Aller au contenu principal

ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.215.327

Détails de la décision

🏛️ Raad van State 📅 2011-09-26 🌐 NL Arrest

Matière

Bestuursrecht

Résumé

Arrest nr 215.327 van 26 september 2011 Openbaar ambt - Rechten, plichten en onverenigbaarheden Beslissing : Verwerping

Texte intégral

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 215.327 van 26 september 2011 in de zaak A. 197.104/IX-6878 In zake : Philippe VAN MALDERGEM wonend te 8670 Koksijde A. Fastenaekelslaan 14 alwaar woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën die woonplaats kiest bij de Rechtskundige Dienst van de FOD Financiën gevestigd te 1030 Brussel North Galaxy - Toren B - 26ste verdieping Koning Albert II-laan 33 bus 15 I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 16 juli 2010, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 6 mei 2010 van de voorzitter van het directiecomité waarbij aan Philippe Van Maldergem de cumulatiemachtiging wordt geweigerd om in bijberoep de activiteit uit te oefenen van de verkoop en het beheer van verzekeringen op zelfstandige basis te Zottegem in opdracht van de maatschappijen AXA en LAR Rechtsbijstand, beide gevestigd te Brussel. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-6878-1/16 Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 september 2011. Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. De verzoeker, en inspecteur Jan De Vleeschouwer, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op het tijdstip van de bestreden beslissing is de verzoeker als adjunct-financieel assistent verbonden aan de administratie van de ondernemings- en inkomstenfiscaliteit (hierna: AOIF), sector BTW, alwaar hij vanaf 1999 werkzaam is als opsporingsambtenaar. 3.2. De verzoeker oefent sinds 1997 eveneens de nevenactiviteit van zelfstandig verzekeringsagent uit. Hiertoe diende hij in 1997, 1998 en 2001 cumulatieaanvragen in, die hem telkens werden toegekend. IX-6878-2/16 3.3. Naar aanleiding van de rondzendbrief van 11 maart 2008 betreffende de nieuwe regeling in verband met machtigingen tot cumulatie dient de verzoeker op 21 maart 2008 een nieuwe cumulatieaanvraag in. Hij beschrijft de beoogde activiteit als het als zelfstandige aanbrengen en beheren van een heel beperkte verzekeringsportefeuille voor de maatschappijen AXA en LAR Rechtsbijstand. Deze activiteit zou hem ongeveer twee uur per jaar vergen. Hij specificeert dat hij geen belastingaangiften invult, dat het geringe aantal klanten afkomstig is van Zottegem, terwijl hij in Brussel werkt en dat het gaat om niet fiscaal gerelateerde verzekeringen. Op 29 mei 2008 weigert de voorzitter van het directiecomité de cumulatiemachtiging. Tegen deze beslissing wordt door de verzoeker beroep ingesteld bij de Raad van State. Met zijn arrest nr. 202.015 van 17 maart 2010 vernietigt de Raad van State de voormelde beslissing ingevolge de vastgestelde schending van de motiveringsplicht. 3.4. Op 6 mei 2010 weigert de voorzitter van het directiecomité opnieuw de gevraagde machtiging. Dit is de bestreden beslissing die met een aangetekend schrijven van dezelfde datum aan de verzoeker wordt betekend. Zij is als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat de rijksambtenaar zich niet mag plaatsen en zich niet mag laten plaatsen in een toestand van belangenconflicten, dit wil zeggen in een toestand waarin hij door zichzelf of door een tussenpersoon een persoonlijk voordeel heeft dat van aard is om de onpartijdige en objectieve uitoefening van zijn ambt te beïnvloeden of de gewettigde verdenking te doen ontstaan van zulke invloed; Overwegende dat onder persoonlijk voordeel wordt verstaan elk voordeel voor het personeelslid of ten gunste van zijn gezin, ouders, vrienden en naasten of organisaties waarmee hij persoonlijke, zakelijke of politieke relaties heeft of gehad heeft; Overwegende dat in de manier waarop de rijksambtenaar de dossiers behandelt, hij op een strikte manier de