Aller au contenu principal

ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.213.477

Détails de la décision

🏛️ Raad van State 📅 2011-05-26 🌐 NL Arrest

Matière

Bestuursrecht

Résumé

Arrest nr 213.477 van 26 mei 2011 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Vernietiging

Texte intégral

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 213.477 van 26 mei 2011 in de zaak A. 188.229/XII-5446 In zake: Yvan DE MESMAEKER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dominique Matthys kantoor houdend te 9000 Gent, Sint-Annaplein 34 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 3078 Kortenberg Veldstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 19 mei 2008, strekt tot de nietigverkla- ring van de beslissing van 31 maart 2008 van de minister van Justitie waarbij het beroep van Yvan De Mesmaeker tegen de beslissing van 8 augustus 2007 van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant tot weigering van de hernieuwing van een wapendrachtvergunning wordt verworpen. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld. Verzoeker en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. XII-5446-1\8 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 december 2010. Staatsraad Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Anna Bracke, die loco advocaat Dominique Matthys verschijnt voor verzoeker en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Verzoeker is zaakvoerder van de bvba Omega Risk, een onderneming die op 16 oktober 2006 van de minister van Binnenlandse zaken een vergunning verkreeg voor het aanbieden van diensten van onderneming voor veiligheidsadvies. Verzoeker bezit een vuurwapen. Voor het dragen van dit wapen werd op 17 februari 2004 aan verzoeker een vergunning afgeleverd. Deze vergunning werd verleend met als voorwaarde: “enkel voor het parcoursschieten tijdens schietdisciplines toegelaten voor particuliere schutters in erkende schietstan- den en voor persoonlijke bescherming”. Op 30 oktober 2006 verstuurt de minister van Binnenlandse zaken een aangetekend schrijven naar de bvba Omega Risk waarin wordt gesteld dat haar zaakvoerder houder blijkt te zijn van een wapendrachtvergunning en dat uit het dossier blijkt dat de redenen van persoonsbescherming die als voorwaarde voor de wapendrachtvergunning werden ingeroepen, volledig en uitsluitend betrekking hebben op de uitoefening van de activiteiten van onderneming voor veiligheidsad- vies. De wapendrachtvergunning zou dan ook problematisch zijn in het licht van artikel 8, § 2, laatste lid, 3/, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private XII-5446-2\8 en bijzondere veiligheid (hierna: de wet van 10 april 1990), dat bepaalt dat het dragen van wapens voor personeelsleden van ondernemingen voor veiligheidsadvies verboden is. Verzoeker wordt om die reden verzocht de modaliteit “persoonlijke bescherming” te laten schrappen in zijn vergunning. Op 26 januari 2007 dient verzoeker een aanvraag in bij de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant tot het verlengen van zijn vergunning voor het dragen van een verweerwapen voor persoonlijke bescherming en parcoursschieten voor een periode van drie jaar. Bij brieven van 20 maart 2007 vraagt de gouverneur advies aan de federale politie, de lokale politie van de politiezone Grimbergen en de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Bij brief van 16 mei 2007 brengt de lokale politie van de zone Grimbergen een ongunstig advies uit voor wat betreft de wapendracht voor persoonlijke bescherming. Bij brief van 14 juni 2007 brengt de procureur des Konings een gunstig advies uit omtrent de aanvraag. Op 8 augustus 2007 beslist de gouverneur om aan verzoeker geen draagvergunning toe te kennen voor persoonlijke bescherming. Verzoeker tekent op 29 augustus 2007 tegen de beslissing van de gouverneur beroep aan bij de minister van Justitie. Op 31 maart 2008 neemt de minister van Justitie het bestreden besluit tot weigering van het beroep tegen het besluit van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant van 8 augustus 2007 betreffende de weigering van de wapendrachtvergunning, op grond van onder andere de volgende motieven: “Op 26 januari 2007 heeft u bij de gouverneur van Vlaams-Brabant om hernieuwing van uw wapendrachtvergunning gevraagd. Deze hernieuwing heeft enerzijds betrekking op het parcoursschieten, anderzijds op uw persoonlijke bescherming. Voor wat betreft het parcoursschieten heeft de federale wapendienst, na overleg met andere belangengroepen, geoordeeeld dat een wapendrachtver- gunning voor het parcoursschieten nutteloos is geworden. Ofwel is men in het bezit van een geldige