ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960905.13
Détails de la décision
🏛️ Hof van Cassatie
📅
🌐 NL
Matière
Overige - Sociale-zekerheidsrecht
Résumé
Wanneer de rechter beslist dat een vordering gegrond is op art. 1382,
B.W. en hij die vordering afwijst wegens het ontbreken van een oorzakelijk
verband tussen fout en schade, gaat hij louter na of alle voorwaarden
voor de toepassing van die bepaling vervuld zijn en sch...
Texte intégral
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest op 15 mei 1995 door het Hof van Beroep te Luik gewezen;
Over het eerste middel : schending van artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, van het algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genoemd, van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, van de artikelen 6.1. van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, gesloten te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, 54, inzonderheid § 4, en 75 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten,
doordat het arrest vaststelt dat Stordeur arbeidsongeschikt is geworden ten gevolge van een arbeidsongeval en door eiseres in haar hoedanigheid van arbeidsongevallenverzekeraar van zijn werkgever is vergoed; dat het arrest vervolgens de vordering van eiseres verwerpt, in zoverre zij betrekking had op de terugbetaling van het bedrag van 11.437 frank dat was betaald als werkgeversbijdrage op de aan Stordeur uitgekeerde vergoedingen op grond dat "het bestaan van een contractuele verplichting het ontstaan van een schade in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek kan uitsluiten, meer bepaald in het geval dat ... de te dragen kosten of de uitkering definitief ten laste moeten blijven van diegene die zich verbonden heeft, zelfs wanneer de omstandigheid die aanleiding gaf tot de betaling of de overeengekomen uitkering, een gevolg is van de onrechtmatige daad ...; dat, om die redenen de werkgeversbijdragen (11.437 frank) bedragen zijn die definitief ten laste van de werkgever moeten blijven en dat diens verzekeraar ze niet kan terugvorderen van de voor het ongeval aansprakelijke derde",
terwijl, eerste onderdeel, de rechter in burgerlijke zaken geen geschil kan opwerpen waarvan het bestaan bij conclusie van de partijen wordt uitgesloten; geen van de gedingvoerende partijen voor het hof van beroep in casu de vordering van eiseres betwistte in zoverre zij betrekking had op de terugbetaling van het als werkgeversbijdrage betaalde bedrag van 11.437 frank; het arrest derhalve, nu het dat punt van de vordering van eiseres verwerpt, artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek en het beschikkingsbeginsel schendt; het arrest bovendien, nu het die vordering verwerpt op een ambtshalve middel zonder de partijen te vragen dat punt nader toe te lichten, desnoods door de heropening van het debat te bevelen, het recht van verdediging van eiseres miskent (schending van het algemeen beginsel van het recht van verdediging en van artikel 6.1. van voornoemd Verdrag van Rome);
tweede onderdeel, in geval van arbeidsongeschiktheid van een werknemer wegens een arbeidsongeval, de artikelen 54, § 4, en 75 van de wet van 3 juli 1978, respectievelijk voor de werklieden en de bedienden, bepalen dat de werkgever tegen de derden die aansprakelijk zijn voor het ongeval, een rechtsvordering kan instellen tot terugbetaling van het loon dat aan het slachtoffer is betaald en van de sociale bijdragen waartoe de werkgever door de wet of door een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst is gehouden; die bepaling, nu zij de werkgever het recht geeft om tegen de voor het ongeval aansprakelijke persoon een rechtsvordering in te stellen tot terugbetaling van de betaalde sociale bijdragen, afwijkt van het beginsel volgens hetwelk het oorzakelijk verband verbroken wordt wanneer tussen de fout en de schade een eigen juridische oorzaak ingrijpt, zoals een verplichting uit een overeenkomst, een wet of een reglement die op zichzelf voldoende is om de uitvoering te verantwoorden; het arrest derhalve de artikelen 54, § 4, en 75 van de wet van 3 juli 1978 schendt door te beslissen dat de werkgeversbijdragen definitief ten laste van de werkgever en diens verzekeraar moeten blijven :
Wat het eerste onderdeel betreft :
Overwegende dat het hof van beroep het door eiseres gevorderde bedrag van 11.437 frank heeft afgewezen, welk bedrag overeenkomt met de werkgeversbijdragen die zij in haar hoedanigheid van arbeidsongevallenverzekeraar zou hebben betaald voor de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid van de getroffene;
Overwegende dat, enerzijds, die vordering werd betwist, inzonderheid door de tweede verweerder die aanvoerde dat de vordering tot terugbetaling van de aan de getroffene uitgekeerde bedragen slechts gegrond zou zijn indien "hij ook na de periode van arbeidsongeschiktheid maatschappelijk verlies had geleden";
Overwegende, anderzijds, dat het hof van beroep, nu het beslist dat "de werkgeversbijdragen bedragen zijn die definitief ten laste van de werknemer moeten blijven en dat, bijgevolg, diens verzekeraar ze niet kan terugvorderen van de voor het ongeval aansprakelijke derde", heeft nagegaan wat zijn plicht was, of alle voorwaarden voor de toepassing van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek waren vervuld, meer bepaald of tussen de fout en de schade een noodzakelijk oorzakelijk verband bestond;
