Aller au contenu principal

ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210129.1N.6

Détails de la décision

🏛️ Hof van Cassatie 📅 🌐 NL

Matière

Belastingrecht

Résumé

De administratieve beslissing waarmee de administratieve geldboete bedoeld in de artikelen 70, § 1, en 72 Btw-wetboek wordt opgelegd, is noodzakelijk voor de totstandkoming van zulke boete; hieruit volgt dat de rechter die een dwangbevel nietig verklaart omdat het de be...

Texte intégral

F.18.0169.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen: (…) 2. Bespreking van het enig middel EERSTE ONDERDEEL 2.1. In het eerste onderdeel voert de eiser aan dat de appelrechters in het bestreden tussenarrest niet wettig de beslissing van de eerste rechter hebben bevestigd waarin deze de eiser zonder meer veroordeelde tot teruggaaf aan de verweerder van de reeds ten onrechte geïnde of betaalde boete, vermeerderd met de moratoriumintresten, zonder vast te stellen dat er krachtens de wet geen boete was verschuldigd. (Schending van het algemeen rechtsbeginsel van het openbare orde-karakter van de fiscale wetten, het fiscaal legaliteitsbeginsel, het algemeen rechtsbeginsel luidens hetwelk de rechter ertoe gehouden is het geschil te berechten overeenkomstig de daarop toepasselijke rechtsregels, de artikelen 159, 170, 172 en 173 Gw, 70, 72 en 84 WBTW, 1, in het bijzonder het eerste en laatste lid, van het KB nr. 41 van 30 januari 1987, 569, eerste lid, 32°, 632, 1068, eerste lid en 1138, 3° Ger.W.) 2.2. De eiser verwijst naar de vaste rechtspraak van Uw Hof m.b.t. de taak van de rechter in fiscale zaken. Zo besliste uw Hof in een arrest van 23 december 2016(1) dat de fiscale wet de openbare orde raakt en dat, behoudens wanneer de administratieve akte noodzakelijk is voor de totstandkoming van de belastingschuld, de rechter bijgevolg, ongeacht de nietigheid van de administratieve akte, zelf in feite en in rechte dient te beslissen over het bestaan van de belastingschuld wanneer hij daartoe wordt uitgenodigd door de vorderingen die door de partijen worden gesteld. De eiser voert in wezen aan dat de rechter die een dwangbevel nietig verklaart om reden dat het de belastingplichtige onwettig een BTW-geldboete oplegde, gelet op het openbare orde-karakter van de BTW-wetgeving, zelf in feite en in rechte moet oordelen over het verschuldigd zijn van de administratieve geldboete, wanneer hij daartoe wordt uitgenodigd door de vorderingen die door de partijen worden gesteld. De vraag die voorligt is derhalve of de leer van de rechtspraak van Uw Hof met betrekking tot de belastingschuld zelf, zoals verwoord in onder meer het voormeld arrest van 23 december 2016, ook kan worden toegepast op de administratieve BTW-geldboeten. Deze vraag dient m.i. ontkennend te worden beantwoord. De rechtspraak van Uw Hof maakt immers zelf voorbehoud voor situaties waarin de administratieve akte noodzakelijk is voor de totstandkoming van de fiscale schuld. Welnu, de verweerder voert m.i. terecht aan dat de administratieve akte noodzakelijk is voor de totstandkoming van de administratieve geldboete. In tegenstelling tot de BTW zelf, ontstaat een administratieve geldboete immers niet krachtens een wet, maar wordt zij opgelegd krachtens een wet. De eiser verwijst verder nog naar een arrest van Uw Hof van 8 april 2011(2), waarin geoordeeld werd dat de BTW-administratie een gebonden bevoegdheid heeft die haar verplicht, op grond van het fiscale legaliteitsbeginsel, ambtshalve een geldboete op te leggen zodra de voorwaarden van de artikelen 53, §1, 3°, 70, 72 en 84 WBTW vervuld zijn. Dit argument van de eiser overtuigt m.i. evenmin. Dat de bevoegdheid van de BTW-administratie een gebonden bevoegdheid is, neemt immers niet weg dat een administratieve akte noodzakelijk is voor de totstandkoming van de administratieve geldboete(3). Het lijkt mij derhalve dat het eerste onderdeel berust op een onjuiste rechtsopvatting en bijgevolg faalt naar recht. (…) 3. Besluit: Verwerping. (1) Cass. 23 december 2016, AR F.15.0083.N , AC 2016, nr. 746, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161223.2 . (2) Cass. 8 april 2011, AR C.10.0202.N , AC 2011, nr. 254, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110408.1 . (3) Overigens lijkt het mij dat het principe van de gebonden bevoegdheid wordt afgezwakt door artikel 70, §2, tweede lid, tweede volzin, WBTW en artikel 70, §3, tweede lid, tweede volzin, WBTW: de boete is niet verschuldigd wanneer de overtreding als louter toevallig kan worden aangemerkt.