sportschutterslicentie, ofwel heeft men voor het wapen in kwestie een vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen aangevraagd waarbij men een wettige reden moet opgeven en bewijzen. Er zijn met andere woorden reeds voldoende controles ingelast. XII-5446-3\8 Concreet: voor het parcoursschieten is een wapendrachtvergunning niet langer vereist en derhalve zal u ook geen wapendrachtvergunning voor het parcoursschieten worden afgeleverd. Voor de hernieuwing van de draagvergunning voor uw persoonlijke bescherming beroept u zich op bijzondere gevaren waaraan u wordt blootgesteld ingevolge de uitoefening van uw beroep: het geven van veiligheidsadviezen aan banken en andere instellingen. Doordat u beschikt over welbepaalde informatie die aantrekkelijk kan zijn voor criminele organisaties vreest u voor uw persoonlijke veiligheid. Uit informatie, verkregen van de directie Private Veiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken op 31 maart 2008, is gebleken dat aan de eenpersoons- vennootschap omega Risk met u als enige zaakvoerder bij ministerieel besluit van 16 oktober 2006 een vergunning werd afgeleverd voor het aanbieden van diensten van een onderneming voor veiligheidsadvies. Art. 8, § 2, laatste lid, 3/ van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid bepaalt echter uitdrukkelijk dat geen wapens gedragen mogen worden voor het uitoefenen van activiteiten zoals bedoeld in art. 1, § 6 van de wet van 10 april 1990, zijnde de ondernemingen voor veiligheidsadvies. Het is duidelijk dat uw persoonlijke veiligheid enkel in het gedrang komt omwille van uw beroepsactiviteit, en de vrees voor uw veiligheid onlosma- kelijk verbonden is met uw activiteiten als veiligheidsadviseur. De gouverneur van Vlaams-Brabant heeft terecht geconcludeerd dat de hernieuwing van uw draagvergunning met als motief de persoonlijke bescherming volledig en uitsluitend betrekking heeft op de uitoefening van activiteiten zoals bedoeld in art. 1, § 6 van de wet van 10 april 1990. Een wapendrachtvergunning voor persoonlijke bescherming kan u bijgevolg niet worden toegekend”. IV. Eerste middel en derde middel Standpunt van de partijen 4. Verzoeker voert in een eerste en een derde middel de schending aan “van art. 8, § 2, laatste lid, 3/ en van art. 1, § 6 van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten”, respectievelijk “van de materiële motiveringsplicht, voortvloei- end uit de artikelen 2 en 3 van de verplichte motiveringswet van 29 juli 1991”. Verzoeker betoogt in het eerste middel dat de minister van Justitie bij de motivering van zijn beslissing uit artikel 1, § 6, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid ten onrechte een absoluut en abstract wapendrachtverbod afleidt dat rechtstreeks gekoppeld is aan het feit dat men te maken heeft met een onderneming voor het verstrekken van veiligheidsad- vies, terwijl dit artikel enkel bepaalt dat het personeel van ondernemingen voor veiligheidsadvies niet geacht wordt wapens te dragen “in de uitoefening van hun XII-5446-4\8 activiteit”. Verzoeker heeft nochtans aangetoond dat het niet zijn intentie is het wapen te dragen bij de uitoefening van zijn activiteiten. Daarenboven is verzoeker ook geen personeelslid van de betrokken onderneming, maar zaakvoerder. Wat het derde middel betreft, meent verzoeker dat de motieven van de bestreden beslissing ondeugdelijk en niet draagkrachtig zijn, nu ze gebaseerd zijn op een foutieve interpretatie van de wet van 10 april 1990. 5. Verwerende partij doet in de memorie van antwoord, wat het eerste middel betreft, gelden dat uit kopies in het strafdossier, daterend van 1996, blijkt dat verzoeker heeft verklaard zijn wapens steeds te dragen, ook tijdens de uitoefening van zijn beroepsactiviteit, omwille van zijn persoonlijke verdediging, dat, aangezien de bvba Omega Risk geen personeelsleden in dienst heeft, verzoeker aldus zelf de activiteiten van veiligheidsadvies uitoefent, dat in het dossier met geen stuk of element wordt aangetoond hoe ernstig het ingeroepen motief, namelijk bescherming tegen criminelen die op bijzondere informatie uit zijn, is en welke concrete dreiging ervan uitgaat, dat, aangezien de maatschappelijke zetel van de bvba Omega Risk en de woonplaats van verzoeker op hetzelfde adres gevestigd zijn, het door de verzoeker ingeroepen onderscheid tussen beroepsactiviteiten en andere omstandigheden niet of bijzonder moeilijk te maken is, zodat het geen feitelijke grondslag heeft en tenslotte dat de beslissing om de band tussen de persoonlijke bescherming te verbinden aan de beroepsactiviteit geen schending inhoudt van de wet van 10 april 1990 noch van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens. Wat het derde middel betreft, meent verwerende partij dat de bestreden beslissing afdoende werd gemotiveerd en dat de motivering erin bestaat dat verzoeker als zaakvoerder veiligheidsadvies aanbiedt in de zin van de wet van 10 april 1990, in het kader waarvan wapendracht verboden is, terwijl het risico waar het verzoek tot verlenging van de vergunning op betrekking heeft, geheel verband houdt met de gevolgen van deze activiteit. Door haar beslissing aldus te motiveren heeft verwerende partij de argumenten die verzoeker in zijn beroepschrift had ingeroepen, besproken. 