Aller au contenu principal

ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.216.738

Détails de la décision

🏛️ Raad van State 📅 2011-12-08 🌐 NL Arrest

Matière

Bestuursrecht

Résumé

Arrest nr 216.738 van 8 december 2011 Onderwijs en cultuur - Reglementen (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Afstand

Texte intégral

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 216.738 van 8 december 2011 in de zaak A. 197.980/XII-6384 In zake: Nassira EL JATTARI woonplaats kiezend te 2100 Deurne Boterlaarbaan 210 tegen: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de scholengroep 1 - Antwerpen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Stommels kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 220 bus 14 bij wie woonplaats wordt gekozen I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 19 oktober 2010, strekt tot nietigverklaring van: 1) de beslissing van 22 juni 2010 van de raad van bestuur van de scholengroep 1 Antwerpen van het Gemeenschapsonderwijs houdende invoering van een algemeen verbod op het dragen van religieuze en politieke symbolen geldend vanaf 1 september 2010 voor alle personeelsleden van het basisonderwijs in de scholengroep 1 Antwerpen, 2) de dienstnota van 24 augustus 2010 van de algemeen directeur van de Scholengroep 1 Antwerpen “ivm religieuze en politieke symbolen”. 3) de “beslissing van onbekende datum” om Nassira El Jattari voor het schooljaar 2010-2011 geen tijdelijke aanstelling van bepaalde duur te geven binnen scholengroep 1 Antwerpen, meer bepaald in de Parkschool Ieperman te Wilrijk. XII-6384-1/6 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2011. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jan Fransen, die loco advocaat Marc Stommels verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoekster fungeert van 19 december 2008 tot 30 juni 2010 als tijdelijke leerkracht Islamitische godsdienst binnen de scholengroep 1- Antwerpen van het Gemeenschapsonderwijs. 3.2. De raad van bestuur van de scholengroep neemt op 22 juni 2010 een beslissing tot invoering van een algemeen verbod op het dragen van religieuze en politieke symbolen, geldend vanaf 1 september 2010 voor alle XII-6384-2/6 personeelsleden van het basisonderwijs in de scholengroep. 3.3. Op 24 augustus 2010 herneemt de algemeen directeur in een dienstnota nogmaals de beslissing van 22 juni 2010. 3.4. De algemeen directeur preciseert bij e-mail van 31 augustus 2010 dat het dragen van religieuze symbolen alleen tijdens de lessen levensbeschouwelijke vakken is toegelaten. Op 2 september 2010 heeft een gesprek plaats tussen de algemeen directeur, de inspecteur-adviseur Islam en verzoekster waarin verzoekster aangeeft dat zij haar hoofddoek ook buiten de islamlessen niet wenst af te nemen. IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. De eerste twee bestreden beslissingen 4.1. Zoals de Raad van State heeft vastgesteld bij arrest nr. 210.894 van 1 februari 2011, zijn de beslissingen van 22 juni 2010 en van 24 augustus 2010 ondertussen opgeheven in zoverre ze op leraars levensbeschouwlijke vakken -en dus op verzoekster- van toepassing zijn. 4.2. In de laatste memorie verklaart verzoekster “zich er mee akkoord dat zij geen belang meer heeft, nu beide beslissingen zijn opgeheven”. 4.3. Vastgesteld zij dat verzoekster niet betwist dat zij bij het beroep met betrekking tot deze beslissingen zonder belang is; haar verklaring mag als een afstand worden begrepen. B. De derde bestreden beslissing Exceptie 5. Ten aanzien van de beslissing om verzoekster voor het XII-6384-3/6 schooljaar 2010-2011 geen tijdelijke aanstelling van bepaalde duur te geven, verwijst verwerende partij naar artikel 19 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs (hierna: rechtspositiedecreet). Dit artikel bepaalt dat de kandidaten voor een tijdelijke aanstelling zich bij de scholengroep kandidaat moeten stellen voor 15 juni en dat de kandidatuur geldt voor de duur van het schooljaar waarvoor ze werd ingediend. Verwerende partij werpt op dat verzoekster zich niet tijdig kandidaat heeft gesteld, zodat er geen beslissing kon worden getroffen over haar eventuele aanstelling. Aangezien de bestreden beslissing nooit werd genomen, acht de verwerende partij ook dit deel van het beroep zonder voorwerp. 