beginselen van neutraliteit, van gelijkheid in behandeling en van naleving van de wetten, de reglementen en de richtlijnen dient te eerbiedigen; IX-6878-3/16 Overwegende dat de hoedanigheid van rijksambtenaar onverenigbaar is met elke activiteit die het vervullen van zijn ambtsplicht belemmert; Overwegende dat bij zijn ambtsuitoefening de rijksambtenaar elke situatie dient te vermijden die van die aard is dat ze het vertrouwen van het publiek in zijn volledige neutraliteit in het gedrang zou kunnen brengen; Overwegende dat bij zijn ambtsuitoefening de rijksambtenaar elke activiteit die de waardigheid van het ambt aantast, het ambt schade toebrengt of het vervullen van de ambtsplichten belemmert, dient te vermijden; Overwegende dat de heer VAN MALDERGEM Philippe, in zijn hoedanigheid van vastbenoemde adjunct-financieel assistent bij de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, sector BTW, een functie uitoefent behorend tot het niveau C; Overwegende dat de heer VAN MALDERGEM Philippe, in zijn hoedanigheid van adjunct-financieel assistent bij de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, sector BTW, optreedt als opsporingsambtenaar; Overwegende dat de heer VAN MALDERGEM Philippe in zijn hoedanigheid van vastbenoemde adjunct-financieel assistent bij de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, sector BTW gehouden is tot een persoonlijk contact met het publiek en met belastingplichtigen; Overwegende dat de heer VAN MALDERGEM Philippe een beperkte portefeuille aanbrengt en beheert, meer bepaald de verkoop en het beheer van verzekeringen op zelfstandige basis te 9620 Zottegem in opdracht van AXA te Brussel en van LAR Rechtsbijstand te Brussel; Overwegende dat: 1) - de maatschappij AXA gevestigd is te Brussel, standplaats waarbinnen de heer VAN MALDERGEM Philippe tewerkgesteld wordt; - de maatschappij LAR Rechtsbijstand gevestigd is te Brussel, standplaats waarbinnen de heer VAN MALDERGEM Philippe tewerkgesteld wordt; - deze maatschappijen door de heer VAN MALDERGEM Philippe onderworpen zouden kunnen worden, in het kader van zijn hoedanigheid van fiscaal ambtenaar, aan een fiscale controle gelet op het feit dat de heer VAN MALDERGEM Philippe verbonden is aan de administratie van de BTW, registratie en domeinen (sector BTW) te Brussel als opsporingsagent bij een lokale opsporingsdirectie; - de heer VAN MALDERGEM Philippe deze maatschappijen zou kunnen bevoordelen tegenover andere maatschappijen in verband met fiscale aangelegenheden; - de heer VAN MALDERGEM Philippe zich plaatst in een situatie waar hij de onpartijdige en objectieve uitoefening van zijn ambt van fiscaal ambtenaar in IX-6878-4/16 het gedrang brengt omdat de verdenking zou kunnen ontstaan dat zo de maatschappijen AXA te Brussel en LAR Rechtsbijstand te Brussel rechtstreeks of onrechtstreeks bevoordeeld worden inzake hun fiscale aangelegenheden ingevolge zijn band die hij heeft met deze maatschappijen; - de heer VAN MALDERGEM Philippe, ingevolge zijn hoedanigheid van fiscaal ambtenaar, bevoegd als opsporingsagent bij een lokale opsporingsdirectie bij de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, sector BTW te Brussel, de indruk zou kunnen geven dat het voor deze maatschappijen een fiscaal voordeel zou kunnen opleveren indien zij samenwerken met de heer VAN MALDERGEM Philippe in verband met het beheer en aanbrengen van een beperkte portefeuille. Hierdoor zou de heer VAN MALDERGEM Philippe: - het beginsel van gelijkheid in behandeling kunnen schenden door de maatschappijen AXA te Brussel en LAR Rechtsbijstand te Brussel fiscaal voordeliger te behandelen dan andere maatschappijen; - het beginsel van de naleving van de wetten, reglementen en richtlijnen in het gedrang kunnen brengen door deze wetten, reglementen en richtlijnen op een andere manier toe te passen en/of te interpreteren voor deze maatschappijen dan voor andere maatschappijen. 