM.
(12) Cass. 20 juni 2002, AR
F.00.0079.N
, AC 2002, nr. 374,
ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020620.9
.
(13) S. HUYSMAN, "Het fiscale regime van ontvangsten uit onverschuldigde betaling en van opbrengsten uit strafbare of andere ongeoorloofde verrichtingen", TFR 1996, 328.
(14) Zie het Verslag aan de Koning bij het Koninklijk Besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, BS 13 januari 1983, p. 503: "Om te vermijden dat winsten van de ondernemingen van de groep naar het centrum zouden overgeheveld worden, bepaalt het ontwerp dat de vrijstelling niet verleend wordt aan de abnormale en goedgunstige voordelen die aan het centrum worden verleend." Zie ook Memorie van Toelichting bij het Wetsontwerp van 23 oktober 1984 houdende fiscale bepalingen, Parl. St. Kamer 1984-85, nr. 1010/1, p. 14: "Zoals dat in het koninklijk besluit nr. 187 reeds het geval was wil het wetsontwerp bepaalde misbruiken voorkomen. Het voorziet dat de belastbare winst niet lager mag zijn dan de som van (i) de uitgaven en lasten die niet als bedrijfsuitgaven of -lasten aftrekbaar zijn, (ii) de andere tantièmes dan deze bedoeld in artikel 108, 1°, W.I.B., t.w. de tantièmes en vergoedingen betaald aan beheerders die normaal geen aftrekbare uitgaven uitmaken, en (iii) de abnormale of goedgunstige voordelen die aan het centrum worden verleend."
(15) Zie het Verslag aan de Koning bij het Koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, BS 13 januari 1983, p. 503: "De begrippen abnormale en goedgunstige voordelen zijn ontleend aan de artikelen 24, 53 en 115 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (1964)." Zie ook Memorie van Toelichting bij het Wetsontwerp van 23 oktober 1984 houdende fiscale bepalingen, Parl. St. Kamer 1984,85, nr. 1010/1, p. 14.
(16) Cass. 10 juni 2010, AR
F.08.0067.N
, AC 2010, nr. 414,
ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100610.5
; Cass. 12 juni 2009, AR
F.06.0085.N
, AC 2009, nr. 401,
ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090612.7
, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal Thijs; Cass. 10 april 2000, AR
F.99.0005.F
, AC 2000, nr. 240,
ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000410.13
.
(17) Cass. 10 juni 2010, AR
F.08.0067.N
, AC 2010, nr. 414,
ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100610.5
; Cass. 12 juni 2009, AR
F.06.0085.N
, AC 2009, nr. 401,
ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090612.7
, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal Thijs; Cass. 31 oktober 1979, AC. 1979, 278,
ECLI:BE:CASS:1979:ARR.19791031.8
.
(18) Comm. WIB92, art. 26 WIB92, nr. 26/16.
(19) Zie randnummer 9.3 en 10.1van de cassatievoorziening.
(20) Cass. 14 maart 2008, AR
F.07.0067.F
, AC 2008, nr. 184,
ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080314.1
.