6. Verzoekster repliceert dat in artikel 19 van het rechtspositiedecreet niet wordt gepreciseerd op welke manier zij zich voor een tijdelijk contract van bepaalde duur dient kandidaat te stellen. Verzoekster stelt dat zij begin juni 2010 met haar directie over haar aanstelling heeft gesproken en dat deze heeft toegezegd om haar tijdelijk in dienst te nemen voor het schooljaar 2010-2011. Omdat andere wettelijke vormvereisten ontbreken meent zij dat dit mondeling gesprek volstaat om aan de voorwaarde van artikel 19 te voldoen. Subsidiair betoogt verzoekster dat een kandidaatstelling “niet absoluut noodzakelijk” is om effectief een aanstelling te kunnen verkrijgen. Artikel 17, § 4, van het rechtspositiedecreet bepaalt immers dat bij gebrek aan kandidaten de directeur of raad van bestuur kan afwijken van de verplichting om zich kandidaat te stellen. Beoordeling 7. Artikel 19 van het rechtspositiedecreet luidt: “§1. De kandidaten voor een tijdelijke aanstelling moeten zich bij de scholengroep kandidaat stellen vóór 15 juni. §2. De kandidatuur geldt voor de duur van het schooljaar waarvoor zij werd ingediend. §3. Laatstejaarsstudenten kunnen zich kandidaat stellen en voor een aanstelling in aanmerking komen als zij uiterlijk op 15 oktober schriftelijk aan de scholengroep laten weten dat zij aan de aanstellingsvoorwaarden XII-6384-4/6 voldoen.” 8.1. De wijze waarop deze kandidaatstelling moet gebeuren, wordt wettelijk niet verder gepreciseerd. Wel heeft het Gemeenschapsonderwijs een procedure uitgewerkt, waarbij wie in aanmerking wenst te komen voor een tijdelijke aanstelling in een statutair wervingsambt in een scholengroep elektronisch moet kandideren. Deze werkwijze is overigens tot stand gekomen na onderhandelingen met het tussencomité van het centrale niveau op 4 maart 2010 en na onderhandelingen met het tussencomité van scholengroep 1 -van wie verzoekster de beslissing bestrijdt- op 6 mei 2010. 8.2. Conform deze onderhandelingen vermeldt de “oproep tot de kandidaten voor een tijdelijke aanstelling in een statutair wervingsambt in het schooljaar 2010-2011”: “Wie in aanmerking wenst te komen voor een tijdelijke aanstelling in een statutair wervingsambt in een scholengroep moet zich vóór 15 juni 2010 kandidaat stellen. Kandidaten moeten elektronisch kandideren, via de website van het GO! Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap. Kandidaten die geen toegang hebben tot internet, kunnen terecht in de instellingen van het GO! waar zij voor het kandideren gebruik kunnen maken van een computer met internetaansluiting.” 9. Verzoekster spreekt niet tegen dat zij, zoals elk personeelslid dat als tijdelijke in dienst was in het schooljaar 2009-2010, persoonlijk via e-mail geïnformeerd is door de school over de bedoelde oproep tot kandidaten voor het schooljaar 2010-2011. 10. Verzoekster toont niet aan -beweert zelfs niet- dat zij deze wijze van kandidaatstelling heeft gevolgd. Daargelaten of een mondelinge sollicitatie in die omstandigheden nog aanvaard kan worden als geldige kandidaatstelling, valt het alleszins aan verzoekster toe om het bewijs te leveren dat zij tijdig heeft gehandeld. Dit bewijs ontbreekt. 11. Artikel 17, § 4, van het rechtspositiedecreet bepaalt dat de directie of raad van bestuur, bij gebrek aan kandidaten, mag afwijken van de XII-6384-5/6 verplichte kandidatuurstelling. Deze bepaling wijst op een facultatief optreden van de directie, waaraan een personeelslid echter geen rechten kan ontlenen. De directie heeft overigens van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt, zodat de procedure zoals geregeld in artikel 19 ten volle van toepassing blijft. 12. De exceptie is gegrond. BESLISSING 1. De afstand van het beroep tegen de eerste en de tweede bestreden beslissing wordt vastgesteld. 2. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige. 3. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 8 december 2011, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Geert Van Haegendoren, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Dierk Verbiest XII-6384-6/6