2) - de heer VAN MALDERGEM Philippe klanten zou kunnen hebben die, wat hun fiscaal dossier betreft, onder het ressort vallen van Brussel waarbinnen hij tewerkgesteld wordt; - de klanten van de heer VAN MALDERGEM Philippe door hem onderworpen zouden kunnen worden, in het kader van zijn hoedanigheid als fiscaal ambtenaar, aan een fiscale controle gelet op het feit dat hij verbonden is aan de administratie van de BTW, registratie en domeinen (sector BTW) te Brussel als opsporingsagent bij een lokale opsporingsdirectie; - de heer VAN MALDERGEM Philippe zijn klanten zou kunnen bevoordelen tegenover niet-klanten in verband met fiscale aangelegenheden; - de heer VAN MALDERGEM Philippe zich plaatst in een situatie waar hij de onpartijdige en objectieve uitoefening van zijn ambt van fiscaal ambtenaar in het gedrang brengt omdat de verdenking zou kunnen ontstaan dat zo zijn klanten rechtstreeks of onrechtstreeks bevoordeeld worden inzake hun fiscale aangelegenheden ingevolge (de) band die hij met hen heeft. Hierdoor zou de heer VAN MALDERGEM Philippe: - het beginsel van gelijkheid in behandeling kunnen schenden zijn klanten fiscaal voordeliger te behandelen tegenover niet-klanten; - het beginsel van de naleving van de wetten, reglementen en richtlijnen in het gedrang kunnen brengen door deze wetten, reglementen en richtlijnen op een andere manier toe te passen en/of te interpreteren voor zijn klanten tegenover niet-klanten; - het beginsel van neutraliteit kunnen schenden omdat er een vermenging kan ontstaan van zijn hoedanigheid van fiscaal ambtenaar en zijn hoedanigheid van zelfstandige verkoper en beheerder van verzekeringen waardoor hij het IX-6878-5/16 vertrouwen van het publiek in zijn volledige neutraliteit in het gedrang zou kunnen brengen. 3) - de heer VAN MALDERGEM Philippe de waardigheid van zijn ambt in het gedrang brengt en het vervullen van zijn ambtsplichten zouden kunnen worden belemmerd door de ene dag in opdracht van de maatschappijen AXA te Brussel en van LAR Rechtsbijstand te Brussel een beperkte portefeuille aan te brengen en te beheren, meer bepaald de verkoop en het beheer van verzekeringen aan klanten, en de andere dag diezelfde klanten te confronteren met een fiscaal of administratief onderzoek; - de heer VAN MALDERGEM Philippe zich zou kunnen bezighouden met de fiscaliteit van de maatschappijen AXA te Brussel en van LAR Rechtsbijstand te Brussel.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 4. De verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van de formele motiveringswet. Hij stelt dat de in die wet vervatte motiveringsplicht inhoudt dat de motivering niet mag bestaan uit algemene formuleringen, maar dat zij concreet moet zijn. Onder verwijzing naar meerdere motieven uit de bestreden beslissing stelt de verzoeker dat die overwegingen niet meer zijn dan standaardformules die op alle ambtenaren van toepassing zijn. Zo dient elke rijksambtenaar de wetten, reglementen en richtlijnen na te leven en zich te onthouden van de uitoefening van activiteiten waardoor hij belemmerd wordt in de uitoefening van zijn ambtsplichten of waardoor het vertrouwen van het publiek in zijn neutraliteit wordt geschaad of de waardigheid van zijn ambt wordt aangetast. Die overwegingen zijn dan ook niet specifiek op hem van toepassing. Er wordt geen nieuw element naar voor gebracht in vergelijking met de motivering van de vernietigde beslissing van 29 mei 2008 IX-6878-6/16 5. De verwerende partij antwoordt dat de verzoeker alleen maar de, inderdaad zeer algemene, overwegingen citeert waarmee de motivering van de bestreden beslissing begint (te weten de overwegingen één tot zes) maar dat hij geen opmerkingen maakt over de daaropvolgende overwegingen waarin de toestand van de verzoeker wordt geconcretiseerd. De verzoeker kan derhalve niet ernstig voorhouden dat de bestreden beslissing enkel gegrond is op algemene standaardformules die van toepassing zijn op alle ambtenaren. 