6. In de laatste memorie brengt verwerende partij nog naar voor dat het door verzoeker ingeroepen motief voor het krijgen van een wapenvergunning zijn bescherming beoogt wegens de kennis die hij meedraagt van zijn professionele XII-5446-5\8 werkzaamheden, dat verzoeker deze kennis vanzelfsprekend ook bezit gedurende zijn beroepsactiviteiten waarbij hij evenzeer niet steeds werkzaam is in een beveiligde omgeving en dat de weigering van de vergunning om reden dat het door verzoeker ingeroepen motief geen uitstaans heeft met andere dan professionele redenen dan ook een logische constructie in overeenstemming met de wet is. Beoordeling 7. Eén van de redenen waarom verzoeker om een wapendrachtver- gunning verzoekt is zijn persoonlijke bescherming. Zoals hij in zijn verzoekschrift tot hoger beroep bij verwerende partij duidelijk maakt, geeft hij zich er goed rekenschap van dat hij geen wapen mag dragen “bij de uitoefening van de activiteit van zijn (of eender welke andere) onderneming voor veiligheidsadvies”. Met zoveel woorden bevestigt hij dat er niet voor moet “worden gevreesd dat verzoeker de vergunning [...] zou gebruiken door een wapen te dragen ‘bij de uitoefening van de activiteit van zijn onderneming voor veiligheidsadvies’”. 8. De bestreden beslissing weigert de wapendrachtvergunning voor persoonlijke bescherming omdat verzoekers persoonlijke veiligheid enkel in het gedrang komt vanwege zijn beroepsactiviteit en de vrees voor zijn veiligheid dus onlosmakelijk verbonden is met zijn activiteiten als veiligheidsadviseur, terwijl artikel 8, § 2, laatste lid, 3/, van de wet van 10 april 1990 uitdrukkelijk bepaalt dat geen wapens gedragen mogen worden voor het uitoefenen van activiteiten als onderneming voor veiligheidsadvies. 9. Luidens genoemd artikel 8, § 2, zesde lid, 3/, mogen geen wapens worden gedragen voor het uitoefenen van volgende activiteiten: “activiteiten zoals bedoeld in artikel 1, § 3 en 6”. Artikel 1, § 6, betreft de onderneming voor veiligheidsadvies. De memorie van toelichting bij de wet van 7 mei 2004 (B.S., 3 juni 2004) tot wijziging van de wet van 10 april 1990, waarbij de bepaling van het zesde lid wordt ingevoerd, vermeldt ter zake: “Voorts wordt het principe bevestigd dat het personeel van beveiligingsondernemingen en van ondernemingen voor XII-5446-6\8 veiligheidsadvies niet geacht wordt wapens te dragen in de uitoefening van hun activiteiten”. 10. Met andere woorden weigert verwerende partij verzoeker een vergunning tot wapendracht búiten de uitoefening van de activiteit van een onderneming voor veiligheidsadvies omdat er een verbod bestaat tot wapendracht ín de uitoefening van die activiteit. Dit is naast de kwestie en dan ook niet draagkrachtig. In zoverre verwerende partij in de memorie van antwoord opwerpt dat niet is aangetoond hoe ernstig het motief is van de bescherming tegen criminelen die op bijzondere informatie uit zijn en welke de concrete dreiging is -motief dat nog bijkomend wordt uitgewerkt in een, met brief van 16 februari 2010 bijgebrach- te, argumentatie waaromtrent verwerende partij zelf zeer terecht opmerkt dat ze “niet binnen de termijnen wordt aangedragen”- wordt vastgesteld dat die redeng- eving niet terug te vinden is in de -verplicht formeel te motiveren- beslissing van 31 maart 2008, noch zelfs maar in het administratief dossier. Ze vermag de beslissing dan ook niet te verantwoorden. 11. De besproken middelen zijn gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van 31 maart 2008 van de minister van Justitie waarbij het beroep van Yvan De Mesmaeker tegen de beslissing van 8 augustus 2007 van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant tot weigering van de hernieuwing van een wapendrachtvergunning wordt verworpen. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. XII-5446-7\8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 26 mei 2011, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert van Haegendoren, staatsraad, met bijstand van Frank Bontinck, griffier. De griffier, De voorzitter, Frank Bontinck Dierk Verbiest XII-5446-8\8