ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110922.10
Détails de la décision
🏛️ Hof van Cassatie
📅
🌐 NL
Matière
Overige - Belastingrecht
Résumé
Geen enkele wettelijke bepaling voorziet in de mogelijkheid om in antwoord
op een memorie van wederantwoord een pleitnota in te dienen; dergelijke
pleitnota, waarin verder verweer wordt gevoerd over de niet-ontvankelijkheid
van het cassatieberoep, is niet ontvankelijk.
Texte intégral
PARKET
VAN HET
HOF VAN CASSATIE
C.10.0003.N
Conclusie van advocaat-generaal Chr. Vandewal:
Feitelijke gegevens en procedurevoorgaanden
Blijkens de stukken waarop het Hof acht vermag te slaan heeft de betwisting tussen partijen betrekking op een uitvoerend beslag gelegd op verzoek van eerste verweerster FRIESLAND BANK en meer bepaald op het derdenverzet van eiseressen tegen een beschikking van de beslagrechter te Brussel van 29 april 2009 waarbij deze aan FRIESLAND BANK conform artikel 1580ter Ger.W. machtiging verleende tot verkoop uit de hand van inbeslaggenomen onroerende goederen.
Bij de bestreden beschikking van 22 september 2009 werd dit derdenverzet door de beslagrechter onontvankelijk verklaard.
Het cassatieberoep tegen deze beschikking maakt het voorwerp uit van huidige procedure.
De ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
Eerste verweerster voert aan dat de voorziening niet ontvankelijk is omdat de bestreden beschikking niet in laatste aanleg gewezen is en derhalve niet vatbaar is voor cassatieberoep.
Krachtens artikel 608 en 609, 1° Ger.W. staat cassatieberoep enkel open voor beslissingen gewezen in laatste aanleg. Wanneer de door het cassatieberoep bestreden beslissing vatbaar is voor hoger beroep, is het cassatieberoep niet ontvankelijk.
De aan Uw Hof voorgelegde procedure betreft een derdenverzet tegen een beschikking van de beslagrechter tot machtiging om uit de hand te verkopen, gewezen op verzoek van de beslagleggende schuldeiser FRIESLAND BANK overeenkomstig artikel 1580ter Ger.W.
Het staat buiten kijf dat de oorspronkelijke machtigingsbeschikking van 29 april 2009 niet vatbaar was voor verzet of hoger beroep. Artikel 1580ter, laatste lid, Ger.W. voorziet dit immers uitdrukkelijk.
In casu werd door eiseressen echter geen cassatieberoep ingesteld tegen de machtigingsbeschikking gewezen overeenkomstig artikel 1580ter Ger.W., maar tegen de beschikking op derdenverzet tegen voornoemde machtigingsbeschikking.
De cruciale vraag is dan ook of die op derdenverzet gewezen beslissing al dan niet appellabel is.
Ik meen dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord.
Artikel 616 Ger.W. bepaalt dat tegen ieder vonnis hoger beroep kan worden ingesteld, tenzij de wet anders bepaalt. Het recht op dubbele aanleg is dus algemeen, zodat de afwijkingen daarop restrictief dienen te worden geïnterpreteerd.
Het principe van het recht op dubbele aanleg behoudens de uitdrukkelijk in de wet voorziene afwijkingen, verwoord in voornoemd artikel 616 Ger.W., is ook van toepassing op beslissingen gewezen op derdenverzet. Artikel 1131 B.W. bepaalt immers dat tegen de beslissing, op derdenverzet gewezen, alle rechtsmiddelen kunnen worden aangewend, met uitzondering van hoger beroep indien de bestreden beslissing zelf in hoger beroep is gewezen.
Uw Hof preciseerde in een arrest van 3 april 2006 dat deze bepaling ertoe strekt "het gemeen recht inzake de rechtsmiddelen van toepassing te verklaren, met uitzondering van hoger beroep indien de beslissing zelf in hoger beroep is gewezen."(1)
Daaruit lijkt mij te volgen dat, wanneer de wet verhindert dat hoger beroep zou kunnen ingesteld worden tegen een beslissing, dit geenszins betekent dat daardoor ook geen hoger beroep zou kunnen worden ingesteld tegen de beslissing, waarin uitspraak wordt gedaan over het derdenverzet tegen de eerder genoemde beslissing.
Procureur-generaal GANSHOF VAN DER MEERSCH benadrukte in zijn conclusie bij 's Hofs arrest van 24 januari 1974 dat het het vonnis zelf is, en niet het vonnis waartegen derdenverzet werd ingesteld, dat in overweging moet worden genomen om te oordelen of het vatbaar is voor hoger beroep(2).
Het derdenverzet leidt immers een nieuw geding en dus een nieuwe aanleg in, met eigen, afzonderlijke regels.
WAGNER stelt dat "de enige relevante omstandigheid bij de vraag of de uitsluitingsregel van artikel 1131 Ger.W. al dan niet toepassing vindt, is of de bestreden beslissing in hoger beroep (of door een hof van beroep zetelend in enige aanleg) gewezen werd. Appèl is hier van belang, appellabiliteit niet. Het is perfect denkbaar dat een beslissing die niet appellabel is (maar die uiteraard wel in eerste aanleg gewezen werd) bestreden wordt middels een derdenverzet, en dat de op derdenverzet gewezen beslissing (bv. ingevolge een tussenkomst) wel appèllabel is."(3)
Op het principe vervat in art. 1131 Ger.W. bestaat in onderhavig geval geen uitdrukkelijke wettelijke afwijking. De niet-appellabiliteit bedoeld in artikel 1580ter Ger.W. betreft dan ook enkel de machtigingsbeschikking gewezen op eenzijdig verzoekschrift en kan niet per analogie worden toegepast op beschikkingen gewezen op derdenverzet tegen deze machtigingsbeschikking.
Uit de beschreven wettelijke principes volgt naar mijn mening dat in casu de oorspronkelijke machtigingsbeschikking van 29 april 2009 ingevolge artikel 1580ter Ger.W. niet vatbaar was voor hoger beroep, terwijl het vonnis dat door de beslagrechter werd gewezen op 22 september 2009, dat het voorwerp uitmaakt van de huidige voorziening, daarentegen wel vatbaar is voor hoger beroep ingevolge artikel 1131 Ger.W.
De bestreden beslissing lijkt mij dan ook niet in laatste aanleg te zijn gewezen zodat het cassatieberoep naar mijn mening niet ontvankelijk is.
Conclusie: Verwerping.
(1) Cass. 3 april 2006, A.R.
C.04.0079.N
ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060403.1
-
C.04.0080.N
ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060403.1
, A.C. 2006, nr. 189.
(2) Concl. van procureur-generaal W.-J. GANSHOF VAN DER MEERSCH bij Cass. 24 jan. 1974, Pas. 1974, I, (545) 546.
(3) K. WAGNER, Derdenverzet, in APR, Mechelen, Kluwer, 2004, nr. 70.