6. In zijn memorie van wederantwoord laat de verzoeker bijkomend gelden dat ook de overwegingen zeven tot tien, die over de feitelijke gegevens gaan, niet concreet genoeg zijn. Hij argumenteert dat, waar de nadruk wordt gelegd op het feit dat de vestigingsplaats van de maatschappijen AXA en LAR Rechtsbijstand dezelfde is als de standplaats van de verzoeker, wat het beginsel van de gelijke behandeling en het beginsel van de neutraliteit zou kunnen schaden, de verwerende partij het eventuele voor- of nadeel van klanten koppelt aan een plaats terwijl dit niet pertinent is, gezien de mogelijkheid van e-mailverkeer. Waar zij andermaal verwijst naar verzoekers standplaats te Brussel om aan te voeren dat hij klanten zou kunnen bevoordelen tegenover niet-klanten in verband met fiscale aangelegenheden en dat hij zich plaatst in een situatie waarin hij de onpartijdige en objectieve uitoefening van zijn ambt in het gedrang brengt omdat de verdenking zou kunnen ontstaan dat zijn klanten rechtstreeks of onrechtstreeks bevoordeeld zouden worden in hun fiscale aangelegenheden, hanteert de verwerende partij opnieuw een algemene standaardformule. Ook het motief dat de verzoeker de waardigheid van zijn ambt in het gedrang zou kunnen brengen en dat hij zich zou kunnen bezighouden met de fiscaliteit van de maatschappijen AXA en LAR Rechtsbijstand is volgens de verzoeker nietszeggend, aangezien de verwerende partij niet concreet aantoont hoe de waardigheid van het ambt in gevaar komt door de cumulactiviteit. Hij argumenteert verder dat rekening moet worden gehouden met de eigenheid van IX-6878-7/16 zijn functie als opsporingsagent te Brussel, waarbij hij enkel medewerking verleent aan de onderzoeken onder toezicht van de opsporingsdirecteur. Er is geen direct verband aangetoond tussen zijn arbeidsprestaties en zijn hobby. Het is evenmin duidelijk hoe de verwijzing naar het feit dat hij tot niveau C behoort een motivering kan vormen. 7. In zijn laatste memorie voert de verzoeker nog aan dat hij in zijn memorie van wederantwoord slechts gerepliceerd heeft op de stelling van de verwerende partij en dat hij daarbij geenszins een nieuwe grondslag heeft gegeven aan zijn middel. Beoordeling 8. Terecht stelt de verzoeker dat de motivering, wil zij afdoende zijn, niet mag bestaan uit loutere standaardformules die op verschillende situaties van toepassing kunnen zijn maar dat zij moet toegespitst zijn op de concrete gegevens eigen aan verzoekers situatie. 9. Artikel 12, §§ 2 en 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel (hierna: het koninklijk besluit van 2 oktober 1937), zoals ingevoegd door het koninklijk besluit van 14 juni 2007 houdende wijziging van verscheidene reglementaire bepalingen, luidt als volgt: “§ 2.- De vraag tot cumulatie wordt door de ambtenaar ingediend bij zijn hiërarchische meerdere. Zij dient verplicht te omvatten : 1° de zo nauwkeurig mogelijke aanwijzing van de beoogde activiteit; 2° de duur van de beoogde activiteit; 3° de gemotiveerde bevestiging dat de activiteit geen aanleiding kan geven, zelfs in de toekomst, tot een toestand van belangenconflict. § 3.- Wanneer hij het nodig acht, vraagt de hiërarchische meerdere aan de ambtenaar bijkomende informatie of verantwoordingsstukken. IX-6878-8/16 De hiërarchische meerdere zendt de vraag, langs hiërarchische weg, met zijn beoordeling, aan de voorzitter van het directiecomité of aan zijn afgevaardigde. De voorzitter van het directiecomité of zijn afgevaardigde, vraagt wanneer hij het nodig acht, aan de ambtenaar bijkomende informatie of verantwoordingsstukken.” Uit het voorgaande blijkt dat de overheid ertoe gehouden is om de aanvragen tot cumulatiemachtiging geval per geval te beoordelen, aan de hand van de beschrijving die de aanvrager heeft gegeven van de activiteit die hij wil uitoefenen. Derhalve houdt de motiveringsplicht in dat die beslissingen telkens in concreto, rekening houdend met de individuele gegevens die door elke aanvrager worden aangevoerd, aangeven waarom al dan niet een machtiging tot cumulatie wordt toegestaan. 