Aller au contenu principal

ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.214.690

Détails de la décision

🏛️ Raad van State 📅 2011-07-18 🌐 NL Arrest

Matière

Bestuursrecht

Résumé

Arrest nr 214.690 van 18 juli 2011 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping

Texte intégral

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 214.690 van 18 juli 2011 in de zaak A. 195.980/XIV-32.081 In zake : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jessie Appelen kantoor houdend te 3980 Tessenderlo Schutpenning 31 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 24 maart 2010, strekt tot de vernietiging van het arrest nr. 38.974 van 19 februari 2010 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking nr. 5592 van 4 mei 2010 wordt het cassatieberoep toelaatbaar verklaard. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Robert Vander Elstraeten heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. XIV- 32.081-1/5 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 mei 2011 om 10.45 uur. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Catherine Van Cutsem, die loco advocaat Jessie Appelen verschijnt voor de verzoeker, en attaché Sara Bottu, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste Auditeur-afdelingshoofd Robert Vander Elstraeten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De verzoeker verklaart zich op 26 augustus 2008 een tweede maal vluchteling in België. De commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen neemt op 27 oktober 2009 een beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus. Op 7 december 2009 tekent de verzoeker tegen die weigeringsbeslissing beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Met een arrest van 19 februari 2010 weigert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zowel de vluchtelingenstatus als de subsidiaire beschermingsstatus aan de verzoeker. Dit is het bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel XIV- 32.081-2/5 4. De verzoeker werpt in een enig, genoemd “eerste”, middel de schending op van artikel 39/76, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. (Vreemdelingenwet) Hij citeert die bepaling en voert aan dat hij verscheidene convocaties en medische attesten heeft bijgebracht, dat in het bestreden arrest niet aan de waarachtigheid van die stukken wordt getwijfeld maar dat zijn relaas toch als ongeloofwaardig wordt bestempeld. De verzoeker heeft een aantal stukken bijgebracht, waaronder een convocatie van 5 januari 2009 voor de rechtbank die hij uiterst belangrijk acht voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas, temeer daar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er verzoeker zelf van verdenkt strafrechtelijke feiten te hebben gepleegd. Mede gelet op het arrest nr. 81/2008 van het Grondwettelijk Hof van 27 mei 2008, moet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met alle stukken van het geding rekening houden. Volgens de verzoeker maakt de loutere motivering dat de nieuwe gegevens niet in aanmerking worden genomen, enkel omdat zij niet vertaald waren, een schending van artikel 39/76, § 1, van de Vreemdelingenwet uit. 5. In de memorie van wederantwoord herhaalt de verzoeker het middel. Hij voegt toe dat het argument van de verwerende partij als zou de aangehaalde rechtspraak niet van toepassing zijn omdat de stukken niet in de proceduretaal zijn opgesteld, niet geldt omwille van de aard van de materie (asielaanvraag) en de eventuele verregaande gevolgen voor de verzoeker. Beoordeling 6. Artikel 39/76, § 1, van de Vreemdelingenwet houdt overeenkomstig de lezing die het Grondwettelijk Hof er in zijn arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008 aan heeft gegeven in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verplicht is om de hem voorgelegde nieuwe gegevens te onderzoeken. Indien de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een nieuw gegeven niet in aanmerking neemt, moet hij de reden daarvoor opgeven en die reden moet uit zijn arrest blijken. Te dezen blijkt vooreerst dat de convocaties van 12 november 2007, 7 mei 2008 en 25 september 2008, evenals “de medische attesten betreffende het feit dat er bij verzoeker een kogel in de longen zit” reeds deel uitmaken van het administratief dossier van het commissariaat-generaal. Het gaat dus niet om nieuwe stukken die voor het eerst XIV- 32.081-3/5 tijdens de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen werden voorgelegd. Artikel 39/76, § 1, van de Vreemdelingenwet is er daarom niet op van toepassing. Het enige middel mist in die mate feitelijke grondslag. Vervolgens blijkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen terdege rekening met de convocatie van de rechtbank van 5 januari 2009 te hebben gehouden. In het bestreden arrest wordt immers overwogen “dat dit stuk niet gesteld is in de proceduretaal en niet werd vertaald, zodat de Raad dit stuk op basis van artikel 8 PR RvV niet in overweging neemt”. De reden waarom het stuk niet verder in overweging is genomen blijkt derhalve uit het bestreden arrest. Artikel 39/76, § 1, van de Vreemdelingenwet verzet er zich niet tegen dat een nieuw gegeven wordt verworpen omdat het niet aan het bepaalde in artikel 8 van het koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voldoet, met name omdat het niet is vertaald. Het enige middel is in die mate ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op 175 euro. XIV- 32.081-4/5 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien juli tweeduizend en elf, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: André Beirlaen, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, met bijstand van Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf André Beirlaen XIV- 32.081-5/5