Overwegende dat het hof van beroep, nu het zich beperkt tot dat onderzoek, enkel uitspraak heeft gedaan over het door eiseres regelmatig aanhangig gemaakte geschil, en noch een vordering heeft verworpen op een exceptie die voor het hof niet in het debat was noch het recht van verdediging heeft geschonden;
Dat dit onderdeel niet kan worden aangenomen;
Wat het tweede onderdeel betreft :
Overwegende dat, krachtens de artikelen 54, § 4, en 75 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, de werkgever van de derde die aansprakelijk is voor het arbeidsongeval, terugbetaling kan vorderen van de sociale bijdragen waartoe hij door de wet of door een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst is gehouden;
Dat dit onderdeel, dat steunt op die wetsbepalingen, die geen verband houden met de rechtsvordering van de arbeidsongevallenverzekeraar, niet ontvankelijk is;
Over het tweede middel : schending van de artikelen 1382 van het Burgerlijk Wetboek en 47 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971,
doordat het arrest vaststelt dat eiseres aan Stordeur dagelijkse vergoedingen heeft betaald voor de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid tussen 31 januari en 14 juli 1984 en dat Stordeur voor die periode aanspraak had kunnen maken op een semi-brutoloon van 272.877 frank (namelijk een brutoloon van 338.050 frank min de voorheffing van 65.173 frank); dat het vervolgens, zonder te ontkennen, zoals eiseres betoogde zonder op dat punt door de andere partijen te worden weersproken, dat de door eiseres aan Stordeur voor de voornoemde periode uitgekeerde dagelijkse vergoedingen 301.268 frank bedroegen, de schadeloosstelling van eiseres voor de door haar aan Stordeur tijdens voormelde periode betaalde dagelijkse vergoedingen beperkt tot 90 pct. van het voornoemde semi-brutoloon, zijnde het bedrag van 245.589 frank, op grond dat "de arbeidsongevallenverzekeraar het recht heeft om van de schadeveroorzaker de door hem uitgekeerde bedragen terug te vorderen met de dubbele beperking, enerzijds, van de betaalde bedragen, anderzijds, van de bedragen waarop de getroffene volgens het gemeen recht aanspraak had kunnen maken",
terwijl de arbeidsongevallenverzekeraar tegen de voor het arbeidsongeval aansprakelijke persoon een rechtsvordering kan instellen tot beloop van, enerzijds, het bedrag van de schadevergoeding die de getroffene volgens het gemeen recht voor dezelfde schade had kunnen krijgen (artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek) en, anderzijds, het bedrag van de aan de getroffene betaalde vergoedingen (artikel 47 van de wet van 10 april 1971); de arbeidsongevallenverzekeraar van de veroorzaker van het ongeval het laagste van de twee bedragen kan terugvorderen; de wet van 10 april 1971 wellicht de dagelijkse vergoedingen waarop de getroffene van een arbeidsongeval recht heeft, beperkt tot 90 pct. van zijn gemiddelde dagloon (artikel 22), dat wordt omschreven als het basisloon (bedoeld bij artikel 34) gedeeld door 365 (artikel 40), maar die berekeningswijze van de door de arbeidsongevallenverzekeraar aan de getroffene verschuldigde vergoedingen geen invloed mag hebben op de berekeningswijze van het bedrag van de schadevergoeding die de veroorzaker van het ongeval aan de arbeidsongevallenverzekeraar verschuldigd is; het arrest, door het bedrag van de schadevergoeding die de veroorzaker van het ongeval aan de arbeidsongevallenverzekeraar verschuldigd is, te beperken tot 90 pct. van het semi-brutoloon van de getroffene, beide berekeningswijzen met elkaar verwart en de regresvordering van de arbeidsongevallenverzekeraar op onwettige wijze beperkt (schending van de artikelen 1382 van het Burgerlijk Wetboek en 47 van de wet van 10 april 1971) :
Overwegende dat het hof van beroep, na te hebben vastgesteld dat de getroffene tussen 31 januari en 14 juli 1984 een bedrag van 272.877 frank had moeten ontvangen, aan eiseres een bedrag van 245.589 frank heeft toegekend op grond dat de arbeidsongevallenverzekeraar niet meer dan 90 pct. van het aan de getroffene toekomende bedrag kan terugvorderen;
Overwegende dat de schadevergoeding die de getroffene volgens het gemeen recht van de veroorzaker van het ongeval kan vorderen, en de door de verzekeraar op grond van de Arbeidsongevallenwet uitgekeerde vergoedingen, twee wijzen zijn om dezelfde materiële schade te vergoeden;
Dat de gesubrogeerde verzekeraar derhalve, binnen de perken van de schadevergoeding die de voor het ongeval aansprakelijke derde volgens het gemeen recht is verschuldigd voor dezelfde materiële schade, zijn regresvordering kan instellen tot terugbetaling van het geheel van de door hem aan de getroffene voor dezelfde periode van arbeidsongeschiktheid uitgekeerde bedragen;
Overwegende dat het arrest, door het door eiseres teruggevorderde bedrag te beperken tot 90 pct. van het bedrag dat de getroffene als schadevergoeding had kunnen krijgen, de in het middel aangegeven wetsbepalingen schendt;
Dat het middel gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre dat arrest het bedrag dat aan eiseres toekomt voor de aan de getroffene tijdens de tijdelijke arbeidsongeschiktheid uitgekeerde vergoedingen, beperkt tot 245.589 frank;
Verwerpt de voorziening voor het overige;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.