10. De verzoeker stelt terecht dat in de eerste zes overwegingen van de bestreden beslissing de algemene principes worden aangehaald die de cumulatieregeling beheersen. Dit zijn uiteraard algemene overwegingen omdat zij bij elke beslissing over een cumulatieaanvraag toepasselijk zijn. Evenwel blijkt dat vervolgens, in de volgende vijf overwegingen, die nog verder onderverdeeld zijn en waarvan de redactie meerdere bladzijden beslaat, de voormelde beginselen worden afgetoetst aan verzoekers concrete situatie. Er kan dan ook niet worden aangenomen, zoals de verzoeker voorhoudt, dat alle motieven van de bestreden beslissing loutere stijlformules zijn die voor elk geval kunnen worden aangewend. 11. Volgens vaste rechtspraak van de Raad van State is een verzoeker verplicht om in zijn verzoekschrift al zijn middelen uiteen te zetten. De middelen die voor het eerst in latere procedurestukken worden uiteengezet zijn niet ontvankelijk, behoudens wanneer een middel van openbare orde wordt ingeroepen, dat ontvankelijk kan worden aangevoerd, omdat een dergelijk middel ambtshalve door de Raad van State wordt opgeworpen en wanneer een middel pas kan worden aangevoerd na kennisname van het administratief dossier, neergelegd door de verwerende partij in het kader van de procedure voor de Raad van State. IX-6878-9/16 Het begrip nieuw middel geldt ook voor de nieuwe uiteenzetting van het middel, waardoor de verzoeker een nieuwe grondslag verleent aan het middel. Om die reden kan niet worden ingegaan op de kritiek die de verzoeker voor het eerst in zijn memorie van wederantwoord aanvoert tegen de overige motieven van de bestreden beslissing. 12. Het middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 13. De verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van het gelijkheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het neutraliteitsbeginsel en het discriminatiebeginsel. Hij stelt vooreerst dat de weigering om hem een cumulatiemachtiging toe te staan onredelijk is, nu hij als fiscaal ambtenaar enkel zijn medewerking verleent aan fiscale onderzoeken en vaststellingen doet die nuttig zijn voor taxatie, dit alles onder toezicht van de opsporingsdirecteur, zonder zelf taxatie te doen. Hij merkt op dat hij geen controles ten gronde uitvoert van fiscale dossiers en dat hij in het kader van zijn nevenactiviteit geen belastingaangiften invult, noch fiscaal advies verstrekt. Evenmin doet hij levensverzekeringen of hypothecaire leningen. Verder is zijn bevoegdheid als ambtenaar beperkt tot Brussel terwijl zijn klanten in Zottegem en omstreken wonen, buiten zijn ambtsgebied. Bovendien schendt de bestreden beslissing het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel. Immers zou, in de hypothese dat hij gewoon lid zou zijn van een vereniging, de kans zeer reëel zijn dat er zich onder de leden van die vereniging personen bevinden waarvoor de verzoeker enige vaststelling zou moeten doen die nuttig zou kunnen zijn voor taxatie. Nochtans moet hij geen IX-6878-10/16 machtiging vragen om lid te worden van een vereniging, zodat een onrechtmatig onderscheid wordt gemaakt tussen burgers die behoren tot eenzelfde vereniging waarvoor het cumulatieverbod niet geldt en burgers die eenzelfde activiteit uitoefenen en waarvoor dat verbod wel bestaat. Voor die ongelijke behandeling bestaat geen redelijke verantwoording. Voorts laat de verzoeker gelden dat in de bestreden beslissing steeds de voorwaardelijke wijs wordt gehanteerd, waaruit duidelijk blijkt dat de cumulatieaanvraag wordt geweigerd omwille van een hypothetisch gevaar van belangenvermenging of aantasting van onafhankelijkheid of onpartijdigheid. De verwerende partij verduidelijkt niet in welke mate zij dit hypothetisch gevaar bij de verzoeker aanwezig acht. Hij voert ten slotte aan dat in de beslissing wordt overwogen dat hij zich zou kunnen inlaten met de fiscaliteit van de maatschappijen AXA en LAR Rechtsbijstand te Brussel, terwijl in de vroeger toegekende cumulatiemachtiging duidelijk wordt gesteld dat hij niet is tewerkgesteld op een kantoor waarvan het ambtsgebied samenvalt of grenst aan dat van zijn activiteitenzone. 