ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210507.1N.8
Détails de la décision
🏛️ Hof van Cassatie
📅
🌐 NL
Matière
Unierecht
Résumé
Het is niet vereist dat een melkproducent landbouwer in hoofdberoep is,
opdat hij als producent in de zin van artikel 12, c) Verordening (EEG)
nr. 857/84, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, kan worden aangemerkt
(1). (1) Zie concl. OM.
Texte intégral
Nr. C.18.0089.N
L. S.,
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiseres woonplaats kiest,
tegen
VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, met kabinet te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20,
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de verweerder woonplaats kiest.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 juni 2017.
Advocaat-generaal Els Herregodts heeft op 16 april 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd.
Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
(...)
Eerste subonderdeel
1. Krachtens artikel 2, eerste lid, Verordening (EEG) nr. 857/84 van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5quater van Verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelproducten, is de in artikel 5quater, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde referentiehoeveelheid gelijk aan de hoeveelheid melk of melkequivalent die door de producent in het kalenderjaar 1981 is geleverd (formule A), of aan de hoeveelheid melk of melkequivalent die tijdens het kalenderjaar 1981 door een koper is gekocht (formule B), in beide gevallen verhoogd met 1 pct.
Krachtens de artikelen 3 van voornoemde verordening en 3bis, zoals ingevoegd door artikel 1 Verordening (EEG) nr. 764/89 van 20 maart 1989, kunnen de lidstaten aan welbepaalde categorieën van producenten een specifieke referentiehoeveelheid toekennen in de situaties en volgens de modaliteiten vervat in die bepalingen.
Krachtens artikel 4, eerste lid, c), Verordening (EEG) nr. 857/84 kunnen de lidstaten om de herstructurering van de melkproductie op nationaal niveau, op regionaal niveau of per aanvoergebied tot een goed einde te brengen, in het kader van de toepassing van de formules A en B, aan producenten die de landbouw als hoofdberoep beoefenen, een extra referentiehoeveelheid toekennen.
Krachtens artikel 6, eerste lid, van voornoemde verordening wordt aan iedere producent van melk en zuivelproducten, bedoeld in artikel 5quater, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 804/68 een referentiehoeveelheid toegewezen die overeenkomt met zijn rechtstreekse verkoop aan de consument in het kalenderjaar 1981, verhoogd met 1 pct.
2. Artikel 12, c), Verordening (EEG) nr. 857/84 bepaalt dat in de zin van deze verordening wordt verstaan onder producent: "de landbouwexploitant, natuurlijke of rechtspersoon of groepering van natuurlijke of rechtspersonen, waarvan het bedrijf op het geografische grondgebied van de Gemeenschap is gevestigd."
Krachtens artikel 2 Verordening (EEG) nr. 764/89 van 20 maart 1989 geldt deze definitie eveneens voor de toepassing van artikel 3bis Verordening (EEG) nr. 857/84.
3. Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt in vaste rechtspraak dat ieder die een landbouwbedrijf, dat wil zeggen een op het geografische grondgebied van de Gemeenschap gevestigd geheel van productie-eenheden, beheert en melk of zuivelproducten verkoopt of levert, de hoedanigheid van producent heeft in de zin van voornoemde bepaling (HvJ 15 januari 1991, C-341/89, Ballmann, r.o. 12; HvJ 9 oktober 1997, C-152/95, Macon, r.o. 22). Het begrip producent heeft aldus betrekking op elke landbouwexploitant die met het oog op de melkproductie op eigen verantwoordelijkheid een geheel van productie-eenheden exploiteert (HvJ 9 juli 1992, C-236/90, Maier, r.o. 11; HvJ 17 april 1997, C-15/95, EARL de Kerlast, r.o. 25).
4. Uit voormeld artikel 12, c), Verordening (EEG) nr. 857/84, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, blijkt dus dat niet vereist is dat een melkproducent landbouwer in hoofdberoep is, opdat hij als producent in de zin van die bepaling kan worden aangemerkt.
Uit het geheel van de vermelde bepalingen van de verordeningen (EEG) nr. 857/84 en 764/89 volgt aldus dat niet vereist is dat een melkproducent landbouwer in hoofdberoep is, opdat aan hem krachtens artikel 2 Verordening (EEG) nr. 857/84 een referentiehoeveelheid of krachtens de artikelen 3 en 3bis van die verordening een specifieke referentiehoeveelheid kan worden toegekend. Een melkproducent dient de landbouw uitsluitend als hoofdberoep te beoefenen om in aanmerking te komen voor de toekenning van een extra referentiehoeveelheid krachtens artikel 4, eerste lid, c), Verordening (EEG) nr. 857/84.
5. De verordeningen (EEG) nr. 857/84 en 764/89 bepalen, in overeenstemming met artikel 288, tweede lid, VWEU, dat zij verbindend zijn in al hun onderdelen en rechtstreeks toepasselijk zijn in de lidstaten. De voornoemde bepalingen van deze verordeningen, die voldoende duidelijk, bepaald en onvoorwaardelijk zijn, hebben aldus rechtstreekse gevolgen in de Belgische rechtsorde en scheppen voor de rechtzoekenden individuele rechten die door de nationale rechtbanken moeten worden beschermd.
6. De appelrechters stellen vast en oordelen dat:
- uit de voorliggende stukken blijkt dat aan de eiseres nooit een quotum (levering en/of rechtstreekse verkoop) werd toegekend omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden om een quotum te verwerven, met name omdat zij geen landbouwster in hoofdberoep was;
- de discussie in verband met het al dan niet landbouwster in hoofdberoep zijn evenwel geen enkele invloed heeft op het verschuldigd zijn van de extra hef-fing;
- de eiseres een melkproducent was en een quotum van nul liter had voor de le-veringen;
- de extra heffing wegens overschrijding van het quotum leveringen correct werd berekend op basis van de gegevens verstrekt door de zuivelfabrieken en door de eiseres zelf, overeenkomstig de geldende Europese en nationale regelge-ving.
7. Door na te hebben vastgesteld dat de toekenning van een quotum leveringen en/of rechtstreekse verkoop werd geweigerd omdat de eiseres geen landbouwster in hoofdberoep was, vervolgens bij de berekening van de door de eiseres verschuldigde extra heffing wegens overschrijding van het quotum leveringen uit te gaan van een quotum van nul liter, geven de appelrechters te kennen dat aan de eiseres terecht geen quotum leveringen en/of rechtstreekse verkoop werd toegekend, omdat zij geen landbouwster in hoofdberoep was.
Door op die grond te oordelen dat de eiseres gehouden is tot betaling van de litigieuze extra heffing wegens overschrijding van het quotum leveringen voor de campagnes 1988-1989 en 1989-1990, schenden de appelrechters voornoemde bepalingen van Verordeningen (EEG) nr. 857/84 en 764/89, die niet vereisen dat de producent landbouwer in hoofdberoep is opdat aan hem een referentiehoeveelheid kan worden toegekend.
Het subonderdeel is gegrond.
(...)
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit uitspraak doet de extra heffing wegens overschrijding van het quotum leveringen en over de kosten.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 7 mei 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende.