ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200929.2N.13
Détails de la décision
🏛️ Hof van Cassatie
📅
🌐 NL
Matière
Constitutioneel recht - Overige - Strafrecht
Texte intégral
Nr. P.20.0931.N
F. H.,
veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd,
eiser,
met als raadsman mr. Ellen De Raedt, advocaat bij de balie Gent.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 24 augustus 2020.
De eiser voert geen middel aan.
Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Ambtshalve middel
Geschonden wettelijke bepalingen en miskend algemeen rechtsbeginsel
- de artikelen 10, 11 en 159 Grondwet;
- algemeen rechtsbeginsel houdende het verbod voor de rechter om een bepaling toe te passen die een hogere norm schendt.
1. Het vonnis oordeelt dat gelet op de onderbreking van de strafuitvoering van de eiser van 24 maart 2020 tot 24 juni 2020 zijn verzoek tot de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht niet ontvankelijk is. Het maakt aldus toepassing van artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure en uitvoering van straffen en maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (hierna Corona-KB nr. 3).
2. Volgens artikel 159 Grondwet passen de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe indien zij met de wetten overeenstemmen.
3. Deze grondwetsbepaling vormt de toepassing op bestuurshandelingen van het algemeen rechtsbeginsel houdende het verbod voor de rechter om een bepaling toe te passen die een hogere norm schendt.
4. De hoven en rechtbanken hebben krachtens deze bepaling en dit algemeen rechtsbeginsel de macht en de plicht de overeenstemming na te gaan met de Grondwet en de wet van elk besluit of reglement waarop een vordering, een verweer of een exceptie is gesteund.
5. Volgens de artikelen 2 en 5, § 1, 7°, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) (hierna Corona-machtigingswet II) kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de regels aanpassen voor de uitvoering van straffen en maatregelen.
6. Artikel 5, § 2, Corona-machtigingswet II, dat bepaalt dat de op grond van de artikelen 2 en 5, § 1, 7°, Corona-machtigingswet II genomen besluiten de geldende wettelijke bepalingen mogen opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen, zelfs inzake aangelegenheden die de Grondwet uitdrukkelijk aan de wet voorbehoudt, ontslaat de Koning evenwel niet van de verplichting de Grondwet te eerbiedigen.
7. Volgens artikel 7, eerste lid, Corona-KB nr. 3 kan de onderbreking van de strafuitvoering worden toegekend, voor zover voldaan is aan andere in dit artikel bepaalde voorwaarden, hetzij aan een veroordeelde die reeds één goed verlopen penitentiair verlof heeft genoten of die reeds verlof in het kader van een beperkte detentie heeft genoten, hetzij aan een veroordeelde die behoort tot de risicogroep van personen die kwetsbaar zijn voor het ontwikkelen van ernstige symptomen door het coronavirus COVID-19.
8. Artikel 8 Corona-KB nr. 3 bepaalt de algemene voorwaarden die worden verbonden aan de beslissing tot toekenning van de onderbreking van de strafuitvoering.
9. Artikel 6, § 2, Corona-KB nr. 3 bepaalt dat de onderbreking van de strafuitvoering de uitvoering van de straf schorst voor de duur van de maatregel.
10. De door het Corona-KB nr. 3 bedoelde onderbreking van de strafuitvoering vertoont gelijkenissen met het door artikel 6 Wet Strafuitvoering bedoelde penitentiair verlof waaraan ook voorwaarden kunnen worden verbonden die de vrijheid van de betrokkene inperken. Noch het gegeven dat de bedoelde onderbreking van de straf een collectieve maatregel zou zijn en het penitentiair verlof een individuele maatregel noch de duur ervan doen afbreuk aan die gelijkenissen aangezien de toekenning ervan vereist dat voor elke veroordeelde wordt nagegaan of hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 7 Corona-KB nr. 3.
11. De door het Corona-KB nr. 3 bedoelde onderbreking van de strafuitvoering onderscheidt zich duidelijk van de in artikel 15, § 2, Wet Strafuitvoering bedoelde onderbreking van de strafuitvoering, die op vraag van de veroordeelde kan worden toegekend om ernstige en uitzonderlijke redenen van familiale aard en waaraan geen voorwaarden zijn verbonden.
12. Zowel voor de in artikel 15, § 2, Wet Strafuitvoering bedoelde onderbreking van de strafuitvoering als voor de door het Corona-KB nr. 3 bedoelde onderbreking van de strafuitvoering wordt de uitvoering van de straf geschorst tijdens de onderbreking, terwijl artikel 6, § 3, Wet Strafuitvoering bepaalt dat ingeval van penitentiair verlof de uitvoering van de straf verder loopt tijdens de duur van dit verlof.
13. De regel van de gelijkheid van de Belgen voor de wet en de regel van niet-discriminatie in het genot van aan de Belgen toegekende rechten en vrijheden, zoals vastgelegd in de artikelen 10 en 11 Grondwet, houden in dat allen die zich in eenzelfde toestand bevinden op dezelfde manier worden behandeld, maar sluit niet uit dat een onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende categorieën van personen voor zover voor het gemaakte onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld in verhouding tot het doel en de gevolgen van de genomen maatregel. Het gelijkheidsbeginsel is miskend wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
14. De strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 kan niet verantwoorden dat voor veroordeelden aan wie een door het Corona-KB nr. 3 bedoelde onderbreking van strafuitvoering is toegekend, waarvan ze de voorwaarden naleven, de duur van die onderbreking niet wordt beschouwd als een strafuitvoering.
15. Het vonnis dat bij toepassing van artikel 6, § 2, Corona KB nr. 3 bij het bepalen van de datum van toelaatbaarheid van eisers verzoek om elektronisch toezicht de periode van onderbreking van de strafuitvoering niet beschouwt als strafuitvoering schendt de vermelde grondwetsbepalingen en miskent het vermelde algemeen rechtsbeginsel.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis.
Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing.
Verwijst de zaak naar de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen, anders samengesteld.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 29 september 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.