14. De verwerende partij laat in haar memorie van antwoord gelden dat de verzoeker niet betwist dat de beide verzekeringsmaatschappijen wier producten hij aanbiedt gevestigd zijn binnen zijn ambtsgebied. Voorts wijst zij erop dat de opsporingsdienst waaraan de verzoeker verbonden is bijdraagt tot de fiscale taxatie en dat hij als verzekeringsmakelaar optreedt als tussenpersoon tussen de verzekeringsmaatschappij en de klanten, zodat er, benevens een zakenrelatie met zijn klanten, eveneens een band bestaat met de verzekeringsmaatschappijen zelf. Het is, aldus de verwerende partij, niet onredelijk om bij het beoordelen van een cumulatieaanvraag met de voormelde argumenten rekening te houden. Waar de verzoeker de schending van het gelijkheids- en het niet-discriminatiebeginsel aanvoert laat de verwerende partij gelden dat de IX-6878-11/16 artikelen 9 en 12 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 voorzien in een verschillende regeling inzake cumulatie van een ambt met bezoldigde dan wel onbezoldigde activiteiten. Indien het om een bezoldigde activiteit gaat moet een cumulatiemachtiging worden aangevraagd, terwijl voor een onbezoldigde activiteit een melding volstaat wanneer de mogelijkheid bestaat dat zich een belangenconflict zou voordoen. Het verschil in behandeling waarnaar de verzoeker verwijst vloeit derhalve voort uit de reglementering zelf. Zij is verantwoord door de omstandigheid dat de ambtenaar door de aard van de betrekkingen met de werkgever of de klanten veel frequenter met belangconflicten zal worden geconfronteerd. Bovendien zijn aan een bezoldigde activiteit nog andere voorwaarden verbonden zoals de uitoefening buiten de uren en het vereiste dat de activiteit slechts bijkomstig is ten aanzien van het ambt, voorwaarden die enkel door een aanvraagsysteem kunnen worden gecontroleerd. Waar de verzoeker laat gelden dat in de bestreden beslissing veelvuldig gebruik wordt gemaakt van de voorwaardelijke wijs stelt de verwerende partij dat bij de beoordeling van een cumulatieaanvraag niet enkel moet worden nagegaan of er een actueel belangenconflict is maar ook of de activiteit in de toekomst aanleiding zou kunnen geven tot een belangenconflict. Om deze reden dient de aanvrager van een cumulatiemachtiging te vermelden of de activiteit in de toekomst aanleiding zou kunnen geven tot een belangenconflict. 15. De verzoeker laat in zijn memorie van wederantwoord gelden dat de ongelijke behandeling waarvan sprake zijn oorzaak niet vindt in de reglementering. Volgens hem dient in artikel 9 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 een algemene definitie van een belangenconflict, zijnde een toestand, gelezen te worden, terwijl enkel het artikel 12 betrekking heeft op het uitoefenen van een activiteit. Evenmin gaat het volgens de verzoeker op te stellen dat een bezoldigde activiteit een frequenter risico op belangenconflicten inhoudt. IX-6878-12/16 Aangezien hij in het verleden voor dezelfde activiteit reeds meermaals een cumulatiemachtiging bekwam mocht hij redelijkerwijze aannemen dat hij ook nu de machtiging zou bekomen. 16. In zijn laatste memorie laat de verzoeker gelden dat een ambtenaar, waar hij ook tewerkgesteld is, steeds dient te handelen onder het gezag van en in het belang van de overheid, zonder haar belangen te schaden. Zo hij deze plichten verzuimt kan hij tuchtrechtelijk gesanctioneerd worden. Hij laat voorts gelden dat er niet zonder meer kan worden voorgehouden dat het risico op belangenconflicten groter is bij het uitoefenen van een bezoldigde nevenactiviteit. Hij volhardt dat er een ongelijkheid wordt gecreëerd tussen ambtenaren die lid zijn van een vereniging en ambtenaren die een nevenactiviteit wensen uit te oefenen tegen geringe betaling. Beoordeling 17. Bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van een cumulatieactiviteit dient de overheid steeds na te gaan of de gevraagde activiteit de ambtenaar voor een belangenconflict zou kunnen plaatsen. Daarbij beschikt de overheid over een ruime discretionaire bevoegdheid die enkel de redelijkheid als grens heeft. Derhalve kan de Raad van State het oordeel van de verwerende partij enkel dan onwettig bevinden indien het kennelijk onredelijk is, dat wil zeggen dat geen enkele in redelijkheid oordelende overheid een dergelijke beslissing zou nemen. Te dezen steunt de weigering van de cumulatieaanvraag onder meer op de overweging dat de verzoeker er als opsporingsambtenaar bij de lokale opsporingsdirectie te Brussel toe gebracht zou kunnen worden om opsporingsdaden te stellen tegen de maatschappijen wier belangen hij dient tegen betaling, vermits die maatschappijen hun maatschappelijke zetel hebben in zijn ambtsgebied. Zelfs indien de verzoeker, zoals hij voorhoudt, enkel zijn IX-6878-13/16 medewerking verleent aan fiscale onderzoeken en vaststellingen doet die nuttig zijn voor taxatie, onder toezicht van de opsporingsdirecteur, kunnen zijn vaststellingen toch mede bepalend zijn voor de taxatie. Doordat de verzoeker opsporingsambtenaar is voor Brussel is het oordeel dat er een belangenconflict zou kunnen ontstaan realistisch. Er kan dan ook niet worden gesteld dat de weigering kennelijk onredelijk is. 18. Waar de verzoeker gewag maakt van de schending van het gelijkheidsbeginsel moet gewezen worden op artikel 12 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, dat een specifieke modaliteit inhoudt van het in artikel 9 van dat besluit voorziene algemeen verbod voor een ambtenaar om zich te plaatsen in een toestand waar de belangen van de overheid zouden kunnen strijden met zijn persoonlijke belangen. De door de verzoeker ontwaarde ongelijke behandeling is derhalve niet gecreëerd door de bestreden beslissing, doch vloeit voort uit de toepasselijke regelgeving. De verzoeker overtuigt niet waar hij stelt dat er geen aanvaardbare reden is om een onderscheid te maken tussen degene die een sociale activiteit organiseert en degene die er aan deelneemt. Het is immers duidelijk dat er een essentieel verschil bestaat tussen het lid zijn van een vereniging en daar contacten te hebben en de situatie waarbij een persoon tegen betaling een bepaalde activiteit ontplooit die contacten met derden met zich brengt. Daargelaten nog de vaststelling dat een ambtenaar, zo het zuivere lidmaatschap van een vereniging hem in een belangenconflict zou brengen, daar ook zijn oversten moet van op de hoogte brengen, kan moeilijk ontkend worden dat de kans op een belangenconflict groter is en het conflict stringenter is wanneer de financiële belangen van die ambtenaar meespelen. Er valt dan ook niet in te zien hoe te dezen sprake zou kunnen zijn van een schending van de gelijkheidsregel en van het verbod tot discriminatie. Gelet op de evenwichtige beoordeling door de verwerende partij van de aanvraag van de verzoeker werd het neutraliteitsbeginsel niet geschonden. IX-6878-14/16 De verwerende partij kan ten slotte worden bijgetreden waar zij stelt dat bij de beoordeling van een cumulatieaanvraag niet enkel moet worden nagegaan of er een actueel belangenconflict bestaat maar ook of de activiteit mogelijk in de toekomst aanleiding zou kunnen geven tot een belangenconflict. Dit blijkt uit artikel 12 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 dat stelt dat de aanvrager van een cumulatiemachtiging moet vermelden of de activiteit mogelijk in de toekomst aanleiding zou kunnen geven tot een belangenconflict. In die zin kan het gebruik van de voorwaardelijke wijs in de bestreden beslissing de verwerende partij niet ten kwade geduid worden. 19. Het middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. IX-6878-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 26 september 2011, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-6878-16/16